Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 05.06.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel - 35ste Kamer
A.R. 83/151375/A en 83/153920/A
In zake van :
De heer E. V. B., wonende te …, …,
eisende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. T. D. loco Mr. P. D., advocaat te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de ontvanger van de Administratie van de BTW Registratie en Domeinen van het BTW-ontvangkantoor Vilvoorde, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat nr. 51,
verwerende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. K. V. D. V. loco Mr. F. C., advocaat met kantoor te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 5/05/2009, wordt door de rechtbank volgend
vonnis uitgesproken :
Gelet op :
- het tussenvonnis van deze rechtbank dd. 2/10/2007;
- de conclusies na heropening der debatten van verweerder, neergelegd ter griffie op 29/04/2008;
- de conclusies na heropening der debatten van eisende partij, neergelegd ter griffie op 19/11/2007;
- de conclusies omtrent de rechtsplegingsvergoeding van eisende partij neergelegd ter zitting op 5/05/2009
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 5/05/2009, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
_____
1. FEITEN
Eisende partij was tijdens de jaren 1997 en 1978 actief als restaurant- en baruitbater en in deze hoedanigheid onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde. Als BTW-belastingplichtige was hij geregistreerd onder het nummer ….
Op 23 juni 1981 werd door de BTW-administratie een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving tijdens de periode van 1 januari 1977 tot 30 november 1978, datum waarop de persoonlijke activiteit werd stopgezet.
Een proces-verbaal met vermelding van de vastgestelde overtredingen dateert van 10 februari 1983. Met name werd vastgesteld dat de aangegeven omzet lager was dan deze die werkelijk werd gerealiseerd. De BTW-administratie heeft de werkelijke omzet begroot aan de hand van een akkoord gesloten tussen eisende partij en de directe belastingen.
Op grond hiervan werd een dwangbevel uitgevaardigd op 15 februari 1983 waarbij de door eisende partij verschuldigde belasting werd vastgesteld op … BEF belasting, vermeerderd met een geldboete van … BEF en de interesten. Het werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 februari en aan eisende partij betekend op 17 februari 1983.
Daarnaast werd door de Bijzondere Belastinginspectie (BBl) inzake genomen van de in het kader van een strafonderzoek in beslag genomen boekhouding van eisende partij. Bij deze stukken bevonden zich met name twee agenda's waarin respectievelijk inkomsten werden vermeld gerealiseerd in de periode van 1 oktober tot 31 december 1977 en deze genoten tijdens het jaar 1978.
De vaststellingen van deze administratie naar aanleiding van het onderzoek van deze stukken voor de periode 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1977 werden opgenomen in een proces-verbaal van 21 december 1982.
De nog verschuldigde belasting voor het laatste kwartaal van 1977 werd er vastgesteld op … BEF, vermeerderd met een boete van … BEF en de interesten.
Hierbij werd volgens het proces-verbaal uitdrukkelijk en -pro rata- rekening gehouden met de door de BTW administratie berekende doch nog niet belaste omzet voor het jaar 1977.
Het dwangbevel werd uitgevaardigd op 22 december en vervolgens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 december 1982.
Een proces-verbaal van 10 februari 1983 beschrijft de vaststellingen van de BBI voor de periode van 1 januari 1978 tot en met 30 november 1978.
Op grond hiervan werd op 14 februari 1983 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 16 februari geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 17 februari 1983 aan eisende partij werd betekend. De verschuldigde belasting, ook hier rekening houdend met de reeds door de BTW-administratie in het voormelde proces-verbaal van dezelfde datum berekende omzet voor het jaar 1978 , werd begroot … BEF, vermeerderd met een geldboete van … BEF en de interesten.
Tegen het dwangbevel van 22 december 1982 werd verzet aangetekend bij exploot van 20 januari 1982.
De zaak werd ingeschreven op de algemene rol van deze rechtbank onder het nummer …. Tegen de respectievelijke dwangbevelen van 14 en 15 februari 1983 heeft eisende· partij verzet aangetekend bij exploot van 28 maart 1983.
Deze zaak staat gekend onder het nummer … van de algemene rol.
Bij tussenvonnis van deze rechtbank dd. 2/10/2007 werden deze twee zaken in toepassing van art. 30 Ger. W. samengevoegd.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
Eisende partij omschrijft zijn vordering in beide zaken als volgt :
"Het verzet en de dagvaarding ontvankelijk te verklaren en gegrond, en rechtdoende zowel het dwangbevel als de kennisgeving ervan te vernietigen, de (beide) aanslag(en) teniet te doen, deze minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht, dat het dwangbevel geen uitvoering mag kennen, en geen gevolg mag hebben; De terugbetaling of teruggave te bevelen van alle sommen welke ten onrechte werden betaald, geïnd of ongehouden, verhoogd met de wettelijke rente à 12% vanaf de betaling, inhouding of inning."
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van beide vorderingen.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
Waar voorts de rechtbank ook geen ambtshalve op te werpen gronden van met ontvankelijkheid bemerkt dient de vordering ontvankelijk te worden verklaard.
3.II. Gegrondheid
Eisende partij voert in de verzetsakte, in de conclusies, in de tweede conclusies, in de syntheseconclusies en in de conclusies na heropening der debatten aan dat :
m.b.t. het verzet tegen het dwangbevel van de BTW-ontvanger Vilvoorde, betekend aan eisende partij op 27/12/1982 de kennisgeving en het dwangbevel nietig zouden zijn omdat :
a) art. 1317 B.W. zou zijn geschonden
b) art. 2 Ger. W. zou zijn geschonden
c) art. 32, 2° Ger. W. zou zijn geschonden
d) art. 43 Ger. W. zou zijn geschonden
e) art. 45 Ger. W. zou zijn geschonden
f) art. 862,§ 1, 2° Ger. W. zou zijn geschonden
g) art. 85, § 1 W.BTW zou zijn geschonden
h) art. 85, § 3 WBTW zou zijn geschonden
i) 'bepaalde wetsartikelen van de wet van 25 Ventose jaar XI' zouden zijn geschonden
- "de "B.B.I." niet wettig zou bestaan, de desbetreffende wettelijke bepalingen niet zouden zijn gepubliceerd en "andere feitelijke regelingen" en de gevolgen van dien"
- het bewijs betreffende de maatstaf waarop de BTW wordt berekend ontbreekt
- bepaalde omzetten niet onder een wettekst vallen
- de rechter dient te oordelen over de wettelijkheid en de opportuniteit van boeten
M.b.t. de argumenten aangaande de kennisgeving en het dwangbevel
Na analyse van de conclusies van eisende partij blijkt dat verweerder wordt verweten dat :
- het ter kennis gegeven dwangbevel voor eensluidend werd verklaard door een daartoe niet bevoegd en bekwaam verklaard en daartoe ook niet benoemd ambtenaar.
Het dwangbevel is een buitengerechtelijke akte die door de administratieve overheid word uitgevaardigd en bestemd is om als uitvoerbare titel te dienen, ter invordering van de belastingschuld (VANDEBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW" Larcier, Gent, 2004, blz. 19 nr. 24).
De ventosewet op het notarisambt werd door de BTW. wetgeving niet van toepassing gemaakt op de akten uitgaande van de administratie.
Het gemeen recht werd door de BTW wetgeving niet van toepassing gemaakt op akten uitgaande van de administratie.
De wet schrijft geen bijzondere vormvereisten voor (VANDEBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW" Larcier, Gent, 2004, blz. 19 nr. 24).
Art. 85, § 1 W.BTW bepaalt dat het dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar en wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen.
De ondertekening door de ontvanger wijst erop dat hij het dwangbevel heeft uitgevaardigd en de ondertekening door de gewestelijke directeur dat bij het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Art. 85, §§ 1 en.3 W.BTW bepalen dat de kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief of wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling. Andere wettelijke vormvereisten zijn niet voorzien.
Het is niet vereist dat de aan de belastingplichtige overgemaakte afschriften van het dwangbevel en van het proces-verbaal zouden voorzien worden van de handtekening in origineel van degene die het dwangbevel heeft opgesteld, respectievelijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard heeft.
De vaststelling dat de ontvanger, die het dwangbevel bij ter post aangetekende brief heeft ter kennis gebracht van de belastingplichtige, het dwangbevel voorzien heeft van de formule van eensluidendverklaring, door hem in origineel getekend, biedt de belastingplichtige de waarborg dat de originelen van het dwangbevel voorzien zijn van de handtekeningen van de onderscheiden ambtenaren (Gent, 18 januari 1999, A.R. 1995/AR/1067).
De vermelding van eensluidend verklaring door de ontvanger in de uitoefening van zijn taak geldt als volledig bewijs van de conformiteit zolang zijn vermelding niet van valsheid wordt beticht (Gent 18 januari 1999, A.R. 1995/ AR/1067).
Overigens is het volledig normaal dat een dat een afschrift eensluidend met het origineel wordt verklaard door het bevoegd orgaan van de administratie (zie Rb. Kortrijk 8 december 1995).
Verweerder wijst er terecht op dat eisende partij ten onrechte stelt dat art. 85, § 3 W.BTW dient te worden toegepast in geval van uitvoering door een dwangbevel. Art. 85, § 1, 2° lid W.BTW kan/kon perfect worden toegepast.
Uit de samenlezing van art. 85, § 1, 2° lid W.BTW en art. 32, 2° Ger. W. volgt dat een afschrift van het dwangbevel bij ter post aangetekende brief mag worden verstuurd aan de belastingplichtige, hetgeen inzake gebeurde op 27/12/1982.
Eisende partij stelt bovendien in haar syntheseconclusies dat zij deze argumentatie niet langer inroept.
Dit middel van eisende partij is bijgevolg ongegrond.
M.b.t. de bevoegdheid en de wettelijkheid van de B.B.I.
Volgens eisende partij zou de "B.B.I." op onwettige wijze georganiseerd zijn.
Ter zitting laat eisende partij evenwel verstaan dit argument, net zoals de argumenten m.b.t. de kennisgeving en het dwangbevel niet langer te handhaven.
Dit middel is zodoende eveneens ongegrond.
M.b.t. het argument dat het bewijs betreffende de maatstaf waarop de BTW wordt berekend ontbreekt
Volgens eisende partij bestaat het bewijs uit het P.V van de heer M. V. D. E., opgemaakt op 21/12/1982 en daarbij heeft deze de gegevens van een kasdagboek dat zich in het strafdossier lastens Eisende partij bevond overgenomen. Hij zou nagelaten hebben "propriis sensibus" geconstateerd te hebben.
Verweerder argumenteert dat er niet betwist kan worden dat de controlerende ambtenaar vaststelde dat er een "agenda" bestond.
Hij wijst er eveneens op dat de cijfers die in de agenda werden aangetroffen ook werden aangetroffen in de boeken bijgehouden door boekhouder "W.", en dat beide met elkaar werden vergeleken.
Verweerder stelt terecht dat het feit dat hij met toelating van de Procureur - Generaal bij het Hof van Beroep inzage mocht nemen in stukken en documenten die naar aanleiding van een huiszoeking bij eisende partij in beslag werden genomen niets wegneemt aan de vaststelling "propriis sensibus" die de contra lerende ambtenaar maakte, te meer daar deze ambtenaar er geen eigen interpretatie aan gaf en enkel de verklaringen van de redacteur ervan in aanmerking nam.
Dit middel van eisende partij is bijgevolg ongegrond.
M.b.t. het argument dat inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten waarbij 20 % van de inkomsten wegviel
Eisende partij voert aan dat nu er inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten waarbij 20 % van de inkomsten wegviel dat verweerder inzake minstens ook die vermindering dient toe te staan.
Verweerder gaat hiermee akkoord en herberekent de verschuldigde BTW op blz. 4 van haar tweede aanvullende conclusies op die manier dat voor het vierde kwartaal van 1977 de nog verschuldigde BTW … BEF bedraagt en voor 1978 (elf maanden van 1978) : … BEF zodat in totaal nog … BEF of € … aan BTW verschuldigd zou zijn.
Verweerder wijst er ook terecht op dat uit het proces-verbaal van 21/12/1982 (meerbepaald blz. 10) en uit het proces-verbaal dd. 10/02/1983 (meerbepaald de laatste bladzijde ervan) uitdrukkelijk blijkt dat er wel degelijk rekening werd gehouden met de regularisaties van het ontvangkantoor Dilbeek.
M.b.t. de verjaring
Verweerder stelt terecht dat m.b.t. de het 4de kwartaal van 1977 de verjaringstermijn liep tot uiterlijk 31 december 1982 omdat de oude verjaringstermijn van 6 jaar nog van toepassing was.
Nu het dwangbevel inzake bij aangetekende brief dd. 27/12/1982 werd verzonden stuitte dit dwangbevel de verjaring rechtsgeldig.
M.b.t. de belastbaarheid van de lidkaarten
Eisende partij argumenteert dat m.b.t. de lidkaarten art. 18, § 1, 12° W.BTW niet toepasselijk zou zijn.
Eiser stelt terecht dat het toekennen van lidkaarten een belastbare dienst is in toepassing van art. 18, § 1, 12° W.BTW wanneer de uitvoering plaatsheeft ingevolge een contract onder bezwarende titel (zie Memorie van Toelichting , ParI. Besch. Kamer, buitengewone zitting 1968, gedr. St. nr. 88/1 blz. 28 en 29).
M.b.t.de boetes
Met arrest van 21 januari 2005 heeft het Hof van Cassatie zich opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke macht om fiscale boetes te toetsen of hun redelijkheid, proportionaliteit en(/of) opportuniteit.
Het Hof van Cassatie beaamt dat het toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Het Hof stelt : "Dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.”
Cassatie stelt dat de rechter niets méér mag beslissen dan dat de administratie vermag te beslissen. Mede omdat de administratie gebonden is door de wet, geldt dit ook voor de rechter.
Het toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Nu uit het dossier blijkt dat uit de aard van de overtredingen blijkt dat niet gesteld kan worden dat ze toevallig gebeurden of door onwetendheid, zeker gezien eisende partij door een extern boekhouder werd bijgestaan.
De diensten van verweerder waren gelet op het geheel van de feiten zeker gerechtigd een boete op te leggen.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
De vordering van eisende partij is deels gegrond.
4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
Aangezien de vordering van eisende partij deels gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verweerder.
Partijen lieten na van de waarde van de vordering te bepalen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en deels gegrond,
Zegt voor recht dat de verschuldigde sommen blijkens de dwangbevelen dd. 21/12/1982, 14/02/1983 en 15/02/2008 dienen te worden beperkt tot € … en € ….
Veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij op heden niet begroot.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 5 juni 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. L., rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I.D. M. L.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.