Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt dd. 18.05.2017 (AR/2408/A)
WF 711-15-15/045059
[Ongunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – werken in onroerende staat – omvorming van een woning – nieuwbouw – verlaagd tarief
Wettelijke bepalingen
Rubriek XXXI, § 1, 1° van tabel A bij het Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en de diensten bij die tarieven;
Aanschrijving nr. 6 van 22.08.1986 nummer 30
Samenvatting
De belastingplichtige(eiseres), heeft een herenhuis met stalling tot een kantoor en een loft verbouwd. De stalling werd omgevormd tot twee rolstoelvriendelijke woningen en een loft.
De betwisting in dit geschil betreft de mogelijkheid om van het verlaagd btw-tarief te kunnen genieten voor de verbouwing van de stalling (schuur).
De administratie was van oordeel dat de uitgevoerde werken aan de stalling niet voldeden aan het begrip “omvormings- of verbouwingswerken” , en dus het tarief van 6 % niet kon toegepast worden. In het proces-verbaal wordt een inbreuk vastgesteld op de voorwaarden voor het verminderde tarief volgens de bepalingen van rubriek XXXI, § 1, 1° van tabel A bij het KB 20.
De rechter verwijst in zijn vonnis naar het nummer 30 van de aanschrijving nr. 6 van 22.08.1986 waarin gesteld wordt: “Onder omvorming wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken. Evenzo wordt het bestaan van de verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw…Evenzo wordt het bestaan van de verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw”.
De rechtbank is van oordeel dat uit vaststellingen en overlegde foto’s blijkt dat de renovatiewerken steunen op de oude muren en dat de uitbreiding van de schuur door er vertrekken bij te bouwen kadert binnen de renovatie en dat dit volgens voornoemde aanschrijving als ‘omvorming’ wordt beschouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de werken steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en dat het verlaagd tarief correct werd toegepast.
Standpunt administratie
De Belgische staat berust in het vonnis en houdt hierbij rekening met het arrest van Cassatie van 27 maart 2015 (F.13.009.N): “Krachtens tabel A, rubriek XXXI, § 3, 1°, van de bijlage bij dit besluit worden het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed beoogd.
Uit deze passage die een omschrijving weergeeft over de toegelaten werken in onroerende staat, besluit het Hof in punt 2 van haar arrest:
“2. Hieruit volgt dat op een handeling die bestaat in de verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed het verminderd btw-tarief van 6 procent van tabel A, rubriek XXXI van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 van toepassing is, zonder dat wordt vereist dat het gaat om de verbouwing van een onroerend goed dat reeds de bestemming had van privé woning….Bijgevolg kan het verlaagd tarief van toepassing zijn op de omvorming van een woning met schuur in een privé woning op voorwaarde dat het gaat om een verbouwing en niet om een nieuwbouw”.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt
dd. 18.05.2017
(AR/2408/A)
IN ZAKE:
KPC VOF, …, …, met ondernemingsnummer …. - eiseres - Ter zitting vertegenwoordigd haar zaakvoerder de heer K. K., bijgestaan door mr. V. H., advocaat, met kantoor gevestigd te …,
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, SECTOR BTW, ADMINISTRATIE KMO, in de persoon van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 100. - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer B. J., attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt,
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op:
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09.09.2015;
- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 01.10.2015;
- de conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusies, nieuwe conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN:
Eiseres, de VOF K & P, heeft op 17.10.2011 een stedenbouwkundige vergunning bekomen voor het "verbouwen van een herenhuis tot een kantoor en een loft, het verbouwen van een stalling tot twee rolstoelvriendelijke woningen en een loft te …, …
Bij eiseres werd er een controle op de toepassing van de BTW-wetgeving uitgeoefend. De BTW verschuldigd naar aanleiding van de uitgevoerde werken werd berekend aan het tarief van 6%.
Op 14.07.2015 stelde mevr. E. R. adviseur-e.a. inspecteur bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van de fiscaliteit, Dienst BTW verbonden aan het BTW-controlekantoor Neerpelt een proces-verbaal van vaststellingen op waarin onder meer gesteld werd dat werd: Met betrekking tot de schuur (stalling):
- de uitgevoerde werken steunen niet op een relevante wijze op de oude dragende muren zijnde de wezenlijke structuur van het bestaande gebouw; de achtergevel, klein berghok, de zijgevels (behoudens façadesteen en de gemeenschappelijke inkom van loft 1 en 2), de binnenmuren en het dak werden volledige afgebroken;
- bleven slechts behouden: gedeeltelijk de oude fundering (op de plannen staat vermeld bestaande fundering te onder metselen), façadesteen van de buitenmuur (zijgevel gezien vanuit het wijerpad), gedeeltelijk façade van andere zijgevel (doet dienst als binnenmuur woning 1 en 2), gemeenschappelijke inkom + houten inkomdeur voor loft 1 en 2;
Voor het overige steunen alle onroerende werken met betrekking tot de oprichting en uitbreiding van woning 1 en woning 2 in belangrijke mate op de nieuwe fundering en in mindere mate op de reeds bestaande maar verstevigde oude fundering; loft 2 is volledig in nieuwe materialen opgericht(...) (zie stuk 1, bundel verweerder).
De administratie was van oordeel dat de uitgevoerde werkzaamheden aan de stalling (schuur) niet voldeden aan het begrip omvormings- en verbouwingswerken waardoor 6 % BTW verschuldigd is, maar wel aan het begrip nieuwbouw waarvoor 21% BTW verschuldigd is.
In het proces-verbaal werd gesteld dat eiseres een inbreuk hadden begaan op het KB nr.20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Voor de in het proces-verbaal vermelde handelingen (bouwwerken, dakwerken, afwerkingswerken,... ) werd het tarief van 6% toegepast, daar waar voor die handelingen op grond van art. 37, § 1 WBTW en art 1, eerste lid van het KB nr. 20 van 20.07.1970 de BTW moet geheven worden tegen het tarief van 21 %.
De volgende bedragen zijn derhalve verschuldigd door eiseres:
- … euro BTW;
- … euro geldboete in toepassing van art. 70, § 1 WBTW verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 31.01.1987 (tabel G, eerste afdeling, IV);
- intresten op grond van art. 91 § 4 WBTW indien een dwangbevel moet worden uitgevaardigd tot invordering van deze bedragen
(zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 07.10.2015 werd lastens eiseres een dwangbevel uitgevaardigd door de heer D. S., adviseur invordering -ontvanger van het Team invordering Hasselt I te Hasselt, dat geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 12.10.2015 door E. R., adviseur- e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur (zie stuk 3, bundel verweerder).
Bij aangetekende brief van 15.10.2015 werd het dwangbevel aan eiseres betekend (zie stuk 4, bundel verweerder). In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09.09.2015, stelde eiseres een vordering in rechte in.
ll. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde:
De betwisting tussen partijen beperkt zich tot de vraag of al dan niet terecht het tarief van 6% werd toegepast voor de verbouwing van de stalling (schuur).
Eiseres is van oordeel dat de administratie er ten onrechte vanuit gaat dat de werken in onroerende staat, uitgevoerd aan het pand gelegen te …, …, handelingen zijn die onderworpen zijn aan het tarief van 21%. Volgens eiseres handelt het hier om een renovatie/omvorming van een bestaande woning en is het tarief van 6% van toepassing.
Krachtens art. 59, § 1 WBTW rust de bewijslast van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen op de administratie.
Overeenkomstig art. 1 van het K.B nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals van toepassing op onderhavige betwisting, wordt de BTW geheven:
1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;
2° tegen het tarief van 12 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;
3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in dit wetboek.
Derhalve dient verweerder te bewijzen dat het toegepaste tarief van 6 % niet beantwoordt aan de toepassingsvoorwaarde van rubriek XXXI, § 1, 1° van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20.07.1970, zijnde:
"de handelingen moeten de omvorming, de renovatie, rehabilitatie, de verbetering, herstelling of onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben"
In de aanschrijving nr. 6 van 22.08.1986 wordt gesteld onder nummer 30:
"Onder omvorming wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken.
Evenzo wordt het bestaan van de verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw".
Onder nr. 31, 1° van de aanschrijving wordt gesteld dat als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw wordt aangemerkt: het herbouwen van een gebouw na afbraak zelfs in geval van behoud der fundering en kelders van het oude huis of van de bijkomende elementen van zijn structuur.
De vraag of het nu een nieuwbouw dan wel een renovatie betreft, is derhalve een feitenkwestie.
Uit de vaststellingen, alsook uit de overlegde foto's, blijkt dat de renovatiewerken steunen op de oude muren die weliswaar verstevigd werden en dat de dragende muren werden gerespecteerd. De uitbreiding van de schuur door er vertrekken bij te bouwen kadert binnen de renovatie en wordt trouwens in aanschrijving nr. 6 als een "omvorming" beschouwd.
Het feit dat het gebouw werd omgevormd tot meerdere wooneenheden is ter zake niet dienend. De administratie heeft trouwens voor de loft in het voorste gedeelte van het gebouw het BTW-tarief van 6% aanvaard, en dit betreft ook een onafhankelijke wooneenheid.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de werken steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en dat er derhalve kan er kan gesproken worden over een verbouwing.
De vordering van eiseres is derhalve gegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze
wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat de bedragen vermeld in het dwangbevel van een dwangbevel uitgevaardigd door de heer D. S., adviseur invordering -ontvanger van het Team invordering Hasselt I te Hasselt, dat geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 12.10.2015 door E. R., adviseur - e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur, geldboeten, intresten en kosten niet verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder tot teruggave van de bedragen die door eiseres ten onrechte zijn betaald of werden ingehouden op basis van dit dwangbevel, vermeerderd met de wettelijke intresten.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 18.05.2017, alwaar zetelden:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.