Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.03.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, Zesde Fiscale Kamer - Openbare terechtzitting van 18 maart 2013
Rolnummer 06/2605/A
In de zaak van :
BVBA F. I., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,
EISERES, voor wie optreedt mr. T. L., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTWOntvangkantoor Gent 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6/107, Zuiderpoort, blok B,
VERWEERDERS, hebbende als raad Mter C. D., advocaat te …, … en voor wie tevens optreedt mevrouw C. D. C., gewestelijk directeur a.i.,
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 18 februari 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift op tegenspraak van 7 augustus 2006, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt er achtereenvolgens toe :
- Haar verzet tegen het dwangbevel betekend op 4 augustus 2006 ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- Dienvolgens de stuiting te bevelen van de tenuitvoerlegging van hetzelfde dwangbevel overeenkomstig artikel 89, lid 2 W.BTW;
- Te oordelen dat alle beslagen onder derden en akten van inhoudingen die door de BTW-administratie werden gedaan sinds het proces-verbaal van 12 mei 2004 en alle eventuele toekomstige inhoudingen dienen te worden opgeheven. Dat de bedragen van … EUR (dwangbevel van 4 augustus 2006), … EUR (akte van inhouding van 30 maart 2009) en … EUR (akte van inhouding van 12 september 2011) bijgevolg dienen te worden terugbetaald;
- Dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen en eiseres te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde BTW, interesten, boeten en kosten;
- Verweerder te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen, vermeld in het dwangbevel waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd;
- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, begroot op het basistarief van … EUR, onder voorbehoud van indexatie.
3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL
Op 3 november 2003 en nogmaals op 29 april 2004 werd door de diensten van verweerder bij eiseres een fiscaal toezicht uitgeoefend inzake de toepassing van de BTW-reglementering over de periode van 1 januari 2000 - 31 december 2002.
Deze controle betrof de voortzetting van een onderzoek gevoerd door de Inspectie Gent van de Nationale en Internationale Opsporingen (hierna kortweg "NIOD"), opgestart in september 2002. Aanleiding betrof een verzoek om advies van de NV M. aan de BTW-administratie inzake de mogelijkheid tot terugbetaling van BTW aan de Griekse vennootschap A. N. E., eveneens bekend als A. N. E. (hierna kortweg "N.").
Het dossier werd vervolgens samengevat in een proces-verbaal van·12 mei 2004, dat per aangetekende zending van 26 mei 2004 aan eiseres werd overgemaakt.
Nadat eiseres had laten weten niet met de bevindingen van de administratie te kunnen instemmen, werd bijkomend onderzoek verricht waarbij onder meer een vraag om inlichtingen werd verzonden naar de Griekse en Italiaanse administratie.
Op 1 december 2004 ondertekende de afgevaardigd bestuurder van eiseres een afstand van de verlopen tijd van de verjaring.
Op 22 juni 2005 liet verweerder weten dat de resultaten van het bijkomend onderzoek het eerder bij proces-verbaal ingenomen standpunt bevestigden.
Bij navolgend schrijven van 24 juni 2005 werd geantwoord op de vraag van eiseres wat het onderzoek bij de Griekse administratie dan wel had opgeleverd.
Nadat eiseres hier bij monde van haar raadsman om verzocht had, werd haar op 1 augustus 2005 inzage van het dossier verleend.
Nog bij monde van haar raadsman, bij brief van 1 november 2005, verklaarde eiseres zich bereid een akkoordverklaring te ondertekenen, doch enkel wat punt 1 van het proces-verbaal betrof en dit zonder enige schuldbekentenis. Dit voorstel werd door verweerder geweigerd om reden dat een akkoordverklaring onder voorbehoud niet verjaringsstuitend werkt.
Op 28 juni 2006 werd vervolgens een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 3 juli 2006 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Op 4 augustus 2006 werd dit dwangbevel bij deurwaardersexploot aan eiseres betekend, die op haar beurt op 7 augustus 2006 een verzoekschrift ter griffie indiende, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.
4. BEOORDELING
4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
- Betreffende de vordering van eiseres
4.1.1. Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de vordering van eiseres alvast ontvankelijk worden bevonden.
- Betreffende de "vordering" van verweerder
4.1.2. Eiseres zet in conclusies uiteen dat het dwangbevel, dat de gevorderde belasting bevat, het voorwerp van de vordering is inzake BTW.
Volgens eiseres kan niet aanvaard worden dat verweerder hangende het geding zijn vordering wijzigt of uitbreidt.
In die zin zou verweerder niet gerechtigd zijn thans aan te voeren dat de CMRdocumenten vals zijn, nu in het geding inleidend verzoekschrift nog met zoveel woorden werd gesteld dat de echtheid van deze CMR-documenten niet werd betwist.
Deze nieuwe eis is onontvankelijk krachtens artikel 807 Ger. Wb., aldus eiseres.
Het kan in de visie van eiseres niet dat verweerder, die eerder besloten heeft de uit het buitenland verkregen bewijsmiddelen niet op te nemen in het procesverbaal, deze middelen alsnog in zijn conclusies verwerkt.
4.1.3. Wat verweerder betreft, is sprake van verwarring tussen de vordering op fiscaal vlak, zoals deze vervat is in het proces-verbaal en de vordering zoals bedoeld in artikel 807 Ger. Wb. Deze laatste vordering kan volgens verweerder enkel verwijzen naar de door eiseres zelf voor deze rechtbank aanhangig gemaakte vordering.
Voor de "vordering" zoals uitgedrukt in het proces-verbaal zou anderzijds wel de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassing zijn.
De rechtsgrond van de vordering kan na de kennisgeving of betekening van het dwangbevel inderdaad niet meer worden gewijzigd, aldus verweerder. Er zou evenwel geen beletsel zijn tegen het achteraf vervolledigen van de bewijsvoering, zolang men geen nieuwe rechtsgrond aanvoert. Niets zou zich er derhalve tegen verzetten dat de administratie nieuwe juridische en feitelijke gegevens aanvoert.
Op de bladzijden 16 tot en met 18 van zijn syntheseconclusie geeft verweerder een gedetailleerd overzicht weer van de juridische en feitelijke elementen die als grond van de vordering werden opgegeven.
Deze rechtsgrond zou nadien niet meer door de administratie zijn gewijzigd.
De achteraf van de Griekse en Italiaanse administraties verkregen antwoorden zouden hebben uitgewezen dat de CMR-documenten vals waren, wat de administratie deed besluiten om haar vordering te handhaven en op basis van het eerder opgestelde proces-verbaal een dwangbevel uit te vaardigen. Het bijkomend onderzoek zou er enkel toe geleid hebben de feitelijke achtergrond verder te achterhalen en te bewijzen, zonder aan de juridische grondslag van de vordering te raken.
4.1.4. Terecht stipt verweerder aan dat de vordering, bedoeld in het door eiseres aangehaalde artikel 807 Ger. Wb., verwijst naar de rechtsvordering zoals zij door een procespartij aan de beoordeling van de rechtbank wordt voorgelegd.
In voorliggende procedure werd de rechtbank enkel door eiseres zelf gevat met een dergelijke vordering. Verweerder nodigt de rechtbank op zijn beurt enkel uit deze vordering af te wijzen en de kosten ten laste van eiseres te leggen.
Bij gebrek aan een door verweerder ingestelde vordering in de zin van artikel 807 Ger. Wb. kan er evenmin sprake zijn van een ongeoorloofde uitbreiding van deze vordering.
Het debat in de context van artikel 807 Ger. Wb. moet in die zin nauwkeurig onderscheiden worden van de vraag of en zo ja, in welke mate, de administratie na de uitvaardiging van het dwangbevel nog nieuwe gegevens kan aanreiken.
Een dwangbevel inzake belasting op toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat de administratie de juridische grondslagen en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cf. Cass. (1e k) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat/Fidelity Electronics Int., Q.B.) FJF 2007, afl. 3, 202 en http:/www.monkey.be(1 september 2008)).
Als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt, dient het dwangbevel behalve het belastbaar feit tevens het bedrag en de identiteit van de schuldenaar weer te geven.
De belastingplichtige moet aldus in de mogelijkheid worden geplaatst te onderzoeken op welke gegevens het dwangbevel berust en op welke wijze de gevorderde bedragen werden berekend. Het geheel van deze gegevens moet de belastingplichtige aldus toelaten met kennis van zaken een gemotiveerd verzet aan te tekenen.
De vordering van de administratie krijgt definitief gestalte bij het opmaken van het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal (cf. Rb. Gent (6e k.) 24 oktober 2002, FJF 2003, afl. 4, 544 en http://www.monkey.be (1 september 2008) en http://tfrnet.larcier.be (12 mei 2003).
De juridische grondslag van de vordering kan na het betekenen van het dwangbevel niet meer worden gewijzigd. Met een in besluiten (neergelegd voor de rechtbank) bijkomend voorgelegde grondslag van het dwangbevel, kan dan ook in principe geen rekening worden gehouden (cf. Rb. Gent 3 oktober 2008 FJF 2009 (samenvatting), afl. 4, 417 en http://www.monkey.be (19 mei 2009); TFR 2010, afl. 373, 55 en http://tfrnet.larcier.be (26 januari 2010).
De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling belet evenwel dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert, op voorwaarde dat deze argumenten en gegevens enkel dienen ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (cf. Cass. (1e k.) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat/Fidelity Electronics Int., Q.B.) Arr.Cass. 2005, afl. 12, 2405, concl. THIJS, D.; FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008); http://www.cass.be (4 januari 2006), concl. THIJS, D.; Pas. 2005, afl. 12, 2396; TBP 2007 (weergave MEERSSCHAUT, F.), afl. 7, 430; TFR 2006, afl. 307, 712 en http://tfrnetlarcier.be (25 oktober 2006), concl. THIJS, D., noot KIEKENS. A.
De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke en juridische grondslag van het dwangbevel in dit geval ongewijzigd zijn gebleven en verweerder met haar toelichting enkel bijkomende argumenten heeft aangereikt die deze grondslagen verder ondersteunen. Samengevat heeft de administratie in het proces-verbaal, dat aan het dwangbevel ten grondslag ligt, gesteld dat, in de hypothese dat het CMR-verdrag van toepassing was, de voorgelegde CMR's niet voldoen aan de wettelijke voorschriften ter zake. Door hier later op grond van bijkomend onderzoek aan toe te voegen dat de CMR-documenten voorzien werden van valse stempels, reikt men enkel een bijkomend argument aan om de regelmatigheid van de CMR-documenten te betwisten. Anders gezegd, hiermee wordt de initieel ingenomen stelling dat de CMR-documenten niet regelmatig zijn enkel verder ondersteund.
Niets belet de rechtbank derhalve deze bijkomende gegevens in de onderstaande beoordeling, voor zover relevant, te ontmoeten.
4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak
- Voor wat betreft de vermeende hetze tegen de voormalig gedelegeerd bestuurder van eiseres
4.2.1. Eiseres beklaagt zich erover dat zij het slachtoffer is van een hetze van de fiscale administratie tegen haar voormalig gedelegeerd bestuurder, de heer T..
De oorsprong van het volledige onderzoek zou terug te vinden zijn in een klacht met burgerlijke partijstelling van de heer T. lastens de NV M. (en dus niet omgekeerd). In deze context wijst eiseres onder meer op de onwettige inhouding van het BTW-tegoed van het tweede kwartaal van 2006 voor een bedrag van … EUR. Dit is volgens eiseres het beste bewijs dat verweerder er niet voor terugschrikt om haar op onwettige wijze onder druk te zetten. Ten onrechte zou verweerder zich hier trachten te verschuilen achter een "vergissing".
4.2.2. Verweerder repliceert dat het onderzoek integendeel zijn wortels vindt in een vraag van de NV M. aan de centrale diensten, gevolgd door een onderzoek van NIOD en dit ruim voor de klacht met burgerlijke partijstelling.
Van enige hetze zou allerminst sprake zijn.
De onterechte toerekening van het belastingkrediet zou geenszins bedoeld zijn geweest om eiseres onder druk te zetten. Volgens verweerder wordt dit eenvoudig verklaard door een foute code, ingebracht in het invorderingsbestand. De insinuaties van eiseres zouden derhalve volkomen onterecht zijn.
Waar eiseres zich tot slot vragen stelt over het feit dat het administratief dossier enkel copies van de CMR-documenten bevat, terwijl zij beweert de originelen aan de administratie te hebben overhandigd, is verweerder formeel dat hij enkel over copies beschikt, zoals de raadsman van eiseres ten andere zelf kon vaststellen bij de inzage van het dossier.
4.2.3. Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiseres als belastingplichtige met deze grief hoopt te bereiken.
Het wordt alvast niet aangevoerd, laat staan bewezen, dat het bestaan van een zekere verbetenheid bij de administratie een grond oplevert tot vernietiging van het bestreden dwangbevel.
De rechtbank gaat ervan uit dat deze passage veeleer bedoeld is als feitelijke achtergrondschets. Dergelijke overwegingen, aan dewelke geen concrete vordering wordt gekoppeld, behoeven in principe niet door de rechtbank te worden beoordeeld, nu zij niet relevant zijn in de beslechting van het geschil.
Louter ten overvloede, om de partijen die hier klaarblijkelijk wel belang aan hechten ter wille te zijn, stelt de rechtbank in het dossier geen bewijzen te kunnen aantreffen van een doelbewust kwaadwillig handelen ten aanzien van eiseres, berustend op een wrok lastens diens afgevaardigd bestuurder.
Er zijn geen doorslaggevende aanwijzingen dat de administratie, bij de uitoefening van de taken die de wet haar toevertrouwt, de grenzen van de toelaatbaarheid en het goed fatsoen heeft overschreden. De administratie is blijkens haar conclusie in staat om voor de door eiseres aangereikte insinuaties een plausibele verklaring aan te reiken, die de zogenaamde ongeoorloofde houding meteen in een heel ander perspectief plaatst. Het is niet omdat de administratie met vertrouwen en overtuiging aan haar standpunt blijft vasthouden en daarbij alle middelen aanwendt die de wet haar biedt, dat zij van een blinde hardnekkigheid of hetze beschuldigd kan worden.
- Voor wat betreft het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 23 oktober 2006
4.2.4. Eiseres benadrukt dat de rechtbank in dit in kracht van gewijsde gegane vonnis heeft geoordeeld dat de goederen wel degelijk werden uitgevoerd naar Griekenland.
Op die basis werd eiseres naar eigen zeggen ontslagen van rechtsvervolging. De vaststelling dat de goederen werden uitgevoerd naar Griekenland maakt derhalve in haar visie een gegeven uit dat zeker en noodzakelijk door de strafrechter werd beslist. Deze vaststelling geniet volgens eiseres gezag van gewijsde erga omnes. Bijgevolg kunnen wat eiseres betreft enkel de artikelen 25bis-septies worden toegepast op de in het geding zijnde handelingen, waardoor de intra-communautaire levering aan de zijde van eiseres overeenkomstig artikel 39bis, 1° W. BTW dient te worden vrijgesteld.
4.2.5. Verweerder merkt op dat er slechts één tenlastelegging was (deze van een criminele organisatie) en eiseres wegens onvoldoende bewijs van rechtsvervolging werd ontslagen. Dit ontslag zou enkel berusten op het bestaan, van twijfel, welke in het voordeel van de beklaagde speelt. De rechtbank heeft dan ook, wat verweerder betreft, enkel aangenomen dat de goederen werden uitgevoerd naar Griekenland, zonder dat sprake zou kunnen zijn van een geleverd bewijs.
Verweerder wijst bovendien op de relativiteit van het gezag van gewijsde.
Wanneer de belastingplichtige voor een belastbare levering de vrijstelling van BTW inroept, rust op hem het bewijs dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn. In deze zou de twijfel met andere woorden niet in het voordeel van de belastingplichtige kunnen worden ingeroepen.
4.2.6. Het gezag van gewijsde dat aan strafrechtelijke uitspraken kleeft, houdt concreet in dat wat de strafrechter heeft beslist geacht wordt de waarheid te zijn en deze waarheid dus ook geldt ook ten aanzien van de burgerlijke rechter.
Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt evenwel alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot het al dan niet bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de redenen die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken, dit ongeacht de juridische omschrijving ervan (cf. Cass. (1e k.) AR C.06.0344.F, 16 oktober 2008 (Axa Belgium / G.M.) http://www.cass.be (28 oktober 2008); JLMB 2009, afl. 14, 641 en http://jlmbi.larcier.be (8 april 2009); NJW 2008, afl. 191, 836, noot JOCQUE , G.; Pas. 2008, afl. 10, 2233 en Cass. (1e k.) AR F.09.0067.N, 12 november 2010 (Gilson nv / Belgische Staat) http://www.cass.be (26 november 2010), concl. THIJS, D).
Uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Gent blijkt dat de vervolging lastens eiseres beperkt was tot de zesde tenlastelegging, met name de deelname aan een criminele organisatie.
Op de zesde bladzijde van dit vonnis gaat de rechtbank in op de in conclusie van het Openbaar Ministerie toegelichte misdaden en wanbedrijven die de heer R. T. (afgevaardigd bestuurder van eiseres) in overleg met de anderen, waaronder ook eiseres zelf, zou hebben gepleegd. Daartoe behoort onder meer fiscale fraude inzake BTW, door de rechtbank bondig samengevat als volgt :
"Hier gaat het over aankopen die T. R. verrichtte op naam van de Griekse firma EPE A. N.. In eerste instantie betwijfelt het Openbaar Ministerie dat de goederen effectief werden uitgevoerd. Indien wordt aangenomen dat de goederen in Griekenland toekwamen, dan moet aangenomen worden dat T. R., als verantwoordelijke van EPE A. N., wist dat het een vrijgestelde belastingplichtige betrof die geen voorbelasting kan aftrekken, zodat de facturen die in België werden opgesteld met vrijstelling van BTW gelet op de uitvoer, enkel bedoeld was om nergens BTW te betalen en dus vals waren" (stuk 6 eiseres).
Beide partijen zijn het erover eens dat de in bovenstaande passage besproken aankopen precies de goederen betreffen die het voorwerp uitmaken van het thans bestreden dwangbevel.
Verder overweegt de rechtbank betreffende deze BTW-inbreuken nog het volgende op de bladzijde 9 van het vonnis :
"Een algemeen probleem blijkt te zijn geweest dat goederen in België werden aangekocht, vrij van BTW omdat de goederen voor export naar Griekenland waren bestemd, terwijl niet voldaan werd aan de daartoe gestelde voorwaarde (bewijs van uitvoer) en de BTW ook niet in Griekenland werd betaald (st. 1189str). Zijn leveranciers kregen daardoor moeilijkheden (st. 592 strafdossier). T. stelt dat de toestand in Griekenland werd geregulariseerd”.
Bij de eigenlijke bespreking van de tenlastelegging oordeelde de rechtbank als volgt :
"Wat de BTW-valsheid betreft neemt de rechtbank aan dat de goederen wel degelijk werden uitgevoerd naar Griekenland, zoals blijkt uit stuk A van A. N. E.. De inbreuk op artikel 73bis BTW-Wetboek vereist het plegen van een valsheid in geschriften met het oogmerk om met bedrieglijk opzet de bepalingen van dat wetboek te overtreden. De firma A. N. E. stelt dat er betrouwd werd op het advies van de Griekse boekhouder. Op fiscaal vlak werd de toestand geregulariseerd. Over het bestaan van het vereiste dubbel moreel bestanddeel levert het onderzoek geen uitsluitsel. Er bestaat bijgevolg twijfel die de beklaagden ten goede komt' (stuk 6 eiseres - eigen markering van de rechtbank).
De strafrechter heeft aldus onmiskenbaar geoordeeld dat de goederen daadwerkelijk werden uitgevoerd naar Griekenland. Het bewijs van dit gegeven heeft de strafrechter gemeend te kunnen putten uit het stuk A van A. N. E., overeenstemmend met het huidig stuk nr. 5 van eiseres (beëdigde vertaling van het proces-verbaal van voorlopige controle van de Griekse BTW administratie van 22 oktober 2003).
Ten onrechte poogt verweerder verwarring te zaaien over de betekenis van deze passage door de nadruk te leggen op de woordkeuze van de rechtbank ("neemt aan"). De concrete verwijzing naar aangereikte overtuigingsstukken maakt duidelijk dat de rechtbank wel degelijk overtuigd was van de uitvoer als dusdanig naar Griekenland, en deze uitvoer met andere woorden bewezen heeft verklaard. Omtrent dit aspect van de tenlastelegging bestond aan de zijde van de strafrechter met andere woorden geen enkele twijfel. De rechtbank heeft enkel op het bestaan van twijfel in het voordeel van de beklaagden (waaronder eiseres) gewezen bij de bespreking van het moreel bestanddeel. Het is derhalve niet zo dat het "aannemen" van de uitvoer eveneens berust op dergelijke in het voordeel van de beklaagde te interpreteren twijfel.
Wél terecht is de opmerking van verweerder dat het gezag van gewijde in de verhouding tot derden, die geen partij waren bij het strafproces (in dit geval : de fiscus), slechts relatief is.
Aan de beoordeling van de feiten door de strafrechter kan derhalve in het navolgend burgerlijk geding alleen de waarde van een feitelijk vermoeden worden toegekend. De appreciatie van dergelijke feitelijke vermoedens wordt conform artikel 1353 B.W. overgelaten aan het oordeel en het beleid van de rechter, wat niet wegneemt dat in deze afweging aan het oordeel van de strafrechter terecht een belangrijk gewicht zal worden gehecht (cf. P. TAELMAN, "Gezag van gewijsde en rechtsmiddelen", in X, het Interdisciplinair geschil).
De rechtbank zal bij de onderstaande beoordeling dit vermoeden dan ook mee in overweging nemen.
- Voor wat het bewijs van de intra-communautaire levering betreft
4.2.7. Eiseres zet uiteen dat artikel 39bis W.BTW een dubbel bewijs vereist :
- de koper van de goederen is een belastingplichtige;
- de goederen werden buiten België verzonden.
Volgens eiseres wordt alvast niet betwist dat N. een BTW-plichtige is in Griekenland.
Geen enkele wettelijke bepaling zou evenwel voorschrijven welke stukken precies moeten worden aangereikt tot bewijs van de uitvoer.
In recente rechtspraak zou men derhalve terecht afstappen van de vroegere strikte toepassing van artikel 3 KB W.BTW nr. 52.
Thans zou de administratie ook zelf stellen dat geen enkel stuk op zichzelf voldoende of onmisbaar is, dus ook niet de CMR-documenten. Over de andere door eiseres aangereikte bewijsmiddelen zou de administratie angstvallig zwijgen.
Deze bewijzen worden door eiseres samengevat als volgt :
- Voorleggen van afgestempelde CMR-documenten;
- De bevestiging van de aanwezigheid van de goederen in Griekenland door de Griekse administratie;
- De intrastat-aangiften betreffende intracommunautaire leveringen, overgemaakt door de Griekse administratie;
- Het verwerken van de intracommunautaire verwervingen in de boekhouding van N.;
- De opname van de intracommunautaire verwervingen op de IC kwartaallistings van N.;
- De levering vanuit België door leveranciers die gehouden zijn tot het indienen van BTW-aangiften;
- De betaling die geschiedde door enerzijds boeking op de lopende rekening van de heer T. en anderzijds door betaling op een rubriekbankrekening die uitsluitend door N. werd gebruikt;
- Het feit dat de heer T. als vertegenwoordiger van N. het grootste deel van het jaar in Griekenland verblijft;
- Het betalen van BTW voor de intracommunautaire verwervingen aan de Griekse staat;
- De ter terechtzitting van 18 februari 2013 voorgelegde bewijzen van het doorverkopen van de geleverde goederen door de Griekse vennootschap.
Uit de feiten zou bovendien volgen dat het vervoer werd verricht door hetzij een volumewagen bestuurd door de schoonzoon van de heer T., dan wel een in Griekenland gehuurde vrachtwagen, gezien het gebrekkig professioneel vervoer in het Griekse binnenland. Het is volgens eiseres al te makkelijk dat de administratie het bovenstaande onder meer betwist door pas in conclusies voor het eerst aan te dringen op een bewijs van eigendom van een monovolume of nog, tankbeurten op het uitgestippelde traject.
In antwoord op het argument van verweerder dat het bewijs van levering zou ontbreken voor 1 factuur in 2000, drie facturen in 2001 en 7 facturen in 2003, stelt eiseres nog het volgende :
- Betreffende de factuur van 2000 : gezien de aard van de goederen zou men bezwaarlijk een vrachtvervoerder hebben kunnen eisen voor dergelijke levering. De goederen zouden vervoerd zijn door N. zelf, reden waarom geen vervoerder voorkomt op de vrachtbrief. De vertegenwoordiger van N. zou immers aanwezig zijn geweest op de datum waarop het document werd opgesteld en de goederen zelf hebben meegenomen. Eiseres verwijst ook naar het voorkomen van haar naam op de kwartaalaangifte van de BTW door N.. Deze personenwagen zou vervolgens ingescheept zijn op de lijn Brindisi-Corfu. Verder stelt eiseres nog dat alle goederen van aard zijn om door een vastgoedvennootschap zoals N. te worden aangewend;
- Dezelfde opmerkingen gelden wat eiseres betreft inzake de facturen voor 2001 en 2002.
Eiseres voegt daar nog aan toe dat uit de stukken onmiskenbaar blijkt dat de BTW door de mede-contractant werd voldaan, zodat de heffingen lastens haar behoren te worden vernietigd.
4.2.8. Verweerder is het ermee eens dat het bewijs van vervoer buiten België kan worden geleverd aan de hand van de gebruikelijke handelsdocumenten, zoals contracten, bestelbons. vervoersdocumenten en betaalbewijzen.
Nadat bij eiseres vele malen werd aangedrongen op een bewijs van vervoer, zou eiseres in een eerste fase enkel een kopie hebben voorgelegd van de betrokken verkoopfacturen met CMR, alsook een kopie van de rekening-courant met N..
Bij nazicht van de CMR-documenten zou verweerder gestuit zijn op heel wat onregelmatigheden, samengevat weergegeven op de bladzijde 22 tot en met 24 van de·syntheseconclusie voor verweerder.
Indien men beweert een vrachtwagen te hebben gehuurd voor het vervoer, zo stelt verweerder, dan moet men in staat zijn hiervan een bewijs voor te leggen. Ook het bewijs dat de schoonzoon van de heer T. eigenaar is van een monovolume-voertuig moet wat verweerder betreft makkelijk geleverd kunnen worden. Verder zou eiseres ook een bewijs moeten kunnen bijbrengen van de onvermijdelijke tankbeurten op dergelijk traject.
Nopens de bewering dat bepaalde goederen werden meegenomen door een vertegenwoordiger van N., stelt verweerder dat de feiten hebben uitgewezen dat geen geloofwaardigheid kan worden gehecht aan de authenticiteit en waarde van de handtekening in het laatste vak van de CMRdocumenten. Verweerder plaatst ook vraagtekens bij het onvermogen om te verduidelijken wie deze vertegenwoordiger dan wel was. Verweerder merkt daarbij op dat N. niet beschikt over personeel.
Verweerder pleit voor een strikte toepassing van artikel 3 van het KB nr. 52 en meent de rechtspraak op dit vlak aan haar zijde te hebben.
Het is volgens verweerder niet zonder reden dat ook de Belgische leveranciers M. en V. & B. problemen hadden met de werkwijze van eiseres.
Verweerder is het er verder niet mee eens dat de Griekse administratie de aanwezigheid van goederen in Griekenland zou hebben bevestigd. Het verslag van de Griekse administratie zou hierover daarentegen geen enkel uitsluitsel bieden. Deze administratie zou het in het algemeen hebben over intracommunautaire verwervingen, zonder daarbij te verwijzen naar specifiek aanwezige goederen.
In de mate dat nadien door de Griekse administratie rechtzettingen zijn gebeurd, was dit volgens verweerder uitsluitend omdat bij de aankopen in België telkens het Griekse BTW-nummer van N. was opgegeven. Deze naheffingen zouden derhalve enkel berusten op de zogenaamde veiligheidsbepaling uit artikel 28ter, A, lid 2 van de Zesde richtlijn.
Volgens verweerder wijst alles er op dat eiseres het Griekse BTW-nummer heeft misbruikt om in België aankopen te doen zonder BTW.
De conclusies van eiseres staan wat verweerder betreft bol van loutere beweringen die in geen enkel opzicht worden gestaafd :
- De intrastat-aangiften: volgens verweerder betreft het integendeel akten voor vaststelling van de BTW, bedoeld voor de naheffingen die gesteund zijn op de veiligheidsbepaling;
- Verwerking van de intracommunautaire verwervingen in de boekhouding van N. : het staat volgens verweerder vast dat N. in geen geval in de jaren 2000, 2001 en 2002 intracommunautaire verwervingen had aangegeven in periodieke BTW-aangiften, hetzij precies de reden voor een regularisatie door de Griekse administratie;
- De intracommunautaire verwervingen werden op de kwartaallistings van N. opgenomen : dit wordt niet aangetoond, aldus verweerder, en indien dit al waar was dan had de Griekse administratie de kennisgeving van NIOD niet nodig gehad om tot regularisatie over te gaan;
- De levering vanuit België door leveranciers die gehouden zijn tot het indienen van BTW-aangiften : dit argument is volgens verweerder onduidelijk;
- De betaling die geschiedde door enerzijds boeking op de lopende rekening van de heer T. en anderzijds door betaling op een rubriekbankrekening die uitsluitend door N. werd gebruikt : verweerder stelde vast dat de rekening-courant wat het jaar 2000 betreft aangezuiverd werd met een diverse boeking. Destijds zou gevraagd zijn om deze boeking voor te leggen, evenwel zonder dat eiseres toen aan deze vraag gevolg heeft verleend. De huidige stelling dat de betaling gebeurd is via de lopende rekening van de heer T. is wat verweerder betreft niet bewezen. Veronderstel dat de boeking inderdaad op diens lopende rekening terecht is gekomen, dan kan hier volgens verweerder enkel uit afgeleid worden dat het de privé-persoon van de heer T. is die als afnemer van de goederen beschouwd moet worden. Wat het jaar 2001 betreft, stelt de administratie vast dat de rekening-courant niet werd aangezuiverd. Ook wat het jaar 2002 betreft is verweerder van oordeel dat de gefactureerde bedragen ten laste van de heer T. zelf werden gelegd. Verder zouden de ambtenaren enkel vastgesteld hebben dat tijdens de volledige gecontroleerde periode op geen enkele rekening van eiseres enige verrichting is gebeurd waarbij de naam "N." voorkwam;
- Het feit dat de heer T. als vertegenwoordiger van N. het grootste deel van het jaar in Griekenland verblijft : het is verweerder naar eigen zeggen niet duidelijk wat eiseres hiermee wil aantonen.
In antwoord op de stelling dat de aangekochte goederen geheel in overeenstemming zijn met het gebruik van een huis in Griekenland, stelt verweerder nog dat tijdens de gecontroleerde jaren geen activiteit werd uitgeoefend door N.. De aard van de goederen leert volgens verweerder integendeel dat zij evenzeer dienstig kunnen zijn geweest voor de privébehoeften van de gedelegeerd bestuurder van eiseres en diens gezin.
Verweerder blijft er derhalve bij dat de toegepaste vrijstelling onterecht is.
4.2.9. Artikel 39bis W.BTW schrijft voor dat van de belasting zijn vrijgesteld: de levering van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2 W.BTW, door de afnemer of voor hun rekening vervoerd of verzonden buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of een niet belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire leveringen aan de belasting te onderwerpen, voor zover de leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4 W.BTW.
Het bewijs van deze intracommunautaire levering rust op de schouders van de leverancier (eiseres) en wordt geregeld door het KB nr. 52 van 29 december 1992.
Luidens artikel 1 en 2 van dit KB dient bewezen te worden dat de goederen verzonden of vervoerd werden buiten België maar binnen de gemeenschap en ten voordele van een belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.
Artikel 3 van het KB nr. 52 schrijft voor dat de verkoper ten allen tijde in het bezit moet zijn van stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt. Deze stukken betreffen onder meer de contracten, bestelbons, vervoersdocumenten en betalingsstukken.
Artikel 3 van het KB nr. 52 vermeldt deze documenten derhalve slechts als voorbeeld en sluit op zich niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer aantoont aan de hand van andere, evenwel voldoende bewijskrachtige documenten (cf. Cass. AR F.10.0063.N, 20 oktober 2011 (Loenhoutse Export Company BVBA/ Belgische staat) http://www.cass.be (4 november 2011 ).
De verkoper dient hierbij evenwel uiterst zorgvuldig te werk te gaan. Nu de vrijstelling een uitzondering op de principiële belastbaarheid uitmaakt, dienen zowel de administratie als deze rechtbank de aangereikte stukken met een voldoende kritische ingesteldheid te benaderen, echter zonder de eisen van de redelijkheid uit het oog te verliezen. In die zin mag van de belastingplichtige enkel de voorlegging van stukken en documenten worden gevraagd waarvan kan worden aangenomen dat hij ze bezit of kon bijhouden.
Eiseres wijst achtereenvolgens op :
- De balans van N. voor het boekjaar 2003 (stuk 2 eiseres);
- De betalingsbewijzen van de Griekse BTW-schulden door de Griekse BTW-plichtige (stuk 3 eiseres);
- De identificatiegegevens van N. (stuk 4 eiseres);
- De beëdigde vertaling van het proces-verbaal van voorlopige controle door de Griekse BTW-overheden van 22 oktober 2003 (stuk 5 eiseres);
- Het hierboven besproken vonnis van de correctionele rechtbank van 23 oktober 2006 (stuk 6 eiseres);
- De bijlagen gehecht aan het aangetekend schrijven van de heer T. aan de administratie van 6 juni 2004 (stuk 7 eiseres);
- De afgestempelde CMR-documenten (stuk 8 eiseres);
- De verkoopfactuur van N. van 23 januari 2013 (stuk 11 eiseres - neergelegd ter terechtzitting).
De rechtbank leest in het proces-verbaal van voorlopige controle door de Griekse fiscale administratie dat uit de controle ter plaatse van het onroerende goed van N. en het verwerken en controleren van de overgelegde gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen de volgende zaken zijn gebleken :
- De onderneming stelt geen belastbare handelingen en heeft geen fiscale gegevens laten viseren, noch uitgegeven;
- Het uitzicht van het onroerend goed van de onderneming, de inrichting van de ruimtes, de uitrusting, de plaatsing van de meubels en de gehele binnen- en buiteninrichting scheppen de overtuiging dat het gaat om een woning van permanente bewoners:
- De intracommunautaire verwervingen van de onderneming hebben in hun geheel betrekking op aankopen betreffende het bemeubelen en inrichten van het onroerend goed, alsook aankopen voor de verfraaiing van de buitenruimtes, de werking van het zwembad, onderdelen voor de boot, werktuigen, voedingswaren en ander materiaal voor onmiddellijke consumptie (stuk 5 eiseres).
De Griekse administratie heeft hiermee weliswaar in algemene zin geantwoord op de vragen die haar door de Belgische collega's werden gesteld, doch waar verweerder de algemene teneur van dit antwoord aangrijpt om te besluiten tot een onduidelijkheid, oordeelt de rechtbank dat het antwoord integendeel op het vlak van duidelijkheid niets te wensen overlaat. De Griekse administratie bevestigt eenvoudig dat de goederen in hun geheel, - waarmee men dus alle relevante goederen bedoelt. niets uitgezonderd - een bestemming hebben gekregen binnen het onroerend goed, eigendom van N., en de behoeften van de permanente bewoners van dit pand. Er was in die zin geen noodzaak om naar specifieke goederen afzonderlijk te gaan verwijzen. De reële situatie ter plaatse, zoals zij de visu door de ambtenaren werd vastgesteld, alsook het onderzoek van de overhandigde gegevens, hebben de betrokken ambtenaren tot dit besluit gebracht, zodat de rechtbank geen reden ziet om hier aan te twijfelen.
Dit is na lezing van het stuk in kwestie ook de terechte conclusie geweest van de correctionele rechtbank te Gent, in het door eiseres als stuk 6 voorgelegde vonnis.
De verkoopfactuur voor een deel van deze goederen, uitgereikt door N. op 23 januari 2013, de interne verwerking van de intracommunautaire levering in de boekhouding van N. en de betaling van de BTW over intracommunautaire leveringen aan de Griekse staat, zetten de stelling van eiseres enkel verder kracht bij.
Het feit op zich dat N. aanvankelijk had nagelaten periodieke BTWaangiftes aan te geven in Griekenland, is zonder belang wat de levering in Griekenland op zich betreft. Deze vaststelling toont immers enkel aan dat N. in overtreding met de BTW-reglementering had gehandeld. Deze administratieve onregelmatigheid moet onderscheiden worden van het materiële feit van de uitvoer op zich. Het is derhalve niet omdat N. initieel aan de plicht tot het voldoen van BTW had verzuimd, dat men mag besluiten dat de goederen zelf nooit op het Griekse grondgebied zijn terechtgekomen.
De interne boeking binnen N. zelf, het onderzoek van de lokale autoriteiten ter plaatse en de latere doorverkoop van de goederen door N. tonen immers aan dat de goederen wel degelijk voor deze Griekse vennootschap bestemd waren.
Ook het gebrek aan handelsactiviteit van deze onderneming binnen de geviseerde periode kan de administratie niet baten nu de goederen kennelijk uitsluitend bestemd waren voor het onroerend patrimonium van de vennootschap en de daarin gehuisveste bewoners.
De fiscale toestand binnen N. werd later overigens naar behoren geregulariseerd, waarbij de BTW integraal werd voldaan zoals blijkt uit de als stuk nr. 3 door eiseres aangereikte documenten. Met deze regularisatie werd de toestand op fiscaal vlak in overeenstemming gebracht met de realiteit.
De eventuele onregelmatigheden waardoor de aangereikte CMR-documenten zouden zijn aangetast, kunnen wat deze rechtbank betreft niet volstaan om de bovenstaande stukken onderuit te halen als positief en bewijskrachtig geheel van intracommunautaire levering in Griekenland.
Zodra een overtuigend bewijs wordt aangereikt dat de goederen wel degelijk werden geleverd in Griekenland, is het niet langer relevant te gaan napluizen hoe zij daar precies zijn terechtgekomen. De bedenkingen die de administratie uit bij de wijze van vervoer, inclusief alle daaraan gekoppelde vraagtekens over de regelmatigheid van de voorgelegde CMR-documenten, doen in deze context niet langer ter zake.
Nu voorts tussen de partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de onderneming N. een BTW-plichtige is in Griekenland, dient de bestreden heffing te worden vernietigd, gezien het bewijs dat aan de voorwaarden van artikel 39bis W.BTW werd voldaan.
De vordering moet derhalve wat dit onderdeel betreft worden ingewilligd.
- Voor wat de omzetverhoging door nevenberekeningen betreft
4.2.10. Uit de conclusies voor partijen blijkt dat de geviseerde meeromzet berust op de stelling van de administratie dat de aan N. gefactureerde verkopen in werkelijkheid voor eiseres zelf bestemd waren.
Terecht uit eiseres hierbij de bedenking dat, in de mate dat het bestaan van intracommunautaire leveringen wordt aanvaard, de afwezigheid van enige meeromzet uit deze verkopen wordt aangetoond.
Gezien het in bovenstaande motieven aanvaarde bewijs dat de goederen het voorwerp uitmaken van intra-communautaire leveringen aan N., zijn de door eiseres tegen dit onderdeel van de fiscale vordering aangevoerd grieven eveneens gegrond.
Nu de overige door eiseres ingeroepen middelen niet tot een ruimer voordeel kunnen leiden, behoeven deze niet nader te worden onderzocht.
- Voor wat betreft de kosten van het geding
4.2.11. Verweerder dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot de kosten aan de zijde van eiseres (art. 1017 eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden sommen aan uit het dwangbevel, in de schijf van 40.000,01 EUR tot 60.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg … EUR (geïndexeerd).
Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Beveelt dienvolgens de vernietiging van het bestreden dwangbevel RCIV nr. …, uitgevaardigd op 28 juni 2006 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 juli 2006 voor een te betalen bedrag van … EUR aan BTW, meer … EUR aan fiscale geldboete, meer de interesten en vervolgingskosten.
Veroordeelt verweerder dienvolgens tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen, zoals vermeld in het bij huidig vonnis vernietigde dwangbevel.
Veroordeelt verweerder tevens tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van eiseres : de rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op achttien maart tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren :
- mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,
- mevrouw G. L., griffier.
G. L. A. D. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.