Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 8 april 2005

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brussel-2005-04-08-7043

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
8 april 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

91 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 08.04.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 03/8048/A

- Fiscaal geschil – BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De NV D., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mter. N. V., advocaat te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op vervolging van benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32.

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mter. S. F., advocaat te …, ….


Na beraad op 7 maart 2005 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit:


I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van gerechtsdeurwaarder J. V. d. B. te …, betekend op 13 juni 2003, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 oktober 2003, op 29 oktober 2004 en op 24 februari 2005;

- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 3 september 2004.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zittingen van 7 februari en 7 maart 2005, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II FEITEN EN RETROACTEN

De NV D., huidige eiseres, is sedert 1 augustus 1976 als BTW­belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van groothandelaar in elektrische huishoudelijke apparaten en audio- en videoapparatuur, en als dusdanig onderworpen aan het W.BTW en de in het kader daarvan genomen uitvoeringsbesluiten.

Op 26 maart 2002 werd bij de NV D. een BTW-controle aangevat voor de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999.

De naar het oordeel van de Belgische Staat, huidig verweerder, vastgestelde overtredingen, vierden opgenomen in een proces-verbaal van 4 december 2002,

waaruit bleek dat de NV D. de volgende sommen verschuldigd was :

- als BTW : 194.529,03 euro

- als verminderde boeten : 38.550,00 euro

- als interest, moratoire interest en kosten : p.m.

Op 11 december 2002 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 17 december 2002 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 18 december 2002 werd dit dwangbevel per aangetekende brief betekend aan de NV D..

Op 5 juni 2003 werd dit dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan de NV D..

Op 13 juni 2003 ging de NV D. over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In haar op 3 september 2004 ter griffie neergelegde besluiten vraagt eiseres haar vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren; dienvolgens :

- nietig en zonder effect te verklaren in de mate zoals hierna weergegeven, het dwangbevel, uitgevaardigd door de heer L. R., eerstaanwezend inspecteur ad interim van het ontvangkantoor van de BTW te Halle, op 11 december 2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 december 2002 door de heer F. W., eerstaanwezend inspecteur te Brussel-Omtrek, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen en haar bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht op 18 december 2002, krachtens hetwelk zij de volgende sommen moet betalen :

- de BTW : 194.529,03 euro;

- geldboeten (art. 70, § 1 W.BTW) : 36.300,00 euro;

- geldboeten (art. 70, § 4 W.BTW) : 2.550,00euro;

- de interest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2000;

- verweerder te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het betwiste dwangbevel lastens haar;

- verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde sommen;

- het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Verweerder vraagt het verzet tegen dwangbevel ontvankelijk, maar slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren.

B. BEOORDELING

1) Wat de beweerde verjaring en de inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van levering, intracommunautaire verwerving en invoer van personenwagens en van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen betreft

Ter zitting van 7 februari 2005 verklaarde eiseres afstand te doen van deze twee eerste middelen, zoals opgenomen in haar akte van verzet tegen dwangbevel.

Derhalve dient de rechtbank deze middelen niet verder te onderzoeken.

2) Wat de beweerde inbreuken op de verplichting de echtheid te bewijzen van de intracommunautaire levering van goederen, waarvan de levering op grond van art. 39 bis, lid 1, 1° W.BTW met vrijstelling van de BTW werd gefactureerd betreft

2.1. Eiseres stelt dat, met betrekking tot de facturen met nummers …, … en …, allen gericht aan de BV H. H., het bewijs van de echtheid van de intracommunautaire levering werd geleverd. Dit blijkt naar haar oordeel uit de verklaring van de heer H. zelf en uit de verklaring van het Belastingadvies- en accountantskantoor O. & v. d. V..

2.2. Met reden merkt verweerder op dat de bewijslast om aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling vervuld zijn bij diegene ligt die ze inroept.

In zijn tweede aanvullende besluiten aanvaardt verweerder de echtheid van de intracommunautaire leveringen wat de facturen nummers … en … betreft.

Voor factuur nr. … van 16 april 1998 wordt het bankuittreksel nr. 614 van 19 mei 1998 voorgelegd, waaruit de buitenlandse betaling blijkt.

Voor factuur nr. … van 18 mei 1998 wordt het CMR-document met nr. … voorgelegd dat het vervoer van de goederen naar de andere Lidstaat aantoont.

De rechtbank: sluit zich ter zake bij verweerder aan, en meent dat eiseres, wat deze twee facturen betreft, de echtheid van de intracommunautaire leveringen aantoont.

Wat factuur nr. … van 7 mei 1998 betreft, merkt verweerder terecht op dat de voorgelegde bankuittreksels nr. 1062 van 11 september 1998 en nr. 696 van 9 juni 1998 niet naar deze factuur verwijzen en dat de betaalde sommen niet overeenstemmen met het gefactureerde bedrag. Terecht stelt verweerder dat, indien de betaling van de factuur nr. … effectief vanuit Nederland werd verricht, eiseres dit onbetwistbaar moet kunnen aantonen, maar in gebreke blijft dit te doen.

Derhalve kan, op grond van hetgeen voorafgaat, en met het uitdrukkelijk akkoord van verweerder, de vordering opgenomen onder punt 4 van het proces-verbaal van 4 december 2002 worden verminderd met 6.377,41 euro (257.264 BEF) + 2.060,00 euro (83.100 BEF) = 8.437,40 euro (340.364 BEF) aan rechten.

3) Wat de beweerde inbreuk op de bepalingen in verband met het opnemen in de periodieke aangiften van de verschuldigde en aftrekbare BTW ter zake van handelingen·waarvoor de BTW verschuldigd is door de ontvanger van de dienst in toepassing van art. 51, § 2 W.BTW. betreft

3.1. Eiseres stelt dat verweerder een bedrag van 159.581,94 euro aan BTW vordert op de door haar betaalde commissies aan het moederhuis in Frankrijk. Op deze commissies diende BTW te worden aangerekend. Eiseres stelt dat de BTW op grond van de verleggingsregeling door haar zelf diende te worden voldaan.

Zij diende dus in haar aangifte het bedrag aan BTW op te nemen, maar kon deze BTW dan ook in dezelfde aangifte aftrekken.

Eiseres wijst erop dat de controleagent in een eerste proces-verbaal van 28 februari 2002 stelde dat in de mate waarin de BTW aftrekbaar is, er compensatie wordt toegestaan, en meer bepaald dat ten belope van dat bedrag de verschuldigde BTW niet hoefde te worden betaald.

Het aldus gevorderde bedrag was bijgevolg gelijk aan nul.

In het proces-verbaal van 4 december 2002 wordt dit bedrag evenwel plots gevorderd, hoewel de rechten van de Schatkist op geen ogenblik in het gevaar zijn geweest. Daardoor schendt verweerder, naar het oordeel van eiseres, het evenredigheidsbeginsel.

Eiseres verwijst naar het arrest Bockemühl van het Europees Hof van Justitie van 1 april 2004 (zaak C-90/02, Fisc. Koer, 2004, 511; P.B. C 30 april 2004, nr. 106, p. 7) waarin werd gesteld dat een belastingplichtige die, in het kader van een verleggingregeling, als ontvanger van dienstverrichtingen tot voldoening van de BTW daarover gehouden is, niet in het bezit behoeft te zijn van een in overeenstemming met art. 22, lid 3 van de Zesde Richtlijn opgestelde factuur om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

Derhalve meent eiseres dat ingevolge deze rechtspraak duidelijk blijkt dat verweerder ten onrechte de betaling vordert van het bedrag van 159.581,94 euro ten titel van BTW, nu dat bedrag tegelijk aftrekbaar was in haren hoofde.

3.1. Met reden doet verweerder gelden dat behalve het bezit van een factuur, krachtens art. 3, § 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969 voor de uitoefening van het recht op aftrek vereist is dat de belasting is voldaan. De voldoening van de belasting gebeurt door opname ervan in rooster 56 van de door eiseres in uitvoering van art. 53, lid 1, 3° W.BTW periodiek in te dienen aangifte, wat zij niet deed.

Nu eiseres enerzijds haar recht op aftrek pas kan doen gelden wanneer zij voldaan heeft aan de wettelijke voorwaarden om dat recht uit te oefenen, en zij anderzijds door de toepassing van art. 51, § 2 W.BTW de verplichting heeft de door haar verschuldigde BTW te betalen, kan er in casu geen sprake zijn van het evenredigheidsbeginsel, zoals verweerder terecht voorhoudt.

4) Wat de boeten betreft

4.1. Eiseres vraagt op grond van hetgeen hierboven werd aangegeven de boeten te verminderen.

4.2. Op grond van hetgeen voorafgaat, en met het uitdrukkelijk akkoord van verweerder, kan de vordering opgenomen onder punt 4 van het proces-verbaal van 4 december 2000 worden verminderd met 840,00 euro als verminderde boete.

5) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het te vellen vonnis betreft, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het

gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak;

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de NV D. ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt dat de vordering van de Belgische Staat opgenomen onder punt 4 van het proces-verbaal van 4 december 2002 wordt verminderd met 6.377,41 euro (257.264 BEF) + 2.060,00 euro (83.100 BEF) = 8.437,40 euro (340.364 BEF) aan rechten en met 840,00 euro als verminderde boete.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen. Deze kosten worden begroot ten aanzien van de NV D. op 349,53 euro, en ten aanzien van de Belgische Staat op 349,53 euro.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 8 april 2005.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mijnheer J. V., alleenrechtsprekend rechter

Mevrouw V. V. D. S., beambte bij de griffie van deze zetel door de hoofdgriffier tijdelijk opdracht gegeven het ambt van griffier uit te oefenen overeenkomstig artikel 328, § 6 van het gerechtelijk Wetboek.

V. V. D. S. J. V.

Aangehaalde teksten

3

Vergelijkbare beslissingen

8
Recht op aftrek, Materiële voorwaarde2 gemeenschappelijke bepalingen
Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude2 gemeenschappelijke bepalingen
Recht op aftrek2 gemeenschappelijke bepalingen
Recht op aftrek2 gemeenschappelijke bepalingen
Boete 200%, Vennootschapsbelasting2 gemeenschappelijke bepalingen
Hof van beroep te Gent, 23 februari 20002 gemeenschappelijke bepalingen