Vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 31 mei 2005

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-handeling-strafbepaling-hof-van-beroep-gent-2005-05-31-1edb

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
31 mei 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 31.05.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 31-05-2005

BELASTINGEN

(verzet dwangbevel BTW)

Nr. 2000/AR/1038

in de zaak van :

D. N. A., handelaarster, wonende te …, …, ingeschreven m het handelsregister te …, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. B. W., advocaat te …, …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor gevestigd is te 9300 AALST, Graanmarkt 1,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. K. D. loco mr. V. A. E., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 12.6.1996 tekende de appellante verzet aan tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door G. V., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, op 18.1.1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. R., gedelegeerd adjunct-directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, op 21.2.1996.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een bedrag van … BEF (… EUR) als geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW­wetboek, hetzij samen … BEF (… EUR), de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.7.1994 op de BTW, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Bij vonnis van 30.3.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 15.5.2000 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis, de vernietiging van het dwangbevel, minstens de herleiding van de geldboete, terugbetaling van alle rechten, boetes, verhogingen en intresten, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf datum van betaling.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2. De door de geïntimeerde gevorderde BTW is deze die volgens haar ten onrechte door de appellante als vrijgesteld werd beschouwd in toepassing van artikel 39bis, eerste lid, § 1° BTW-wetboek, op de verkoop van voertuigen, waarvoor verkoopfacturen werden opgemaakt in een periode gaande van 22.06.1993 tot 21.04.1994 (zie het proces-verbaal d.d. 18.9.1995, stuk 2 van de geïntimeerde).

De appellante stelt dat zij 14 voertuigen verkocht aan de vennootschap naar Spaans recht International Business Center te Benissa/Alicante in Spanje, en dat zij in toepassing van artikel 39bis, eerste lid, § 1° BTW-wetboek geen BTW diende aan te rekenen omdat het om een intracommunautaire verkoop aan een Spaanse vennootschap ging.

De appellante, die zich beroept op de vrijstelling van de BTW voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, 1° BTW-wetboek, dient te bewijzen dat de voorwaarden voor deze vrijstelling vervuld zijn. Artikel 39 bis, eerste lid, § 1 BTW-wetboek vereist onder meer voor de vrijstelling dat het zou gaan om "leveringen van goederen door de verkoper, ... , door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige... , die als zodanig optreden in een andere Lid­Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen."

Krachtens artikel 1 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) zijn de in artikel 39bis van het BTW-wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Krachtens artikel 2 van zelfde KB nr. 52 is de in artikel 39bis, eerste lid, § 1° BTW-wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

Krachtens artikel 3 van zelfde KB nr. 52 moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, en moet hij ze op ieder verzoek van de met controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Zelfde artikel bepaalt dat die stukken onder meer zijn de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

De appellante bewijst niet de verzending of het vervoer van de voertuigen buiten België. In zijn verklaring in het proces-verbaal van 3.6.1994 gaf de Heer B., echtgenoot van de appellante, dit trouwens zelf toe : "Aangezien ik niet in het bezit ben van enig bewijs dat de uitvoer zou kunnen staven." Ook tijdens de huidige procedure wordt geen enkel bewijs van uitvoer geleverd. Dat het bewijs van de uitvoer moeilijker wordt indien de goederen onmiddellijk worden meegenomen door diegene die beweerde voor de Spaanse koper aan te kopen, is vanzelfsprekend. Rechtstreeks contact met de Spaanse koper om bevestiging van deze laatste te bekomen, eis dat een attest wordt bezorgd van de aankomst van het voertuig in Spanje, e.d. meer kunnen ertoe leiden dat de uitvoer door vermoedens bewezen wordt. Door geen identiteit na te zien van de personen die ter plaatse bij de appellante kwamen kopen en niet na te zien of deze personen wel in opdracht van de beweerde Spaanse koper handelden, heeft de appellante echter zichzelf alle bewijsmogelijkheden ontnomen

De appellante levert ook niet het bewijs van de levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat. Zij heeft enkel nazicht gedaan naar de identiteit en BTW-nummer van de koper voor wie de personen die zich bij haar aanboden beweerden aan te kopen. Of deze personen gemachtigd waren namens de beweerde Spaanse afnemer te kopen (wat de appellante kon weten door met de Spaanse koper contact te nemen) en zelfs omtrent de volledige identiteit van de bewuste personen die de aankopen kwamen doen, heeft de appellante geen nazicht verricht.

In deze omstandigheden is de appellante niet gerechtigd voor de in betwisting zijnde facturen op de vrijstelling voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, § 1° BTW­wetboek, en wordt de BTW terecht door de geïntimeerde gevorderd.

3. Het is evenwel niet aangetoond dat de appellante handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Weliswaar is de appellante bijzonder onvoorzichtig geweest door te verkopen met vrijstelling van BTW aan personen die zij maar vaag kende, zonder hun precieze identiteit na te gaan (wat hen naspeurbaar zou gemaakt hebben) of hun beweringen volgens welke zij namens een Spaanse afnemer kochten na te gaan. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de appellante handelde met het oogmerk belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken. Hiertoe zijn onvoldoende gegevens voorhanden.

De aankopers stelden zich voor als vertegenwoordigers van de NV C. L. M., later de NV C. W. I., aan wie de appellante reeds heel wat wagens had verkocht. Eén van hen, zekere S., kende de echtgenoot van de appellante reeds sedert een tiental jaren. Hij kende ook diens levensgezellin die werkte bij de Generale Bank, terwijl de appellante ook voertuigen verkocht voor Eurolease, maatschappij van de Generale Bank (zie omtrent dit alles de verklaring van B. in het proces-verbaal van 18.9.1995, stuk 2 van de geïntimeerde).

Het is verder de echtgenoot van de appellante die de geïntimeerde liet verwittigen dat hij fraude vermoedde, omdat de Spaanse afnemer na ontvangst van een factuur die opgestuurd was in plaats van meegegeven met de aankopers, liet weten dat hij geen weet had van verkopen aan hem (zie de verklaring van B. in het proces-verbaal van 3.6.1994, stuk 1 van de geïntimeerde). De zaak kwam derhalve op gang doordat de Heer B. zelf de diensten van de geïntimeerde door zijn accountant liet verwittigen (zie zelfde stuk).

De door de geïntimeerde voorgehouden tegenstrijdigheden in de verklaringen van de Heer B./de appellante zijn niet doorslaggevend in andere zin. De tegenstrijdigheid in de verklaringen van de Heer B. omtrent de reden van het niet meegeven van de factuur aan de aankopers kan gelegen zijn in zijn streven om zich als zo onschuldig mogelijk voor te stellen bij het neerleggen van klacht bij de onderzoeksrechter (klacht die op zich, indien hij bij de zaak betrokken was, ook een onverstandige zet lijkt). Verder is de bewering in het verzoekschrift hoger beroep dat de appellante contracten en bestellingen van IBC zou kunnen voorleggen manifest onjuist, gezien zij niet worden voorgelegd.

Gezien het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken niet bewezen wordt, dient toepassing te worden gemaakt van artikel 1 van het KB nr. 41 van 30.1.1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), meer bepaald van Tabel A, Afdeling I, cijfer II, meer dan … F, en dient de administratieve geldboete te worden herleid tot 10 %, hetzij … BEF (… EUR).

Dergelijke boete is ten volle gerechtvaardigd, onafhankelijk van het al dan niet bestaan van de goede trouw van de appellante, en een gepaste sanctie van het volstrekt gebrek aan nauwgezetheid en voorzichtigheid van de appellante bij het toepassen van de vrijstelling voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, § 1° BTW­wetboek. Deze boete is dan ook niet onevenredig met de begane inbreuk en mag in redelijkheid worden opgelegd.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gedeeltelijk gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart.

Verklaart deels gegrond het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door G. V., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, op 18.1.1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. R., gedelegeerd adjunct-directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, op 21.2.1996.

Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het voor de geldboete een hoger bedrag vaststelt dan … BEF (… EUR).

Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel geïnde meer de wettelijke verwijlintresten.

Veroordeelt de appellante tot 1/3 en de geïntimeerde tot 2/3 van de kosten van beide aanleggen.

Begroot deze kosten in hun geheel als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op EENENDERTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 39bis3 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
KB nr. 52 art. 11 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8