Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 26.09.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, eerste kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 12/95/A Rep. Nr. 2013/18942
1. De heer M. B., wonende te …, …,
2. Mevrouw J. B., wonende te … (…), …,
3. De heer M. B., wonende te …, …,
4. De heer T. D. B., wonende te …, …,
5. De heer D. D., wonende te …, …,
6. De heer K. D., voorheen wonende te …, …, en thans te …, …,
7. De heer D. D., wonende te …, …,
8. De heer T. D., wonende te …, …,
9. De heer B. E., wonende te …, …,
10. De heer R. G., wonende te …, …,
11. De heer N. H., wonende te … (…), …,
12. De heer T. H., voorheen wonende te …, …, en thans te …, …,
13. De heer D. I., wonende te …, …,
14. De heer S. I., voorheen wonende te …, …, en thans te …, …;
15. De heer S. P., wonende te …, …,
16. De heer W. R., wonende te …, …,
17. De heer B. S., wonende te …, …,
18. De heer J. T., bediende, wonende te …, …,
19. De heer B. T., wonende te …, …,
20. De heer B. V. H., wonende te …, …,
21. De heer F. V. H., wonende te …, …,
22. De heer M. V. I., wonende te …, …,
23. De heer M. V. M., wonende te …, …,
24. De heer T. V., wonende te …, …,
25. Mevrouw B. V., wonende te …, …,
26. De heer B. V., wonende te …, …,
allen woonstkeuze doende ten kantore van hun raadsman meester N. L., hierna vernoemd,
eisers,
hebbende als raadsman meester N. L., advocaat, met kantoor te …, …,
tegen :
De NV O. A. C., met vennootschapszetel gevestigd te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer BE …,
verweerster,
hebbende als raadsman meester M. M., advocaat, met kantoor te … (…), …,
en inzake :
De heer R. H., bediende, wonende te …, …,
woonstkeuze doende ten kantore van zij,, raadsman meesters N. L., hierna vernoemd,
vrijwillig tussenkomende partij,
hebbende als raadsman meester N. L., advocaat, met kantoor te …, …,
en inzake :
De NV O. A. C., met zetel gevestigd te …, …, met KBO nummer …,
eiseres in tussenkomst en vrijwaring,
hebbende als raadsman meester M. M., advocaat, met kantoor te … (…), …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
verweerder in tussenkomst en vrijwaring,
hebbende als raadsman meester L. D. S., advocaat, met kantoor te …, … (ref. : BTW …),
En in de zaak 12/1053/A
De heer J. M., wonende te …, …,
eiser,
hebbende als raadsman meester T. V., advocaat, met kantoor te …, …,
tegen :
De NV O. A. C., met vennootschapszetel gevestigd te …, …, RPR Brugge BTW BE …,
verweerster,
hebbende als raadsman meester M. M., advocaat, met kantoor te … (…), …,
en inzake :
De NV O. A. C., met zetel gevestigd te …, …, met KBO nummer …,
eiseres in tussenkomst en vrijwaring,
hebbende als raadsman meester M. M., advocaat, met kantoor te … (…), …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
verweerder in tussenkomst en vrijwaring,
hebbende als raadsman meester L. D. S., advocaat, met kantoor te …, … (ref. : BTW …).
I. PROCEDURE
a) In de zaak, gekend onder het nummer 12/95/A
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 30 december 2011.
Gelet op het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 14 september 2012.
Gelet op de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, die regelmatig werd betekend aan verweerder in tussenkomst en vrijwaring op 16 oktober 2012.
b) In de zaak, gekend onder het nummer 12/1053/A
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 02 april 2012.
Gelet op de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, die regelmatig werd betekend aan verweerder in tussenkomst en vrijwaring op 08 november 2012.
c) In de beide zaken
Gelet op het tussenvonnis van deze kamer en rechtbank de dato 20 december 2012 waarbij de zaken, gekend onder de nummers 12/95/A en 12/1.053/A, werden gevoegd en conclusietermijnen werden bepaald.
Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 17 juni 2013.
Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door alle partijen .overgelegde stukken.
De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. VOORWERP VAN DE VORDERING
1. Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen (in de zaak met nummer 12/95/A) vorderen :
-verweerster te veroordelen tot terugbetaling van de onterecht aangerekende belasting over toegevoerde waarde waarvan het bedrag voor hen samen provisioneel wordt begroot, onder voorbehoud van voorlegging van facturen, op … euro, meer de intresten vanaf de ingebrekestelling, meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig verzet en hoger beroep en niettegenstaande elk verhaal en zonder borg, noch kantonnement.
2. Eiser (in de zaak met nummer 12/1053/A) vordert verweerster te veroordelen tot het betalen van een bedrag van … euro, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding tot datum van betaling, meer de gerechtskosten.
Hij vordert tevens afgifte van de creditnota's ten belope van voormeld bedrag, onder verbeurte van een dwangsom van … euro per dag vertraging en per ontbrekend document vanaf de betekening van dit vonnis.
Hij vordert de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis, zonder borgstelling en zonder recht op kantonnement.
3. Verweerster vordert te zeggen voor recht dat terecht de belasting over de toegevoegde waarde werd aangerekend op de kostprijs en dat bijgevolg verweerster de door eisers aan verweerster betaalde BTW niet moet terugbetalen.
In ondergeschikte orde vordert zij minstens vrijwaring opzichtens verweerder in tussenkomst en vrijwaring.
Zij vordert minstens een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof voor Justitie, nader in conclusies omschreven.
Zij vordert eisers, desgevallend verweerder in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot de kosten van het geding.
4. Verweerder in tussenkomst en vrijwaring betwist de gegrondheid van de vorderingen, die door de andere partijen in het geding zijn gesteld.
Hij vordert te zeggen voor recht dat geen enkele som verschuldigd is door verweerster en verweerder in tussenkomst en vrijwaring.
Hij vordert eisers, desgevallend verweerster op hoofdvordering te veroordelen tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
a) Enkele feitelijke gegevens (in het kort)
1. Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen volgden een cursus lijnpiloot, die door verweerster was ingericht.
Op de aangerekende vergoedingen werd BTW gerekend.
2. Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen zijn van oordeel dat ten onrechte BTW werd aangerekend en zij stelden hiertoe verweerster in gebreke met een brief van 08 november 2011.
3. Huidige procedure werd opgestart met een dagvaarding, betekend op 30 december 2011.
b) Verjaring van de vordering
1. Verweerster stelt vooreerst dat de vorderingen tot terugbetaling, die betrekking hebben voor de periode voor 30 december 2001, zouden zijn verjaard.
Zij verwijst naar artikel 2262bis, lid 1 van het burgerlijk wetboek.
2. De verjaringstermijn in het kader van de onverschuldigde betaling bedraagt tien jaar (zie SAGAERT, V., De verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling, R.W., 2000-2001, 257-263).
Voor wat de eisende partijen in de zaak met nummer 12/95/A betreft, zijn de vorderingen aldus verjaard voor de periode tot 30 december 2001 (stuitende dagvaarding op 30 december 2011).
Voor wat de vrijwillig tussenkomende partij R. H. betreft, zijn de vorderingen verjaard voor de periode tot 14 september 2002 (stuitend verzoekschrift op 14 september 2012).
Voor wat de eisende partij (in de zaak met nummer 12/1053/A) betreft, is de vordering verjaard voor de periode voor 02 april 2002 (stuitende werking van dagvaarding op 02 april 2012).
3. Er dient vastgesteld dat de eisende partijen op dit punt geen repliek geven en ook geen cijfermatig onderscheid maken.
Zij geven geen enkele opsplitsing van hun vorderingen, rekening houdende met dergelijke periodes en geven ook geen enkel individueel onderscheid.
De rechtbank kan aldus niet oordelen welk deel van de vordering exact is verjaard.
c) Enkele juridische bepalingen
1. Artikel 132 van de BTW-richtlijn luidt :
"1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen :
a) de door openbare postdiensten verrichte diensten en daarmee gepaard gaande goederenleveringen, met uitzondering van personenvervoer en telecommunicatiediensten;
b) ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;
c) medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat;
d) de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk;
e) de door tandtechnici in het kader van de uitoefening van hun beroep verrichte diensten, alsmede de levering van tandprothesen door tandartsen en tandtechnici;
f) diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
g) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
h) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en welke worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
i) onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend;
j) lessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school- of universitair onderwijs;
k) beschikbaarstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de in de punten b), g), h) en i), bedoelde werkzaamheden en met het oog op de verlening van geestelijke bijstand;
l) diensten en nauw daarmee samenhangende goederenleveringen ten behoeve van hun leden in het collectief belang, tegen een statutair vastgestelde contributie door instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke, filantropische of staatsburgerlijke aard, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
m) sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen;
n) bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend;
o) diensten en goederenleveringen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig de punten b), g), h), i), l), m) en n), zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten die zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van henzelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
p) vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe ingerichte voertuigen door naar behoren gemachtigde lichamen;
q) niet-commerciële activiteiten van openbare radio- en televisieorganisaties.
2. Voor de toepassing van lid 1, punt o), kunnen de lidstaten alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal evenementen of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat."
Artikel 133 van de BTW-richtlijn luidt vervolgens :
"De lidstaten kunnen de verlening van elk der in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden :
"1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen :
a) de door openbare postdiensten verrichte diensten en daarmee gepaard gaande goederenleveringen, met uitzondering van personenvervoer en telecommunicatiediensten;
b) ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;
c) medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat;
d) de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk;
e) de door tandtechnici in het kader van de uitoefening van hun beroep verrichte diensten, alsmede de levering van tandprothesen door tandartsen en tandtechnici;
f) diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
g) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
h) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en welke worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend,·
i) onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend;
j) lessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school- of universitair onderwijs;
k) beschikbaarstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de in de punten b), g), h) en i), bedoelde werkzaamheden en met het oog op de verlening van geestelijke bijstand;
l) diensten en nauw daarmee samenhangende goederenleveringen ten behoeve van hun leden in het collectief belang, tegen een statutair vastgestelde contributie door instellingen zonder winstoogmerk met doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke, filantropische of staatsburgerlijke aard, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
m) sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen;
n) bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend,·
o) diensten en goederenleveringen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig de punten b), g), h), i), l), m) en n), zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten die zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van henzelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
p) vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe ingerichte voertuigen door naar behoren gemachtigde lichamen;
q) niet-commerciële activiteiten van openbare radio- en televisieorganisaties.
2. Voor de toepassing van lid 1, punt o), kunnen de lidstaten alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal evenementen of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat."
Artikel 133 van de BTW-richtlijn luidt vervolgens :
"De lidstaten kunnen de verlening van elk der in artikel 132, lid 1, punten b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden :
a) de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht;
b) het beheer en het bestuur van de instellingen moeten in hoofdzaak op vrijwillige basis en zonder vergoeding geschieden door personen die noch zelf, noch via tussenpersonen, enig rechtstreeks of zijdelings belang hebben bij de resultaten van de werkzaamheden van de instellingen;
c) de instellingen moeten prijzen toepassen die zijn goedgekeurd door de overheid, of prijzen die niet hoger liggen dan de goedgekeurde prijzen, of, voor handelingen waarvoor geen goedkeuring van prijzen plaatsvindt, prijzen die lager zijn dan die welke voor soortgelijke aan de BTW onderworpen handelingen in rekening worden gebracht door commerciële ondernemingen;
d) de vrijstellingen mogen niet tot verstoring van de mededinging leiden ten nadele van belastingplichtige commerciële ondernemingen.
De lidstaten die krachtens bijlage E van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad op 1 januari 1989 de in artikel 132, lid 1, punten m) en n), bedoelde handelingen aan BTW onderwierpen, mogen de in de eerste alinea, punt d), vermelde voorwaarden ook toepassen wanneer vrijstelling wordt verleend voor de genoemde diensten of goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke lichamen."
3. Artikel 44 van het BTW-wetboek bepaalt :
"Par. 1. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid :
1° advocaten;
2° artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, verzorgers en verzorgsters, ziekenoppassers en ziekenoppassters, masseurs en masseuses van wie de diensten van persoonsverzorging zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
Par. 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :
…
4° het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of-herscholing;"
4. Verweerster in tussenkomst en vrijwaring vaardigde (na ontvangst van de brief van 17 februari 1993 van de Europese Commissie in verband met aanschrijving nr. 19 de dato 15 juni 1978) op 24 december 1993 een aanschrijving nummer 25 uit waarin werd gesteld :
"De vrijstelling geldt bijgevolg slechts wanneer het school of universitair onderwijs, de beroepsopleiding of herscholing wordt verstrekt door privaatrechterlijke instellingen die geen winstoogmerk hebben en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten van die werkzaamheid "
d) Beoordeling ten gronde
1. Eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen steunen hun vordering op de onverschuldigde betaling.
Voor een onverschuldigde betaling dient te worden bewezen dat de betaling zonder oorzaak is (cfr. Cass., 12 december 1985, R.W., 1986-87, 276; Cass. 08 januari 1990, R.W., 1989-90, 1360).
Zij dienen aldus aan te tonen :
- een betaling;
- het onverschuldigd karakter.
2. Verwerende partij en verweerster in tussenkomst en vrijwaring betwist op zich niet dat eisers destijds de thans opnieuw teruggevorderde BTW hebben betaald.
Aan de eerste voorwaarde is aldus voldaan.
3. Vervolgens stelt zich de vraag naar het onverschuldigd karakter van de betaling.
Het Hof van Cassatie besliste in een arrest de dato 14 januari 2010 als volgt (Cass., 14 januari 2010, nr. 35-14.1.10) omtrent de problematiek van de voormelde vrijstellingen in het kader van de beroepsopleidingen.
In de conclusie van Advocaat-Generaal Thys werd in het kader van voormeld arrest de volgende eindconclusie gegeven :
"Nu de Belgische wetgever geen gebruik heeft gemaakt van de door de richtlijn voorziene keuzemogelijkheid, kunnen organisaties die winstoogmerk bezitten aanspraak maken op de communautaire vrijstelling van artikel 13, A, lid 1, i) van de Zesde richtlijn.
In de mate dat het bestreden arrest oordeelt dat bedoelde vrijstelling winstoogmerk uitsluit, ook wanneer de Lid-Staten geen gebruik hebben gemaakt van de voorziene keuzemogelijkheid, is zulks strijdig met het gemeenschapsrecht en kan er dan ook geen sprake zijn van een richtlijnconforme uitlegging van artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek
Het eerste onderdeel komt mij dan ook gegrond voor, terwijl het tweede onderdeel niet tot ruimere cassatie kan leiden."
Het Hof van Cassatie kwam in het voormeld arrest tot dezelfde conclusie als volgt :
"Artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-wetboek, dat de omzetting bevat in het nationaal recht van artikel 13, A, 1, i) van de Zesde Richtlijn, bepaalt dat van de belastingen zijn vrijgesteld : "het verstrekken van school- of universitair onderwijs beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing"
Krachtens artikel 13, A, 2, a, eerste streepje, van de Zesde Richtlijn, kunnen de lidstaten de verlening van elk van de in lid 1, sub b), g), h), i) , l), m) en n), bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval, afhankelijk stellen van de volgende voorwaarde : "de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; wordt er wel winst gemaakt, dan mag deze niet worden uitgekeerd, maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend".
Uit de bewoordingen van artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-wetboek, blijkt dat de wetgever noch impliciet, noch uitdrukkelijk, de vrijstelling van artikel 13, A, l, i) van de Zesde Richtlijn, inzake andere dan publiekrechtelijke lichamen, heeft voorbehouden aan organisaties die niet systematisch het maken van winst beogen.
Hij heeft aldus niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen van artikel 13, A, 2, a, eerste streepje, van de Zesde Richtlijn, dat de instellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen.
De Raad van State heeft in het arrest nr. 145.138 van 30 mei 2005 geoordeeld dat het bepalen van de draagwijdte van een vrijstelling van BTW-bijdrage in een ministeriële omzendbrief niet verzoenbaar is met artikel 172, tweede lid, van de Grondwet. De vermelde aanvullende voorwaarde kon terzake aldus niet geldig bij omzendbrief worden ingevoerd.
De beslissing van de appelrechter dat de verweerder terecht de eiseres voor wat betreft de beroepsopleidingen van het voordeel van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, van het BTWwetboek heeft uitgesloten omdat zij een winstoogmerk nastreefde, is derhalve niet naar recht verantwoord."
3. Er kan verder slechts worden vastgesteld dat de door verweerster in tussenkomst en vrijwaring gehanteerde regeling werd vernietigd door de Raad van State. Verweerster in tussenkomst en vrijwaring kan dan ook niet voorhouden dat haar circulaire volledig in overeenstemming is met de Europese wetgeving.
Deze regeling wordt aldus geacht nimmer te hebben bestaan en verweerster, die beroepsopleidingen organiseerde, kon aldus genieten van de vrijstelling en diende geen BTW te vorderen. Doordat die regeling niet bestond, voldeed verweerster als erkend opleidingscentrum juist aan de basisvoorwaarden van de vrijstelling, zoals vermeld in voormeld artikel 132 van de voormelde Europese Richtlijn.
4. Er werd trouwens reeds ook beslist in andere procedures als volgt (vonnis de dato 18 februari 2003 van deze rechtbank) :
"De vrijstelling, zelfs voor de opleidingen tot beroepspiloot, zou volgens verweerder nochtans niet mogelijk zijn omdat eiseres met winstoogmerk werkt.
Eiseres moet evenwel gevolgd worden in haar stelling dat de Belgische wetgever der vrijstelling voor onderwijs door 'niet-publiekrechtelijke organisaties' niet afhankelijk gemaakt heeft van de vereiste dat zij zonder winstoogmerk geëxploiteerd worden. Artikel 44, § 2, 4° W.BTW, noch enige andere wetsbepaling, voorziet de voorwaard; van het ontbreken van winstoogmerk.
Volgens verweerder (die zich beroept op het advies van de Europese Commissie van 17 februari 1993) zou die vereiste voortvloeien uit artikel 13 van de zesde EG-richtlijn. Vermits de vereiste met betrekking tot het winstoogmerk geen enkele steun vindt in de wettekst van artikel 44 W.BTW. Is dat even wel een Interpretatie contra legem. Zoals hoger al vermeld, kan een richtlijn niet tegen een particulier worden ingeroepen en kan er geen richtlijnconforme interpretatie gebeuren die ingaat tegen de interne rechtsregel.
Uit de hoger geciteerde tekst blijkt bovendien dat artikel 13.A.2. a) 6de RL niet de verplichting oplegt om de vrijstelling voor de niet-publiekrechtelijke onderwijsinstellingen afhankelijk te stellen van het werken zonder winstoogmerk. Het woord kunnen in de openingszin van dat artikel is duidelijk : de Lid-staten hebben de keuze; dat sluit de verplichting uit.
Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat een nauwgezette lezing van het Advies van de Europese Commissie van 17 februari 1993 leert dat de veel te soepele interpretatie door België van de onderwijsvrijstelling haar oorzaak vond in het feit dat België geen objectieve criteria in zijn wetgeving had opgenomen om te bepalen wat moet worden verstaan onder 'organisaties die als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend'. Volgens het advies was het de bedoeling van de richtlijn om de vrijstelling alleen toe te staan aan overheidsinstellingen of daarmee gelijkgestelde organisaties. Dat zou een uitzondering zijn en uitzonderingen zouden beperkt moeten geïnterpreteerd worden.
De vraag is dan nog hoe de test van de 6de EG-richtlijn zo beperkt kan gelezen worden. In elk geval bevat de richtlijn geen bepalingen met betrekking tot de afbakening van het begrip 'met overheidsinstellingen gelijkgestelde organisaties'.
Het woord 'of in de tekst van artikel 13.A.1. i) 6de RL lijkt geen uitzondering maar een behandeling op voet van gelijkheid (de twee zijn mogelijk) te impliceren. Om de vrijstelling uitzonderlijk of (steeds) slechts onder specifieke voorwaarden voor andere dan overheidsinstellingen mogelijk te maken, had artikel 13.A.2, a) daartoe niet de mogelijkheid maar de verplichting moeten voorschrijven.
De circulaire 1993/25 kan evenmin contra legem het vrijstellingsregime inperken. Overigens werd daarin gekozen om het winstoogmerk als beletsel voor de vrijstelling in te bouwen. Dat is opmerkelijk vermits in het advies van de Europese Commissie van 17 februari 1993 nergens over het winstoogmerk gesproken wordt. Hoewel België langs die weg aan de wens van de Europese Commissie had kunnen tegemoetkomen met een wetgevend initiatief werd evenwel voor een circulaire gekozen.
Voor de beroepsopleiding heeft verweerder dan ook ten onrechte de vrijstelling geweigerd. In die mate is de vordering gegrond De rechtbank drukt hierna in het dictum de toegekende vordering abstract uit. De concrete cijfermatige uitwerking van dit oordeel zal door de partijen op da geëigende administratieve manier moeten gebeuren."
Uit dit vonnis en die motivering blijkt aldus ook dat er sprake is van een BTW-vrijstelling.
5. Aldus is de discussie omtrent het al dan niet ter goeder trouw heffen van de voormelde BTW niet ter zake dienend.
De BTW-wetgeving is van openbare orde en er dient te worden vastgesteld dat deze BTW niet kon worden geheven of minstens niet op een wettelijke wijze opvorderbaar was.
Bijgevolg is deze aanrekening onverschuldigd gebeurd en verweerster heeft deze opzichtens eisers en de vrijwillig tussenkomende partij aldus zonder oorzaak geïnd.
6. De rechtsvordering op grond van de onverschuldigde betaling kan worden toegekend.
De cijfermatige opmerkingen worden verder behandeld onder punt f).
e) Vorderingen van verweerster en verweerster in tussenkomst en vrijwaring
Gelet op het voorgaanden is enkel de vordering in vrijwaring van verweerster opzichtens verweerster in tussenkomst en vrijwaring gegrond.
f) Cijfermatig - kosten
1. Er dient vastgesteld dat een deel van de vorderingen is verjaard (zie ontvankelijkheid).
Het is voor de rechtbank onmogelijk om dit zelf per partij punt per punt te gaan beoordelen. Eisers zelfs drongen herhaaldelijk aan op behandeling, doch blijven zelf op dit punt in gebreke om duidelijkheid te verschaffen. Een duidelijke afrekening met tijdstippen is immers niet voorhanden. Enkel algemene overzichten worden verschaft (zie punt F. syntheseconclusies eisers bladzijden 11-12).
2. Er kan aldus enkel provisioneel reeds een bedrag worden toegekend (zoals hieronder bepaald) en partijen zullen verder de zaak op dit punt dienen uit te werken.
Voor wat de eisers en de vrijwillig tussenkomende partij in de zaak met nummer 12/95/A betreft dient opgemerkt dat het overgrote deel hoe dan ook niet verjaard kan zijn (dit blijkt uit de voorgelegde facturen onder stuk 4) zodat provisioneel een bedrag van … euro wordt toegekend.
Voor wat de eiser in de zaak met nummer 12/1053/A betreft wordt de provisie beperkt tot … euro.
De zaak wordt voor het overige naar de BIJZONDERE ROL verzonden om verder in staat te worden gesteld (voor zover partijen op basis van voormelde elementen niet verder minnelijk de afrekening kunnen opstellen).
3. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. Verweerster zal de kosten van eisers dienen te dragen en verweerster in tussenkomst en vrijwaring zal de kosten van verweerster dienen te dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN, BESLIST DE RECHTBANK,
in eerste aanleg en op tegenspraak, als volgt :
Verklaart de vordering van eisers en de vrijwillig tussenkomende partijen ontvankelijk (mits de beperking, hierboven vermeld onder punt III. b) welke onderdelen verjaard zijn) en reeds als volgt gegrond.
Veroordeelt verweerster om te betalen aan eisers en de vrijwillig tussenkomende partij (in de zaak met nummer 12/95/A) een provisioneel bedrag van … EURO (… €), meer de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf acht november tweeduizend en elf (08.11.2011) tot en met negenentwintig december tweeduizend en elf (29.12.2011), meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf dertig december tweeduizend en elf (30.11.2011) tot op datum van algehele betaling.
Veroordeelt verweerster om te betalen aan eiser (in de zaak met nummer 12/1053/A) een provisioneel bedrag van … EURO (… €), meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf twee april tweeduizend en twaalf (02.04.2012) tot op datum van algehele betaling.
Verklaart de vordering van verweerster ontvankelijk en als volgt gegrond.
Veroordeelt verweerster in tussenkomst en vrijwaring om verweerster op hoofdvordering te vrijwaren voor alle veroordelingen die verweerster in huidige procedure oploopt opzichtens eisers en de vrijwillig tussenkomende partij (in hoofdsom, intresten en uiteindelijk ook in de kosten).
Verklaart de vordering van verweerster in tussenkomst en .vrijwaring ontvankelijk, doch ongegrond.
Houdt voor het overige alle beslissingen (inclusief de kosten) aan.
Verzendt de zaak naar de BIJZONDERE ROL.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel.
Sluit de mogelijkheid van kantonnement niet uit.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zesentwintig september tweeduizend en dertien.
Aanwezig zijn :
W. D. B., ondervoorzitter, alleenrechtsprekend;
G. D. T., griffier.
G. D. T. W. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.