Hoofding van de beslissing
Rolnummer 5292
Arrest nr. 141/2012 van 14 november 2012
A R R E S T __________
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 53 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (wijziging van artikel 44, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), ingesteld door Patrick Van den Weghe en anderen.
Tekst van de beslissing
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J. -P. Snappe, J.- P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.- Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest :
* * * I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 januari 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 53 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (wijziging van artikel 44, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2011, vierde editie, door Patrick Van den Weghe, wonende te 3010 Leuven, L•••••• R•••••••••••• ••, Marc Allard, wonende te 3300 Tienen, G•••• B•••••••• ••, en Christian Maes, wonende te 3000 Leuven, M•••• T••••••••••••• •••. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 44/2012 van 8 maart 2012 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juni 2012) heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen.
Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 september 2012 : - zijn verschenen : . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Judo, tevens loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Orde van Vlaamse balies; . J. De Vleeschouwer, adviseur bij de FOD Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
- A -
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
A.1. Volgens de Ministerraad kan worden aangenomen dat de verzoekers, die allen notaris zijn, belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling in zoverre de notarissen aan de btw worden onderworpen. Dat is evenwel niet het geval in zoverre de bestreden bepaling de gerechtsdeurwaarders btw-plichtig maakt. Het beroep is volgens de Ministerraad dan ook in die mate niet ontvankelijk.
A.2. Volgens de verzoekende partijen houdt de exceptie van de Ministerraad in dat de verzoekende partijen voor zichzelf hetzelfde fiscale privilegie zouden moeten opeisen dat door de wetgever bij de bestreden bepaling aan de advocaten werd toegekend. Het gevolg van de vernietiging van de bestreden bepaling zou zijn dat gelijke toestanden opnieuw gelijk worden behandeld, zij het dat het Hof in dat opzicht niet in de plaats van de wetgever kan treden. Na de vernietiging van de bestreden bepaling zal de wetgever zijn verantwoordelijkheid moeten opnemen.
Ten gronde
A.3. De verzoekende partijen voeren een enig middel aan dat uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet is afgeleid. Bij het bestreden artikel 53 van de wet van 28 december 2011 werd de btw-vrijstelling die tot dusver betrekking had op de notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders, afgeschaft voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders en behouden voor de advocaten.
Volgens de verzoekende partijen bestaat voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, aangenomen ingevolge een amendement, waarover het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet werd ingewonnen, blijkt volgens hen evenmin enige redelijke verantwoording voor dat verschil in behandeling.
De enige verantwoording die voor het aangeklaagde verschil in behandeling in de parlementaire voorbereiding wordt gegeven - « een politiek akkoord waarbij men heeft nagekeken hoever men kon gaan voor bepaalde groepen » - is immers het veto van de leden van een bepaalde beroepsgroep in het parlement om een in hun ogen te hunnen opzichte ongewenste maatregel niet te laten nemen, hoe verantwoord die maatregel ook moge zijn, zowel op zichzelf genomen als in het licht van wat werd beslist ten opzichte van andere beroepscategorieën die zich in dezelfde omstandigheden bevinden. Een dergelijk motief is volgens hen noch min noch meer de essentie van een privilegie of een voorrecht in de bij artikel 172 van de Grondwet verboden betekenis : een vrijstelling van de belasting die aan een bepaalde categorie van personen wordt toegekend, alleen maar omdat ze tot die categorie behoren.
A.4. De Ministerraad betoogt dat uit de loutere vaststelling dat een bepaling door budgettaire overwegingen is ingegeven, niet volgt dat die bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden. Het komt aan de wetgever toe om, binnen de grenzen van het Europees recht, te bepalen welke handelingen en prestaties aan de btw worden onderworpen.
Door het invoeren van een btw-plicht voor notarissen wordt aangesloten bij de regelgeving die in de andere lidstaten van de Europese Unie van toepassing is. Tot 1 januari 2012 was België de enige lidstaat waar notarissen van de btw waren vrijgesteld, zodat de Belgische Staat jaarlijks, ter compensatie een bijdrage tot de eigen middelen van de Europese Unie diende te betalen.
De Ministerraad wijst erop dat de beroepsgroep van de notarissen duidelijk van die van de advocaten te onderscheiden is wat taken, beroepsorganisatie, deontologie en regels voor de toegang tot het beroep betreft, zodat beide categorieën niet vergelijkbaar zijn. Het statuut van de advocaat is in de artikelen 428 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek geregeld. De advocaat verdedigt uitsluitend de belangen van zijn cliënt, die in de regel volledig vrij is om al dan niet op de bijstand van een advocaat een beroep te doen, zonder in zijn keuze te worden beperkt. Het beroep van notaris daarentegen wordt in de wet van 25 ventôse jaar XI geregeld. De notaris is een openbaar ambtenaar die zijn taken binnen het kader van een vrij beroep uitoefent. Hij heeft een monopoliepositie wat het opstellen van authentieke akten betreft en zijn optreden is voor bepaalde aangelegenheden wettelijk verplicht. Van de notaris wordt verwacht dat hij op onpartijdige wijze de partijen adviseert die bij een notariële akte zijn betrokken. Bovendien is de opdracht van een notaris territoriaal beperkt tot het gerechtelijk arrondissement waar hij zijn standplaats heeft. Dat sommige taken van notarissen en advocaten gelijklopend zijn, doet geen afbreuk aan de voormelde fundamentele verschillen tussen beide beroepsgroepen. Uit het feit dat bepaalde beroepscategorieën - niet alleen advocaten en notarissen - hun cliënten juridisch advies verstrekken, volgt niet dat zij allen fiscaal op dezelfde manier zouden moeten worden behandeld.
Evenmin is volgens de Ministerraad duidelijk hoe de bestreden bepaling artikel 172 van de Grondwet zou schenden. De notaris wordt geen fiscale last opgelegd. Hij dient enkel de btw die door zijn cliënt werd betaald door te storten aan de fiscus. De notaris kan bovendien de btw recupereren die hij voor beroepsdoeleinden heeft betaald.
De praktische bezwaren die de verzoekende partijen aanvoeren, namelijk de bijkomende administratieve last om een btw-boekhouding te voeren, zijn niet voldoende om tot een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te besluiten. Notarissen en advocaten hebben boekhoudkundige verplichtingen die aan hun beroep eigen zijn. Bovendien zijn de boekhoudkundige btw-verplichtingen relatief eenvoudig. Overigens werden met de beroepsfederatie van notarissen afspraken gemaakt om de praktische organisatie van de nieuwe btw-verplichtingen te regelen en werd in een overgangsperiode voorzien.
A.5. De Orde van Vlaamse balies, tussenkomende partij, is van oordeel dat het verschil in behandeling van notarissen en advocaten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Advocaten en notarissen zijn duidelijk onderscheiden beroepscategorieën die aan een verschillende regelgeving zijn onderworpen. Tussen beide categorieën bestaan objectieve verschillen die het bestreden verschil in behandeling verantwoorden. Een eerste verschil bestaat erin dat advocaten, in tegenstelling tot notarissen, verplicht zijn mee te werken aan het zogenaamde pro deo - systeem, waarin eerste- en tweedelijnsbijstand wordt verleend. Een opheffing van de btw-vrijstelling voor advocaten zou betekenen dat, vermits de btw aan de cliënt wordt doorgerekend, meer minvermogenden een beroep op kosteloze bijstand zullen doen. De opheffing van de btw-vrijstelling voor advocaten zou tot pervers gevolg hebben dat de Staat meer financiële middelen aan kosteloze bijstand zal dienen te besteden, terwijl de bestreden maatregel er net toe strekt meer financiële middelen voor de Staat te genereren. Een ander verschil bestaat erin dat notarissen, in tegenstelling tot advocaten, naast vrije beroepers, tevens openbare ambtenaren zijn. In dat verband merkt de Orde van Vlaamse balies op dat voor bepaalde rechtshandelingen een beroep op een notaris is verplicht, terwijl het eenieder vrijstaat om al dan niet op een advocaat naar keuze een beroep te doen. De notarissen hebben een monopoliepositie wat het verlijden van authentieke akten betreft. In tegenstelling tot de advocaten, zijn den otarissen aan een numerus clausus onderworpen, krijgen een bepaalde standplaats toegewezen en oefenen hun opdrachten voornamelijk binnen een bepaald gerechtelijk arrondissement uit. Het beroep van advocaat kan dan ook niet met dat van notaris worden vergeleken.
Het bestreden verschil in behandeling is hoe dan ook redelijk verantwoord. De bestreden maatregel strekt in de eerste plaats ertoe op korte termijn bijkomende financiële middelen te verwerven. Tevens streefde de wetgever naar een harmonisatie op Europees vlak, vermits in alle andere lidstaten van de Europese Unie de notarissen btw-plichtig zijn. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium dat historisch te verklaren is : de akten van de openbare ambtenaren, zoals de notarissen, zijn reeds aan registratierechten onderworpen. Wat de advocaten betreft, heeft de wetgever het recht op toegang tot de rechter niet willen beperken door aan hun cliënten bijkomende fiscale lasten op te leggen. De bestreden maatregel is pertinent om de voormelde doelstellingen te verwezenlijken en is daarmee niet onevenredig. In dat verband betoogt de Orde van Vlaamse balies dat de grieven van de verzoekende partijen van louter praktische aard zijn. Bovendien dienen de notarissen de door hun cliënten betaalde btw enkel aan de fiscale administratie door te storten, zodat zij zelf weinig of geen nadeel van de bestreden maatregel ondervinden. De opheffing van de btw-vrijstelling brengt voor de notarissen enkel een aantal bijkomende administratieve verplichtingen mee, waaraan overigens bepaalde rechten, inzonderheid inzake investeringsaftrek, zijn gekoppeld.
De Orde van Vlaamse balies wijst nog erop dat van een fiscaal voorrecht, in de zin van artikel 172 van de Grondwet, geen sprake is. De advocaten zijn immers niet de enige beroepscategorie die de btw-vrijstelling behoudt. Hetzelfde geldt voor een aantal medische en paramedische beroepen. Bovendien worden aan de notarissen geen fiscale lasten opgelegd, vermits het hun cliënten zijn die de btw betalen.
A.6. Volgens de verzoekende partijen pogen zowel de Ministerraad als de Orde van Vlaamse balies de invoering van de btw op de diensten, gepresteerd door notarissen, als zodanig te verantwoorden. Daarbij verliezen zij uit het oog dat het enige middel niets teunt op de gelijke behandeling van de notarissen ten opzichte van de andere btw-plichtigen, maar op de ongelijke behandeling van de notarissen ten opzichte van de advocaten, die immers vrijgesteld blijven. Het is dus voor het laatste, niet voor het eerste, dat een verantwoording dient te worden aangereikt.
Wat de gelijkschakeling van de notarissen met de andere btw-plichtigen betreft, verwijzen de Ministerraad en de Orde van Vlaamse balies onder meer naar de budgettaire noodzaak van de bestreden maatregel. Volgens de verzoekende partijen zou de federale Schatkist nog beter zijn gediend met de gelijkschakeling van alle juridische beroepsbeoefenaars met de andere btw-plichtigen.
Op het argument van de Ministerraad en de Orde van Vlaamse balies dat de afschaffing van de btw-vrijstelling voor notarissen is bedoeld om aan te sluiten bij de regelgeving in de andere lidstaten van de Europese Unie, waar de notarissen evenmin zijn vrijgesteld, antwoorden de verzoekende partijen dat de blijkbaar gewenste Europese harmonisatie niet alleen had moeten leiden tot de afschaffing van de btw-vrijstelling voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders, maar ook voor de advocaten, die nergens in Europa nog zijn vrijgesteld. De verwijzing van de Orde van Vlaamse balies naar de bijdrage die België aan Europa voor de inmiddels opgeheven btw-vrijstelling van de notarissen betaalde, is misplaatst, nu die bijdrage voor de niet opgeheven btw-vrijstelling van de advocaten nog steeds zal worden betaald en veel aanzienlijker is.
Volgens de Ministerraad en de Orde van Vlaamse balies zouden de notarissen en de advocaten niet tot dezelfde beroepscategorie behoren, zodat zij zich niet in een vergelijkbare situatie zouden bevinden. De verzoekende partijen antwoorden daarop dat er inderdaad verschillen tussen notarissen en advocaten bestaan, maar dat die verschillen niet pertinent zijn om de enen wel en de anderen niet aan de btw te onderwerpen. Wat de eerstelijnsbijstand betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat die niet alleen door advocaten wordt verleend, maar ook door andere organisaties voor juridische bijstand en dat ook notarissen kunnen worden verplicht hun diensten kosteloos te verlenen. Vervolgens gaat de toegang tot de rechter wel degelijk gepaard met het heffen van belastingen, al was het maar vanwege de op verschillende proceshandelingen geheven registratierechten. Het feit dat notarissen, in tegenstelling tot advocaten, openbare ambtenaren zijn is evenmin relevant. Het bekleden van een openbaar ambt zou veeleer tot een btw-vrijstelling moeten leiden, vermits werkelijke overheidsdiensten niet belastbaar zijn. Bovendien oefenen de notarissen, zoals de advocaten, een vrij beroep uit wanneer zij juridisch advies verlenen of als bemiddelaar bij burgerrechtelijke transacties optreden en het is precies op dat terrein dat zij met de advocaten in concurrentie komen. Overigens is het « ambt » van advocaat evenzeer een openbare dienst, reden waarom het beroep door de overheid verregaand is geregeld. De verzoekende partijen wijzen nog erop dat een per hypothese afgewentelde belasting, zoals de btw, voor de cliënt deel uitmaakt van de prijs van de verleende dienst, zodat een belaste dienst duurder wordt dan een niet-belaste, met alle marktgevolgen en negatieve invloeden op de concurrentiepositie van de notarissen van dien.
- B -
Ten aanzien van de bestreden bepaling
B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 53 van de wet van 28 december
2011 houdende diverse bepalingen, luidende :
« In artikel 44, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden ‘ notarissen, ’ en de woorden ‘ en gerechtsdeurwaarders ’ opgeheven ».
Ten gevolge daarvan bepaalt artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek, overeenkomstig artikel 56 van de voormelde wet van 28 december 2011, met ingang van 1 januari 2012 :
« Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid :
1° advocaten; ».
Bij de bestreden bepaling werd aldus de btw-vrijstelling die tot dan betrekking had op de notarissen, de advocaten en de gerechtsdeurwaarders, afgeschaft voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders en behouden voor de advocaten.
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
B.2.1. Volgens de Ministerraad zouden de verzoekende partijen, die allen notaris zijn, geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre die de gerechtsdeurwaarders btw-plichtig maakt.
B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.
B.2.3. De verzoekende partijen zijn notarissen, die belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling in zoverre die op de notarissen van toepassing is, doch niet in zoverre die op de gerechtsdeurwaarders van toepassing is.
Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op de situatie van de gerechtsdeurwaarders.
De exceptie is gegrond.
Ten gronde
B.3. De verzoekende partijen voeren een enig middel aan dat uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet is afgeleid. Bij de bestreden bepaling werd de btw-vrijstelling die tot dusver betrekking had op onder meer de notarissen en de advocaten, afgeschaft voor de notarissen en behouden voor de advocaten. Voor dat verschil in behandeling zou geen redelijke verantwoording bestaan.
B.4. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden.
B.5.1. Volgens de Ministerraad en de Orde van Vlaamse balies zouden de notarissen en de advocaten niet tot dezelfde beroepscategorie behoren, zodat zij zich ten aanzien van de bestreden maatregel niet in een vergelijkbare situatie zouden bevinden.
B.5.2. Tussen de beroepscategorie van de notarissen en die van de advocaten bestaan verschillen die voortvloeien uit de verschillende regelgeving waaraan beide categorieën zijn onderworpen. Die verschillen hebben betrekking op inzonderheid hun onderscheid en taken, de organisatie van het beroep, de deontologie en de regels voor de toegang tot het beroep. Uit die verschillen kan evenwel niet worden afgeleid dat de beide beroeps categorieën dermate van elkaar te onderscheiden zijn dat zij ten aanzien van de bestreden maatregel niet vergelijkbaar zouden zijn.
B.6. Het komt de bevoegde wetgever toe de vrijstellingen of de afschaffing van vrijstellingen te bepalen van de belastingen waarin hij voorziet. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In sommige domeinen, met name op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, is die bevoegdheid evenwel begrensd door de toepasselijke Europese regelgeving.
Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.
B.7. Het amendement dat tot het bestreden artikel heeft geleid, is als volgt verantwoord :
« De diensten van notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) onderworpen volgens de normale regels van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Overeenkomstig artikel 371 van voornoemde richtlijn mogen evenwel de lidstaten die op 1 januari 1978 vrijstelling verleenden voor de in de lijst van bijlage X, deel B, van voormelde richtlijn genoemde handelingen, deze onder de in iedere betrokken lidstaat op die datum bestaande voorwaarden, blijven vrijstellen van de belasting. Deze afwijking blijft van toepassing tot de invoering van de definitieve regeling.
België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De diensten verricht door notarissen, advocaten en gerechtsdeurwaarders in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid zijn sinds 1 januari 1978 van de belasting vrijgesteld gebleven overeenkomstig artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.
Onderhavig amendement voorziet in de opheffing van deze vrijstelling van de btw wat de diensten van notarissen en gerechtsdeurwaarders betreft » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1952/004, p. 36).
In de parlementaire voorbereiding wordt tevens vermeld :
« Het oorspronkelijk ontwerp dat bij het parlement is ingediend, bevatte slechts 1 artikel onder de titel Financiën. […]
In de Commissie Financiën van de Kamer zijn vervolgens een pakket amendementen ingediend door de fracties die de nieuwe meerderheid vormen. Deze amendementen hebben als doel om zeer snel uitvoering te geven aan de beslissingen die met betrekking tot de begroting 2012 zijn genomen bij het tot stand komen van het regeerakkoord. Het is van uitzonderlijk belang dat de maatregelen die uiterlijk op 1 januari 2002 [lees : 2012] in werking moeten treden, ook effectief tegen die datum door het parlement zijn aangenomen. Daar zijn drie zeer goede redenen voor. Ten eerste een budgettaire : er dient over gewaakt dat de maatregelen ook in 2012 hun vooropgesteld rendement halen. Ten tweede is het belangrijk dat vooral internationaal het vertrouwen terug hersteld wordt in de Belgische financiële markt. Ten slotte is het ook voor de mensen belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de maatregelen die zijn genomen.
De maatregelen die nu in het ontwerp zijn opgenomen zijn :
[…]
6. Het onderwerpen van de diensten van notarissen en gerechtsdeurwaarders aan de btw, naar analogie van alle andere EU-landen. (artikelen 53 en 54) » (Parl. St., Senaat, 2011-2012, nr. 5-1408/4, pp. 4-5).
In de plenaire vergadering van de Senaat stel de de minister dat de bestreden bepaling « het resultaat [is] van een politiek akkoord waarbij men heeft nagekeken hoever men kon gaan voor bepaalde groepen » (Hand., Senaat, 2011-2012, 23 december 2011, p. 9).
B.8. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling deel uitmaakt van een reeks maatregelen die in eerste instantie ertoe strekken om, in het kader van de begroting 2012, zeer snel uitwerking te hebben, zodat het vooropgestelde rendement reeds in 2012 wordt behaald. De opbrengst van de bestreden belasting wordt aangewend voor overheidsuitgaven die strekken tot de behartiging van het algemeen belang.
In de parlementaire voorbereiding wordt nog er op gewezen dat in geen enkele andere lidstaat van de Europese Unie de notarissen van de btw zijn vrijgesteld, zodat de bestreden maatregel tevens kan worden geacht een harmonisatie in Europees verband na te streven.
B.9. Zoals de verzoekende partijen aanvoeren, zouden de voormelde doelstellingen nog beter worden verwezenlijkt, indien ook ten aanzien van de advocaten de btw-vrijstelling zou worden opgeheven : er zouden aanzienlijk meer financiële middelen voor de Schatkist worden gegenereerd en de harmonisatie van de regelgeving binnen de Europese Unie zou beter worden gediend. Het komt evenwel aan de wetgever toe te oordelen of het aangewezen is dat ook ten aanzien van de advocaten de btw-vrijstelling zou worden opgeheven of gemoduleerd, rekening houdend met de Europese regelgeving en, in voorkomend geval, met de eigen karakteristieken van dat beroep.
Die vaststellingen zijn niet van dien aard dat kan worden besloten dat de bestreden maatregel discriminerend zou zijn, vermits de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, inzonderheid wat de toegang tot het gerecht betreft, niet kennelijk onredelijk zijn en evenmin op een manifeste vergissing berusten.
B.10. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt.
Het middel is niet gegrond.
Beschikkend gedeelte
Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 november 2012.
De griffier, De voorzitter,
P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt
De gegevens van een partij die het Hof leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.