Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 10.05.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN
INZAKE A.R. nr. 09/3033/A :
NV D. B., met maatschappelijke zetel te …, …, en met ondernemingsnummer ….
NV B. I., met maatschappelijke zetel te …, …, en met ondernemingsnummer ….
BVBA B., met maatschappelijke zetel te …, …, en met ondernemingsnummer ….
Eiseressen, vertegenwoordigd door mr. B. J., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VAN DE B.T.W., REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijke directeur van de BTW ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.
Verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.12.2009;
- de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusies van eiseressen.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN :
De NV D. B., NV B. I. en BVBA B. zijn ingevolge hun respectievelijke uitgeoefende beroepsactiviteit van eetgelegenheid met volledige bediening geregistreerd als BTW-belastingplichtigen en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Alle eiseressen dienden een aantal periodieke BTW-aangiften al dan niet tijdig in met opgave van verschuldigde BTW-bedragen.
Deze bedragen werden door eiseressen niet binnen de in art. 53, 4° WBTW bepaalde termijn betaald.
Bij toepassing van art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 29.12.1992 werden er bijzondere rekeningen opgesteld.
Tevens werden er geldboeten opgelegd aan eiseressen.
Bij brief van 15.06.2009 diende de raadsman van eiseressen een verzoek in tot kwijtschelding van de opgelegde geldboeten.
Bij directorale beslissing van 19.10.2009 werd het verzoek afgewezen.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.12.2009 stelden eiseressen een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid :
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde :
Eiseressen betwisten niet dat de desbetreffende BTW-schulden niet tijdig werden betaald.
Eiseressen streven thans enkel de kwijtschelding van de opgelegde geldboeten na.
2.1. De administratieve boete wordt van rechtswege opgelegd.
Eiseressen houden voor dat de geldboete inzake BTW verschuldigd zijn ongeacht of men ter goeder trouw of te kwader trouw was of door overmacht niet in staat was zijn verplichting te voldoen.
Eiseressen zijn van oordeel dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verzoeken de rechtbank om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, te weten: "Schenden artikel 70 WBTW het gelijkheidsbeginsel doordat in deze bepaling vernoemde boetes verschuldigd worden van rechtswege zonder dat er sprake is van goede of kwade trouw of zonder dat een schuldvraag moet beoordeeld worden".
Terecht stelt verweerder dienaangaande dat het neutraliteitsbeginsel inzake BTW tot gevolg heeft dat indien een overtreding van de regelgeving een geldboete tot gevolg heeft, deze geldboete automatisch van rechtswege opgelegd moet worden. Dit is de enige manier om tot een objectieve gelijke behandeling te komen van verschillende belastingplichtigen.
Het algemeen belang vereist dat de wetgever in dergelijke gevallen streng kan optreden.
De rechtbank bemerkt dan ook geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
2.2. Kwijtschelding minstens vermindering van de geldboete :
Eiseressen houden voor dat zij de geldboeten niet kunnen betalen wegens financiële problemen en zijn van oordeel dat men niet iemand kan beboeten omdat hij niet "kan" betalen.
Eiseressen overleggen aan de rechtbank de balansen van de vennootschappen per 31.12.2007 en 31.12.2008 waaruit zou dienen te blijken dat zij in geldnood verkeren.
De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, TF.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999 en 12 juni 2002, R. W., 1998-99, 1346).
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70 WBTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cass. 21 januari 2005, R. W, 2005-2006, 1015).
De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen.
De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstellingen, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bijv. verzachtende omstandigheden) (zie conclusie advocaat-generaal Thijs bij Cass., 21 januari 2005, R. W, 2005-2006, 1015).
De rechtbank stelt vast dat ingevolge de wettelijke bepalingen meer bepaald het KB nr. 41 van 30.01.1987 de verschuldigde boete herleid werd tot 10 %. En dat er voor het niet tijdig indienen van de BTW-aangiften op grond van art. 701, § 4 WBTW en KB nr. 44 van 21.10.1996 een geldboete van … tot … euro per overtreding werd vastgesteld.
De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan niet tot gevolg hebben dat deze boeten niet kunnen worden verminderd.
In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete van … euro in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.
Het staat vast dat de gevorderde administratieve boeten verschuldigd zijn door het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW, hetgeen door eiseressen niet betwist wordt, en dit ongeacht de goede trouw die eiseressen inroepen.
Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor veelvuldige fouten welke te wijten zijn aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseressen, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete van … euro aan bij de feiten.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
In casu wordt gevorderd een geldboete ten bedrage van … euro kwijt te schelden.
Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseressen ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseressen tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 10.05.2011, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.