Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 15.03.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MAART 2007
Algemene rol nummer : 02/1229/A
In de zaak van :
T. Y. BVBA, met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,
eiseres,
voor wie optreedt meester L. D. B., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4/2,
verweerder,
voor wie optreedt meester E. V. A., advocaat te …, …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15.2.2007 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding d.d. 19.3.2002, de onderscheiden conclusies van de partijen, evenals het door verweerder neergelegde dossier.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt ertoe :
“…
de vordering ontvankelijk te verklaren en te zeggen voor recht dat de opgelegde administratieve verhoging niet kan worden opgelegd,
in hoofdorde, omdat het onderliggende dwangbevel nietig is wegens schending van de motivatievereiste,
ondergeschikt omdat zij niet gegrond is;
ondergeschikt, de opgelegde belastingverhoging substantieel te verminderen tot een redelijk niveau rekening houdend met de materiële misslag van concluante;
de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding,
(…)”
3. FEITEN EN GESCHIL
1. Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige actief in de transportsector.
2. Naar aanleiding van een BTW-controle m.b.t. de jaren 1998 en 1999 werden twee minnelijke inregelstellingen opgesteld.
3. Een eerste heeft betrekking op vergissingen inzake aftrek en onttrekkingen (stuk 1 A.D.).
4. Een tweede heeft betrekking op correcties in de omzet.
4.1. Er werd vastgesteld dat een aantal facturen en stukken i.v.m. de verkoop van tweedehandse opleggers en trekkers in België niet ingeschreven werden in het boek voor uitgaande facturen, (inbreuk op artikel 54 W.BTW en art. 14, § 2, 2° van het KB nr.1 van 29 december 1992).
Het betreft telkens uitgaande facturen uitgereikt aan NV T. H. T. C..
| Factuur | Datum | Maatstaf van heffing | BTW | Datum van betaling |
| 980750 | 10.4.98 | 430.000 | 90.300 | 16.4.98 |
| 980751 | 10.4.98 | 450.000 | 94.500 | 16.4.98 |
| 980752 | 10.4.98 | 450.000 | 94.500 | 16.4.98 |
| 980753 | 10.4.98 | 1.000.000 | 210.000 | 16.4.98 |
| 981671 | 14.8.98 | 1.000.000 | 210.000 | 19.8.98 |
| 981672 | 14.8.98 | 1.000.000 | 210.000 | 19.8.98 |
Totaal : 4.330.000 frank 909.300 frank
4.2. Bij nazicht van de verkoopfacturen bleek dat de hogervermelde factuurnummers van de facturen uitgereikt aan de NV T. H. T. C. reeds werden aangewend om transportkosten te factureren aan andere afnemers. Deze facturen werden wel in de boekhouding opgenomen.
4.3. Wat de verkoop van de tweedehandse trekkers en opleggers betreft wordt vastgesteld dat deze verkopen op 10.12.1998 en op 31.12.1998 nog eens vermeld worden op verkoopfacturen aan L. en V. d. W. twee Nederlandse belastingplichtigen waarvoor eiseres op de factuur de vrijstelling van BTW toepast.
4.4. Er werd vastgesteld dat de betalingen die de NV T. H. T. C. verricht op 15.4.1998 in de boekhouding worden aangewend om de facturen die op 10.12.1998 en op 31.12.1998 worden uitgeschreven aan de Nederlandse klanten te voldoen.
4.5. De ingevorderde bedragen voor deze tweede minnelijke inregelstelling bedragen :
- 909.300 frank (BTW) ingevolge de vastgestelde overtredingen en
- 1.818. 600 frank (boete : zijnde tweemaal de verschuldigde rechten) verschuldigd krachtens art. 70, § 1 W.BTW.
Overeenkomstig art. 1 in fine van het KB nr. 41 van 30.1.1987 is er geen vermindering van de boeten voorzien ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Eiseres is op 22.5.2001 akkoord met het bedrag van de BTW maar verzet zich tegen de boete. Eiseres betwist dat ze de bedoeling gehad heeft om de belasting te ontduiken.
Eiseres voert aan dat er enkel en alleen een verkeerde boeking zou geweest zijn wegens een verkeerde manipulatie van het computerprogramma zonder dat er ook maar enig opzet bij was. Eiseres verzoekt de "ontheffing van verdubbeling in overweging te nemen". (stuk 2 A.D.)
4.6. Op 5.6.2001 vult eiseres dit verzoek aan met een verzoekschrift tot kwijtschelding van boeten. (stuk 4 A.D.)
4.7. Op 6.11.2001 wordt aan eiseres de beslissing inzake het verzoek meegedeeld. (stuk 5 A.D.)
De directeur laat gelden dat de vaststellingen niet toelaten om de overtredingen te kwalificeren als loutere vergissingen omdat deze overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.
Om reden dat eiseres alsnog bereid is de BTW te voldoen (cfr. het akkoord) beslist de directeur in uitvoering van art. 9 van het Regentsbesluit van 18.3.1831 om de boete van 1.818.600 frank te verminderen tot 545.000 frank (of 60 % van de niet betaalde BTW).
4.8. Bij gebrek aan betaling wordt op 28.2.2002 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 5.3.2002 geviseerd en uitvoerbaar wordt verklaard en bij aangetekend schrijven d.d.7.3.2002 ter kennis wordt gebracht van eiseres. Eiseres is verschuldigd :
- als BTW : 22.540,96 EUR (909.300 frank)
- als geldboete ingevolge art. 70, § 1 W.BTW : 13.510,20 EUR (545.000 frank).
5. Op 19.2.2002 tekent eiseres verzet aan tegen het dwangbevel.
Eiseres laat gelden dat de administratieve boete niet kan worden opgelegd.
4. BESPREKING
1. Ter terechtzitting stelt eiseres dat zij de discussie beperkt tot volgende grieven :
De nietigheid van het dwangbevel omdat het niet geldig werd gemotiveerd wat betreft de opgelegde boete;
De bevoegdheid van de rechtbank om de opgelegde boete kwijt te schelden minstens te herleiden.
2. Nopens de geldigheid van het dwangbevel.
2.1. Eiseres stelt dat het dwangbevel nietig is omdat de opgelegde boete niet afdoende in rechte en in feite werd gemotiveerd (over de gevorderde BTW bestaat geen discussie).
Eiseres meent dat de administratie zich beperkt tot een verwijzing naar art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 d.d. 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten doch niet aangeeft uit welke handelingen zij afleidt dat eiseres handelde met het oogmerk belastingen te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken.
2.2. In casu werd het dwangbevel samen met de ondertekende minnelijke inregelstelling d.d. 22.5.2001 bij aangetekend schrijven d.d. 7.3.2002 aan eiseres ter kennis gebracht.
Terecht stelt eiseres dat het kwestieuze dwangbevel 29.7.1991 onderworpen betreffende is aan de motivering wet van de bestuurshandelingen.
Het dwangbevel is niet onderworpen aan enige wettelijke vormvereiste. Voor wat betreft de motivering kan in het dwangbevel verwezen worden naar de minnelijke inregelstelling die er samen mee betekend wordt.
Na nazicht van de voorliggende stukken stelt de rechtbank vast dat de minnelijke inregelstelling waarop het dwangbevel steunt afdoende is gemotiveerd en zowel de juridische als de feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen.
De minnelijke inregelstelling stelt op gedetailleerde wijze vast dat de boete wordt opgelopen door het feit van de overtreding zelf, in casu de niet betaling van de BTW als gevolg van de niet-inboeking van facturen waarop Belgische BTW werd aangerekend en dat uit het gebruik van dezelfde uitgaande factuurnummers voor andere verrichtingen en de facturatie van dezelfde goederen aan Nederlandse belastingplichtigen met toepassing van de vrijstelling van BTW blijkt dat eiseres handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken.
Wettelijk wordt de opgelegde boete wegens overtreding van de verplichting de belasting te voldoen verantwoord door te verwijzen naar art. 70, § 1 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 41 van 30.1.1987 waarvan artikel 1, laatste lid stelt : "De in de tabellen A tot J van de bij dit besluit opgenomen schaal is echter niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.”
Van een schending van de motiveringsplicht is dan ook geen sprake temeer eiseres zelf in haar verzoekschrift tot kwijtschelding van boete d.d. 11.6.2001 de zienswijze van verweerder verwoordt en weerlegt.
De opgelegde boete is afdoende gemotiveerd.
3. Nopens de hoegrootheid van de boete.
3.1. Eiseres betwist de inbreuk niet, doch meent dat zij geenszins het oogmerk heeft gehad om de belasting te ontduiken, dat de inbreuk een gevolg is van een fout in het computersysteem zodat de boete dient te worden kwijtgescholden.
Ondergeschikt meent eiseres dat de boete niet in verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtreding.
3.2. Verweerder laat gelden dat het oogmerk tot ontduiking van de belasting door de feiten en de stukken wordt aangetoond, dat de opgelegde boete volledig in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen.
3.3. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en mag in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie, en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. (Cass. 5.2.1999 R.W. 1998-99 , p. 1352 en R. W. 1999-2000, p. 640; Cass. 24.1.2002, R.W. 2002-03, p. 1017 en 1018).
Het toetsingsrecht moet de rechter in staat stellen na te gaan of de straf niet onevenredig is met de begane overtreding. Het staat aan de rechter te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van zodanige omvang.
In voorkomend geval zal de rechter op grond van voornoemde normen, de opgelegde straf opheffen of verminderen.
3.4. Eiseres betwist niet dat zij nagelaten heeft om de BTW die zij op de facturen aan de NV T. H. T. C. in rekening heeft gebracht te voldoen binnen de in art. 53, 4° W.BTW voorziene termijn.
De boete opgelegd in toepassing van art.70, § 1 W.BTW is een strafsanctie in de zin van art. 6 EVRM.
Eiseres tracht tevergeefs de niet opneming van de facturen in de boekhouding, het dubbel gebruik van de factuurnummers en de facturatie van dezelfde goederen onder vrijstelling van BTW als een vergissing te doen voorkomen.
Uit de voorgelegde stukken en de chronologie der feiten blijkt dat eiseres fictieve facturen heeft opgesteld op naam van Nederlandse belastingplichtigen waarmee ze geen commerciële relatie heeft en die in elk geval niet tussenkwamen in de verkoop van voormelde opleggers en trucks. Op die wijze heeft zij getracht de voldoening van de BTW die ze heeft aangerekend aan de NV T. H. T. C. te ontwijken door de verkoop van de trucks voor te stellen als een intracommunautaire levering welke vrijgesteld is van BTW ingevolge art.39bis W.BTW. Bovendien werden de factuurnummers van de facturen uitgereikt aan de NV T. H. T. reeds aangewend om transportkosten te factureren. Dit alles wijst erop dat eiseres het oogmerk had de belasting te ontduiken.
De administratie maakt dan ook terecht toepassing van art. 1 in fine van het KB nr. 41 van 30.1.1987 zodat een boete werd opgelegd van het dubbel van de verschuldigde rechten.
Gezien eiseres zich bereid had verklaard de belasting te voldoen heeft de directeur bij beslissing van 6.11.2001 overeenkomstig art. 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 de boete verminderd tot 13.510,20 EUR (545.000 frank) of 60 % van de niet betaalde belasting.
3.5. In casu moet worden vastgesteld dat een boete van 13.510,20 EUR of 60 % van de ontdoken BTW niet onevenredig is met de door eiseres begane inbreuken.
Er dient op gewezen dat eiseres zich bewust schuldig heeft gemaakt aan ontduiking van BTW. Bovendien heeft eiseres ondanks haar voorgewende intentie t.o.v. de directeur de achterstallige sommen tot op heden niet voldaan.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleegd.
Alle meeromvattende of strijdige conclusied verwerpend als niet terzake dienend;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond;
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :
- aan de zijde van eiseres :
rechtsplegingsvergoeding : € 364,40
- aan de zijde van verweerder :
rechtsplegingsvergoeding : € 364,40;
Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 15 maart 2007, waar aanwezig waren :
J. D. B., alleenzetelend rechter,
M. V., griffier.
M. V. J. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.