Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.08.2009, Zaak F.07.0071.F
Verzet tegen het dwangbevel
Territoriale bevoegdheid
Samenvatting
De beslissing om de toepassing van art. 632, Ger. W. en van M.B. 10 juni 1985 te weigeren, het Hof van Beroep te Luik onbevoegd te verklaren en de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel te verwijzen, is niet naar recht verantwoord, aangezien noch de artt. 13 en 156, noch de artt. 10 en 11 Gw., beletten dat bepaalde belastingplichtigen die gevestigd zijn in de provincie Waals-Brabant, onder het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde te Namen II vallen.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. F.07.0071.F
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
I.D.L.N., naamloze vennootschap.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 februari 2007 gewezen door
het Hof van Beroep te Luik.
Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1, 2, 8, 10, 556, 569, eerste lid, 32°, 622, 624, 632, inzonderheid eerste
lid, 643, 660 en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van
de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
- de artikelen 85 en 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde ;
- de artikelen 1, 2, inzonderheid §3, en 7, inzonderheid titel VIII "Directie - BTW
Namen", van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van nieuwe
inspecties, controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de sector der
belasting over de toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de zetel, de
benaming, het ressort en de bevoegdheden van sommige van deze buitendiensten bij
de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en
domeinen;
- de artikelen 2, §1, en 5 van het koninklijk besluit van 20 december 1935 houdende
uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken;
- de artikelen 10, 11, 13, 36, 37, 108, 156 en 159 van de Grondwet.
Aangevochten beslissing
Het arrest wijzigt het bestreden vonnis, verklaart het Hof van Beroep te Luik onbevoegd
om kennis te nemen van het door de verweerster ingestelde hoger beroep, verwijst de
zaak en de partijen naar het Hof van Beroep te Brussel, en houdt de kosten aan, op de
volgende gronden:
"Te dezen loopt een procedure inzake de belasting over de toegevoegde waarde, die
betrekking waarin een vennootschap betrokken is die gevestigd is in Waals-Brabant en
die onder een controlebureau van Waals-Brabant valt, dat afhangt van het
ontvangkantoor en de directie te Namen;
Wat dat betreft is de bevoegdheid ratione loci van openbare orde; (…) ook al is deze
kwestie niet besproken in eerste aanleg, moet het hof (van beroep) dit probleem
ambtshalve opwerpen, indien het zulks nodig acht, wat op de pleitzitting is geschied,
zodat de partijen hun mening hierover te kennen kunnen geven ; (…) volgens artikel 632
van het Gerechtelijk Wetboek moet wat dat betreft rekening worden gehouden met het
rechtsgebied waarin de belastingdienst gelegen is die de bestreden maatregel heeft
genomen of het kantoor waar de belasting werd of moet worden geïnd, wat door de
administratie zelf bepaald wordt;
Indien die redenering in dit stadium niet doorgetrokken wordt, dan zou
noodzakelijkerwijs moeten worden aangenomen dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te
Namen bevoegd is (…), zodat het hof (van beroep) contra legem handelt als het zich
onbevoegd zou verklaren;
Niettemin, (…) ook al vloeit de aanwijzing van de bevoegde rechter in dit geval voort uit
bestuursrechtelijke bepalingen, dan nog moeten de gerechten waarbij de zaak aanhangig
is gemaakt de regelmatigheid van dergelijke bepalingen nagaan, zoniet zou de
administratie zonder enig toezicht handelen, terwijl ze haar rechten moet uitoefenen met
eerbiediging van de Grondwet en van de wetten;
In dit verband (…) heeft het Arbitragehof, dat kennisnam van een prejudiciële vraag over
de vermeende discriminatie van Waals-Brabantse vennootschappen, die verplicht zouden
zijn om hun belastingzaak buiten de provincie te pleiten, onderstreept dat het betrokken
verschil in behandeling het gevolg is van een administratieve beslissing waarover zij
krachtens artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 geen uitspraak kan
doen (arrest 55/2002 van 13 maart 2002);
In administratieve zaken zijn het immers de hoven en rechtbanken van de rechterlijke
orde die, krachtens artikel 159 van de Grondwet een rechtstreeks wettigheidstoezicht
uitoefenen, zonder dat dit afbreuk doet aan de mogelijkheid om voor de Raad van State
een procedure tot nietigverklaring in te leiden (cfr., bijvoorbeeld, het arrest van 24
januari 2002 betreffende het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van
artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale
zaken (…));
Te dezen heeft het Hof (van Beroep te Luik) deze vraag inzake directe belasting reeds
behandeld (zie arrest van 25 juni 1999, F.J.F. nr. 99/212), door met name de vraag te
stellen of de betrokken administratieve beslissing wel degelijk bekendgemaakt was en of
die beslissing door een ondergeschikte overheid kon worden genomen. De administratie
heeft blijkbaar noch dat arrest noch de daaropvolgende, in vroegere belastingprocedures
gewezen arresten betwist;
Uit de terechtzitting volgt dat die vragen over het thans gerezen probleem zijn
beantwoord op grond van het naar behoren bekendgemaakt ministerieel besluit van 10
juni 1985, dat de bevoegdheden ratione loci van de thans betrokken controle-, ontvang-
en directiekantoren vastlegt ; (…) toch heeft het hof (van beroep) de overeenstemming
van dat besluit met de Grondwet in vraag gesteld, wat, in geval van een negatief
antwoord, kon leiden tot de weigering van het hof om voornoemd besluit toe te passen;
In de lijn van de voormelde rechtspraak moet worden vastgesteld dat artikel 156 van de
Grondwet bepaalt dat het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel ook de
provincie Waals-Brabant omvat en dat de belastingschuldigen of belastingplichtigen die
hun woonplaats of hun maatschappelijke zetel in die provincie gevestigd hebben, aldus de
waarborg hebben dat ze in de nabijheid op het gerecht een beroep kunnen doen, zodat de
toewijzing van het ontvangkantoor te Namen en van de directie te Namen aan bepaalde
belastingschuldigen uit Waals-Brabant, in de zin van artikel 13 van de Grondwet, hen
onttrekt aan de rechter die hen door laatstgenoemde is toegekend;
De noodzaak om de belastingschuldige of de belastingplichtige dichter bij zijn rechter te
brengen, is voor het overige herhaald in het voormelde arrest van de Raad van State van
24 januari 2002 ; (…) die doelstelling wordt te dezen niet bereikt, wanneer de
administratie een vennootschap uit Geldenaken verplicht om in Namen in plaats van in
Nijvel te pleiten en in hoger beroep in Luik in plaats van in Brussel te pleiten;
De houding van de administratie is des te minder begrijpelijk, daar zij voor de belasting
van natuurlijke personen uit Waals-Brabant dat beginsel van het dichtstbijzijnde gerecht
eerbiedigt, maar voor de belasting over de toegevoegde waarde bepaalde
belastingplichtigen van dezelfde provincie bijgevolg discrimineert - een discriminatie die
niet verantwoord is en die daarenboven strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet ; (…) wat dat betreft moet worden vastgesteld dat de regeling verschillend is
voor de belastingplichtigen in het minst oostelijke deel van die provincie, die weliswaar
ook vallen onder de directie te Namen, maar daarentegen afhangen van het
ontvangkantoor te Nijvel, zodat de administratie een diversificatie in de bevoegd geachte
gerechten heeft doorgevoerd volgens criteria die onvoldoende verantwoord blijken te
zijn;
Artikel 159 van de Grondwet verbiedt (…) (het hof van beroep) klaarblijkelijk een
ministerieel besluit toe te passen dat de voormelde beginselen niet eerbiedigt ; (…) het
hof van beroep moet zich bijgevolg onbevoegd verklaren en moet de zaak, met toepassing
van de artikelen 643 en 660 van het Gerechtelijk Wetboek, verwijzen naar de plaats waar
het hoger beroep volgens de Grondwet behandeld moet worden, d.w.z. naar het
rechtsgebied waarvan Waals-Brabant afhangt".
Grieven
Behoudens een bijzondere afwijkende en uitdrukkelijke bepaling, volgt uit de artikelen 1,
8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek met name dat de territoriale bevoegdheid van de
rechtbanken van de rechterlijke orde door dat wetboek geregeld wordt, waarbij de
bepalingen betreffende de territoriale bevoegdheid van de gerechten nu eens de wil van
de rechtzoekenden aanvullen, naar het voorbeeld van artikel 624 van het Gerechtelijk
Wetboek, dan weer in bepaalde gevallen van openbare orde zijn.
De bevoegdheid van de hoven van beroep, waarvan het aantal en het rechtsgebied
bepaald worden in artikel 156 van de Grondwet, is, van haar kant, steeds van openbare
orde en in geen geval kan één ervan kennisnemen van een rechtsmiddel tegen een
beslissing van een rechtbank van eerste aanleg waarvan de zetel niet gelegen is in het
rechtsgebied van dat hof, zoals het omschreven is in de voormelde grondwettelijke
bepaling. Voor het overige heeft laatstgenoemde bepaling geen enkele weerslag op de
omvang van de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg.
Nochtans, en buiten de gevallen waarop deze zaak geen betrekking heeft, en waarin het
hof van beroep met name in eerste aanleg kennisneemt van bepaalde zaken, moet het hof
van beroep, wanneer het kennisneemt van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een
rechtbank van eerste aanleg waarvan de zetel in zijn rechtsgebied gelegen is, en vaststelt
dat die rechtbank territoriaal onbevoegd was en de zaak, wegens een bepaling van
openbare orde die deze bevoegdheid ratione loci regelt, had moeten verwijzen naar een
rechtbank die zitting houdt in het rechtsgebied van een ander hof van beroep, zich zelf
onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar het hof waarvan de wettelijk bevoegde
rechtbank van eerste aanleg afhing. Dat is het oogmerk van artikel 643 van het
Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk "in de gevallen waarin een exceptie van
onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, deze
over het middel beslist en de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde
rechter in hoger beroep verwijst".
Wanneer, daarentegen, de bestreden beslissing is gewezen door de territoriaal bevoegde
rechter, die afhangt van het rechtsgebied van het hof van beroep, kan dat hof de zaak niet
naar een andere appelrechter verwijzen, zelfs niet in naam van een zogenaamd beginsel
van nabijheid dat zou zijn vastgelegd in artikel 13 van de Grondwet. Die bepaling legt
dergelijk beginsel immers niet op maar beperkt zich ertoe elke handeling, en met name
elke administratieve handeling, te verbieden die de rechtzoekende zou onttrekken aan de
"natuurlijke" rechter die de wet hem toekent. Onder "wet" moet uiteraard niet alleen de
wet in de strikte zin van het woord worden verstaan, maar ook de koninklijke en
ministeriële besluiten die ter uitvoering van en in overeenstemming met "de wet" zijn
genomen, zoals bedoeld in de artikelen 36, 37, 108 en 159 van de Grondwet. Volgens
laatstgenoemde bepaling mogen de hoven en rechtbanken de toepassing van een
welbepaald besluit van de uitvoerende macht slechts weigeren, in zoverre het niet
overeenstemt met de machtigingswet of met een hogere wettelijke bepaling.
Artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het gewijzigd is bij artikel 7 van de wet
van 23 maart 1999, dat te dezen van toepassing is, bepaalt dat "ieder geschil betreffende
de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting
houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar
de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de
inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden
beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure (…).
De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen,
die kennisnemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij
bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is".
De criteria die artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek in aanmerking neemt om de
territoriale bevoegdheid van de rechtbanken inzake betwistingen over een belastingwet te
bepalen, met name het rechtsgebied waarin het ontvangkantoor is gelegen of, indien de
betwisting geen verband houdt met de inning van een belasting, het rechtsgebied waarin
de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beslissing heeft getroffen, zijn objectief en
ter zake dienend.
Wat dat betreft bepaalt artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat,
"onverminderd artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voor de geschillen
betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de
rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen bevoegd zijn de rechtbank van eerste
aanleg:
te Aarlen, voor de Provincie Luxemburg;
te Brugge, voor de Provincie West-Vlaanderen;
te Hasselt, voor de Provincie Limburg;
(…) te Namen, voor de Provincie Namen;
te Nijvel, voor de Provincie Waals-Brabant".
Die bepaling wijkt niet af van de algemene regel van artikel 632, eerste lid, van het
Gerechtelijk Wetboek, dat deze bevoegdheid verleent aan de rechtbanken die afhangen
van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het ontvangkantoor gelegen is, maar
preciseert dit kantoor alleen maar, aangezien er, volgens de betrokken belasting - een
directe of indirecte belasting en binnen elke belastingheffing -, wettelijk een of meer
ontvangkantoren in het rechtsgebied van hetzelfde hof van beroep kunnen bestaan, terwijl
de ontvangkantoren, volgens de in aanmerking te nemen belasting, niet dezelfde zijn,
aangezien dit afhangt van wat de wetgever zelf, in elk bijzonder domein, aangeeft.
In tegenstelling tot de regeling, eigen aan de directe belastingen (artikel 377 van het
Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), dat het hof van beroep, vóór de hervorming
door de wet van 23 maart 1999, rechtstreeks bevoegd verklaarde om kennis te nemen van
alle rechtsvorderingen tegen een belastingheffing, ongeacht of die belastingen betrekking
hadden op privé-personen dan wel op vennootschappen, heeft het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde de kennisneming van alle geschillen waartoe die
belastingregeling aanleiding kon geven, steeds opgedragen aan de rechtbanken van de
rechterlijke orde, overeenkomstig de regels van het gemeen recht die zijn vervat in het
oud artikel 89, tweede en derde lid, van dat wetboek, dat, wat dat betreft, de regel
herhaalt die vervat is in het oud artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, en slechts
preciseert dat "(het verzet tegen dwangbevel) aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank
waaronder het kantoor ressorteert van de ambtenaar (die het dwangbevel heeft
uitgevaardigd)".
Artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij
artikel 91 van de wet van 28 december 1992, bepaalt, in het eerste lid, dat "bij gebreke
van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren,
door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd ; dit
wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de
administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of
door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning,
door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de
door hem aangewezen ambtenaar (…)", en voegt in het tweede lid, 3°, hieraan toe dat
"die kennisgeving (…) de belastingschuldige in staat stelt verzet aan te tekenen tegen de
tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89", dat krachtens
artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 van toepassing is op de belastingen, interesten
en fiscale geldboeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vanaf 1
januari 1999, en dat in zijn tweede lid, zoals gewijzigd bij artikel 59 van voormelde wet,
bepaalt dat "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit door
een vordering in rechte".
Die rechtsvordering valt, wat betreft de territoriale bevoegdheid van de rechtbank die
hiervan verplicht moet kennisnemen, onder artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek: het verzet tegen een dwangbevel, dat kennelijk een geschil is over de toepassing
van een belastingwet, moet ter kennis worden gebracht "van de rechter die zitting houdt
ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied" het ontvangkantoor gelegen is en
moet, wanneer het ontvangkantoor gevestigd is in de provincie Namen, elk hoger beroep
tegen een van die beslissingen krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart
1999 ingesteld worden voor het Hof van Beroep te Luik.
Krachtens de wet kan er dus geen rekening worden gehouden met de woonplaats of de
maatschappelijke zetel van de belastingplichtige.
Inzake belasting over de toegevoegde waarde werd de bevoegdheid van de
ontvangkantoren, d.w.z. de bevoegdheid om de belasting te innen, ingevoerd en bepaald
door het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van nieuwe inspecties,
controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de sector der belasting over de
toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de zetel, de benaming, het ressort en de
bevoegdheden van sommige van deze buitendiensten bij de Administratie van de belasting
over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, dat regelmatig is bekendgemaakt
in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 1985. De artikelen 1 en 2, § 3, van dat besluit
hebben met name het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde waarde te
Namen II opgericht, dat valt onder de bevoegdheid van de gewestelijke directie van de
belasting over de toegevoegde waarde te Namen, terwijl artikel 7 preciseert dat
"ingevolge de oprichting (…) van de onder artikel 2, §3, vermelde ontvangkantoren-
BTW, de ressorten van de hierna vermelde ontvangkantoren-BTW, ingedeeld per
bevoegde directie-BTW, als volgt zijn vastgesteld : (…) VIII. Directie - BTW Namen :
(…) Namen II - Controles-BTW die bediend worden door het ontvangkantoor-BTW : (…)
Geldenaken - Ressort : Gemeente (…) Geldenaken".
Wat dat betreft moet erop gewezen worden dat de aanhef van het ministerieel besluit van
10 juni 1985 onder andere verwijst naar het koninklijk besluit van 20 december 1935
houdende uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken,
waarvan het artikel 2, § 1, bepaalt dat "de Minister de maatregelen mag nemen voorzien
in artikel 10 van het koninklijk besluit van 4 mei 1920 betreffende de vaststelling van de
ambtsgebieden der directies, inspecties, controles en ontvangerijen der rechtstreekse
belastingen en der douane en accijnzen", terwijl artikel 5 van dat koninklijk besluit
daarenboven bepaalt dat "binnen de perken en onder de voorwaarden door hem bepaald,
de Minister de hem bij dit besluit, bij voormelde besluiten van 8 september 1896, van 4
mei 1920, van 8 september 1930, van 21 december 1931, van 10 oktober 1932 en bij
artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1935 toegekende macht aan
ondergeschikte overheden mag overdragen".
Het verzet tegen het dwangbevel dat tegen de verweerster is uitgevaardigd door de
eerstaanwezend inspecteur a.i. van het ontvangkantoor van de belasting over de
toegevoegde waarde Namen II, die daartoe wettelijk bevoegd is, daar de
belastingplichtige zijn woonplaats of zetel in het rechtsgebied van dat ontvangkantoor
heeft, moest dus alleszins voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen worden
gebracht, aangezien alleen die rechtbank krachtens artikel 632 van het Gerechtelijk
Wetboek bevoegd is.
Uit de omstandigheid dat bepaalde belastingplichtigen in de provincie Waals-Brabant
afhangen van het ontvangkantoor te Namen, terwijl anderen afhangen van het
ontvangkantoor te Nijvel, kan geen enkele onwettigheid en evenmin enige discriminatie
tussen de rechtzoekenden ten aanzien van de reglementering worden afgeleid, aangezien
alle belastingplichtigen die vallen onder een bepaald rechtsgebied van een
ontvangkantoor of behoren tot een bepaalde categorie van belastingplichtigen, onder
dezelfde reglementering en onder dezelfde territoriale bevoegdheid vallen.
Het arrest kon, om de in het middel herhaalde redenen, bijgevolg niet wettig beslissen dat
de aanwijzing van het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde waarde
Namen II, als kantoor waar de belasting moest worden geïnd en dat de door de
verweerster betwiste dwangmaatregel had genomen, onwettig was en dat het Hof van
Beroep te Luik er geen rekening mee mocht houden (schending van de artikelen 10, 11,
13, 36, 37, 108, 159 en 190 van de Grondwet, 85 en 89 van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, 1, 2, inzonderheid § 3 en 7 van het koninklijk besluit van 20
december 1935), dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen bijgevolg territoriaal
onbevoegd was om kennis te nemen van het verzet van de verweerster, wier
maatschappelijke zetel gelegen is te Geldenaken (ex Melin), in de provincie Waals-
Brabant (schending van de artikelen 13 en 156 van de Grondwet, 1, 2, 8, 10, 556, 569,
eerste lid, 32°, 622, 632, 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek en 1 van het koninklijk
besluit van 26 maart 1999) en dat de zaak en de partijen bijgevolg verwezen moesten
worden naar het Hof van Beroep te Brussel (schending van de artikelen 643 en 660 van
het Gerechtelijk Wetboek).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ieder geschil
betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de
rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het
kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het
geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de
belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen.
Krachtens artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke
inrichting in fiscale zaken kan de Koning, in het rechtsgebied van het hof van
beroep, andere rechters aanwijzen die kennisnemen van geschillen betreffende de
toepassing van een belastingwet en het gebied bepalen waarbinnen de rechter
territoriaal bevoegd is.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 ter uitvoering van dat
artikel 7 bepaalt met name dat, onverminderd artikel 632, eerste lid, van het
Gerechtelijk Wetboek, voor de geschillen die tot de bevoegdheid van de
rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen de Rechtbank van Eerste Aanleg te
Namen bevoegd is voor de provincie Namen.
Artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 20 december 1935 houdende
uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken verleent
die minister de bevoegdheid om de ambtsgebieden van de ontvangkantoren van
directe en indirecte belastingen te bepalen.
De artikelen 1 en 2 van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van
nieuwe inspecties, controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de
sector der belasting over de toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de
zetel, de benaming, het ressort en de bevoegdheden van sommige van deze
buitendiensten bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde,
registratie en domeinen, richten een ontvangkantoor van de belasting over de
toegevoegde waarde Namen II op, en artikel 7 van dat besluit bepaalt dat dit
kantoor met name ook bevoegd is voor het controlebureau van de belasting over
de toegevoegde waarde te Geldenaken.
Noch de artikelen 13 en 156 noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet beletten
dat bepaalde belastingplichtigen, die gevestigd zijn in de provincie Waals-
Brabant, onder de bevoegdheid vallen van het ontvangkantoor van de belasting
over de toegevoegde waarde Namen II.
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het dwangbevel aan
de verweerster is betekend door de ontvanger van het ontvangkantoor van de
belasting over de toegevoegde waarde dat de controle op de belasting over de
toegevoegde waarde te Geldenaken uitoefent, dit is het ontvangkantoor Namen II.
Het verzet van de verweerster tegen het dwangbevel moest bijgevolg, met
toepassing van de voormelde bepalingen, worden gedaan bij de Rechtbank van
Eerste Aanleg te Namen en, in hoger beroep, bij het Hof van Beroep te Luik.
Het arrest verantwoordt zijn beslissing om artikel 632 van het Gerechtelijk
Wetboek en van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 niet toe te passen, het
Hof van Beroep te Luik onbevoegd te verklaren en de zaak naar het Hof van
Beroep te Brussel te verwijzen, niet naar recht.
Het middel is gegrond.
Wanneer het Hof een beslissing vernietigt wegens miskenning van een
bevoegdheidsregel, verwijst het de zaak, overeenkomstig artikel 660 van het
Gerechtelijk Wetboek, naar de bevoegde rechter die het aanwijst.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het
vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het anders samengestelde Hof van Beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door
afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Daniel Plas,
Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 28 mei 2009
uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van
advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en
overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De voorzitter,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.