Verzet tegen het dwangbevel, territoriale bevoegdheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 25 augustus 2009

Zoeken

Verzet tegen het dwangbevel, territoriale bevoegdheidverzet tegen het dwangbevel - territoriale bevoegdheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-territoriale-bevoegdheid-cassatie-brussel-2009-08-25-63b9

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
25 augustus 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

352 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.08.2009, Zaak F.07.0071.F

Verzet tegen het dwangbevel

Territoriale bevoegdheid

Samenvatting

De beslissing om de toepassing van art. 632, Ger. W. en van M.B. 10 juni 1985 te weigeren, het Hof van Beroep te Luik onbevoegd te verklaren en de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel te verwijzen, is niet naar recht verantwoord, aangezien noch de artt. 13 en 156, noch de artt. 10 en 11 Gw., beletten dat bepaalde belastingplichtigen die gevestigd zijn in de provincie Waals-Brabant, onder het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde te Namen II vallen.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.07.0071.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

I.D.L.N., naamloze vennootschap.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 februari 2007 gewezen door

het Hof van Beroep te Luik.

Afdelingsvoorzitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, 2, 8, 10, 556, 569, eerste lid, 32°, 622, 624, 632, inzonderheid eerste

lid, 643, 660 en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van

de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;

- de artikelen 85 en 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde ;

- de artikelen 1, 2, inzonderheid §3, en 7, inzonderheid titel VIII "Directie - BTW

Namen", van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van nieuwe

inspecties, controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de sector der

belasting over de toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de zetel, de

benaming, het ressort en de bevoegdheden van sommige van deze buitendiensten bij

de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en

domeinen;

- de artikelen 2, §1, en 5 van het koninklijk besluit van 20 december 1935 houdende

uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken;

- de artikelen 10, 11, 13, 36, 37, 108, 156 en 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

Het arrest wijzigt het bestreden vonnis, verklaart het Hof van Beroep te Luik onbevoegd

om kennis te nemen van het door de verweerster ingestelde hoger beroep, verwijst de

zaak en de partijen naar het Hof van Beroep te Brussel, en houdt de kosten aan, op de

volgende gronden:

"Te dezen loopt een procedure inzake de belasting over de toegevoegde waarde, die

betrekking waarin een vennootschap betrokken is die gevestigd is in Waals-Brabant en

die onder een controlebureau van Waals-Brabant valt, dat afhangt van het

ontvangkantoor en de directie te Namen;

Wat dat betreft is de bevoegdheid ratione loci van openbare orde; (…) ook al is deze

kwestie niet besproken in eerste aanleg, moet het hof (van beroep) dit probleem

ambtshalve opwerpen, indien het zulks nodig acht, wat op de pleitzitting is geschied,

zodat de partijen hun mening hierover te kennen kunnen geven ; (…) volgens artikel 632

van het Gerechtelijk Wetboek moet wat dat betreft rekening worden gehouden met het

rechtsgebied waarin de belastingdienst gelegen is die de bestreden maatregel heeft

genomen of het kantoor waar de belasting werd of moet worden geïnd, wat door de

administratie zelf bepaald wordt;

Indien die redenering in dit stadium niet doorgetrokken wordt, dan zou

noodzakelijkerwijs moeten worden aangenomen dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te

Namen bevoegd is (…), zodat het hof (van beroep) contra legem handelt als het zich

onbevoegd zou verklaren;

Niettemin, (…) ook al vloeit de aanwijzing van de bevoegde rechter in dit geval voort uit

bestuursrechtelijke bepalingen, dan nog moeten de gerechten waarbij de zaak aanhangig

is gemaakt de regelmatigheid van dergelijke bepalingen nagaan, zoniet zou de

administratie zonder enig toezicht handelen, terwijl ze haar rechten moet uitoefenen met

eerbiediging van de Grondwet en van de wetten;

In dit verband (…) heeft het Arbitragehof, dat kennisnam van een prejudiciële vraag over

de vermeende discriminatie van Waals-Brabantse vennootschappen, die verplicht zouden

zijn om hun belastingzaak buiten de provincie te pleiten, onderstreept dat het betrokken

verschil in behandeling het gevolg is van een administratieve beslissing waarover zij

krachtens artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 geen uitspraak kan

doen (arrest 55/2002 van 13 maart 2002);

In administratieve zaken zijn het immers de hoven en rechtbanken van de rechterlijke

orde die, krachtens artikel 159 van de Grondwet een rechtstreeks wettigheidstoezicht

uitoefenen, zonder dat dit afbreuk doet aan de mogelijkheid om voor de Raad van State

een procedure tot nietigverklaring in te leiden (cfr., bijvoorbeeld, het arrest van 24

januari 2002 betreffende het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van

artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale

zaken (…));

Te dezen heeft het Hof (van Beroep te Luik) deze vraag inzake directe belasting reeds

behandeld (zie arrest van 25 juni 1999, F.J.F. nr. 99/212), door met name de vraag te

stellen of de betrokken administratieve beslissing wel degelijk bekendgemaakt was en of

die beslissing door een ondergeschikte overheid kon worden genomen. De administratie

heeft blijkbaar noch dat arrest noch de daaropvolgende, in vroegere belastingprocedures

gewezen arresten betwist;

Uit de terechtzitting volgt dat die vragen over het thans gerezen probleem zijn

beantwoord op grond van het naar behoren bekendgemaakt ministerieel besluit van 10

juni 1985, dat de bevoegdheden ratione loci van de thans betrokken controle-, ontvang-

en directiekantoren vastlegt ; (…) toch heeft het hof (van beroep) de overeenstemming

van dat besluit met de Grondwet in vraag gesteld, wat, in geval van een negatief

antwoord, kon leiden tot de weigering van het hof om voornoemd besluit toe te passen;

In de lijn van de voormelde rechtspraak moet worden vastgesteld dat artikel 156 van de

Grondwet bepaalt dat het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel ook de

provincie Waals-Brabant omvat en dat de belastingschuldigen of belastingplichtigen die

hun woonplaats of hun maatschappelijke zetel in die provincie gevestigd hebben, aldus de

waarborg hebben dat ze in de nabijheid op het gerecht een beroep kunnen doen, zodat de

toewijzing van het ontvangkantoor te Namen en van de directie te Namen aan bepaalde

belastingschuldigen uit Waals-Brabant, in de zin van artikel 13 van de Grondwet, hen

onttrekt aan de rechter die hen door laatstgenoemde is toegekend;

De noodzaak om de belastingschuldige of de belastingplichtige dichter bij zijn rechter te

brengen, is voor het overige herhaald in het voormelde arrest van de Raad van State van

24 januari 2002 ; (…) die doelstelling wordt te dezen niet bereikt, wanneer de

administratie een vennootschap uit Geldenaken verplicht om in Namen in plaats van in

Nijvel te pleiten en in hoger beroep in Luik in plaats van in Brussel te pleiten;

De houding van de administratie is des te minder begrijpelijk, daar zij voor de belasting

van natuurlijke personen uit Waals-Brabant dat beginsel van het dichtstbijzijnde gerecht

eerbiedigt, maar voor de belasting over de toegevoegde waarde bepaalde

belastingplichtigen van dezelfde provincie bijgevolg discrimineert - een discriminatie die

niet verantwoord is en die daarenboven strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de

Grondwet ; (…) wat dat betreft moet worden vastgesteld dat de regeling verschillend is

voor de belastingplichtigen in het minst oostelijke deel van die provincie, die weliswaar

ook vallen onder de directie te Namen, maar daarentegen afhangen van het

ontvangkantoor te Nijvel, zodat de administratie een diversificatie in de bevoegd geachte

gerechten heeft doorgevoerd volgens criteria die onvoldoende verantwoord blijken te

zijn;

Artikel 159 van de Grondwet verbiedt (…) (het hof van beroep) klaarblijkelijk een

ministerieel besluit toe te passen dat de voormelde beginselen niet eerbiedigt ; (…) het

hof van beroep moet zich bijgevolg onbevoegd verklaren en moet de zaak, met toepassing

van de artikelen 643 en 660 van het Gerechtelijk Wetboek, verwijzen naar de plaats waar

het hoger beroep volgens de Grondwet behandeld moet worden, d.w.z. naar het

rechtsgebied waarvan Waals-Brabant afhangt".

Grieven

Behoudens een bijzondere afwijkende en uitdrukkelijke bepaling, volgt uit de artikelen 1,

8 en 10 van het Gerechtelijk Wetboek met name dat de territoriale bevoegdheid van de

rechtbanken van de rechterlijke orde door dat wetboek geregeld wordt, waarbij de

bepalingen betreffende de territoriale bevoegdheid van de gerechten nu eens de wil van

de rechtzoekenden aanvullen, naar het voorbeeld van artikel 624 van het Gerechtelijk

Wetboek, dan weer in bepaalde gevallen van openbare orde zijn.

De bevoegdheid van de hoven van beroep, waarvan het aantal en het rechtsgebied

bepaald worden in artikel 156 van de Grondwet, is, van haar kant, steeds van openbare

orde en in geen geval kan één ervan kennisnemen van een rechtsmiddel tegen een

beslissing van een rechtbank van eerste aanleg waarvan de zetel niet gelegen is in het

rechtsgebied van dat hof, zoals het omschreven is in de voormelde grondwettelijke

bepaling. Voor het overige heeft laatstgenoemde bepaling geen enkele weerslag op de

omvang van de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg.

Nochtans, en buiten de gevallen waarop deze zaak geen betrekking heeft, en waarin het

hof van beroep met name in eerste aanleg kennisneemt van bepaalde zaken, moet het hof

van beroep, wanneer het kennisneemt van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een

rechtbank van eerste aanleg waarvan de zetel in zijn rechtsgebied gelegen is, en vaststelt

dat die rechtbank territoriaal onbevoegd was en de zaak, wegens een bepaling van

openbare orde die deze bevoegdheid ratione loci regelt, had moeten verwijzen naar een

rechtbank die zitting houdt in het rechtsgebied van een ander hof van beroep, zich zelf

onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar het hof waarvan de wettelijk bevoegde

rechtbank van eerste aanleg afhing. Dat is het oogmerk van artikel 643 van het

Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk "in de gevallen waarin een exceptie van

onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, deze

over het middel beslist en de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde

rechter in hoger beroep verwijst".

Wanneer, daarentegen, de bestreden beslissing is gewezen door de territoriaal bevoegde

rechter, die afhangt van het rechtsgebied van het hof van beroep, kan dat hof de zaak niet

naar een andere appelrechter verwijzen, zelfs niet in naam van een zogenaamd beginsel

van nabijheid dat zou zijn vastgelegd in artikel 13 van de Grondwet. Die bepaling legt

dergelijk beginsel immers niet op maar beperkt zich ertoe elke handeling, en met name

elke administratieve handeling, te verbieden die de rechtzoekende zou onttrekken aan de

"natuurlijke" rechter die de wet hem toekent. Onder "wet" moet uiteraard niet alleen de

wet in de strikte zin van het woord worden verstaan, maar ook de koninklijke en

ministeriële besluiten die ter uitvoering van en in overeenstemming met "de wet" zijn

genomen, zoals bedoeld in de artikelen 36, 37, 108 en 159 van de Grondwet. Volgens

laatstgenoemde bepaling mogen de hoven en rechtbanken de toepassing van een

welbepaald besluit van de uitvoerende macht slechts weigeren, in zoverre het niet

overeenstemt met de machtigingswet of met een hogere wettelijke bepaling.

Artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het gewijzigd is bij artikel 7 van de wet

van 23 maart 1999, dat te dezen van toepassing is, bepaalt dat "ieder geschil betreffende

de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting

houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar

de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de

inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden

beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure (…).

De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen,

die kennisnemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij

bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is".

De criteria die artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek in aanmerking neemt om de

territoriale bevoegdheid van de rechtbanken inzake betwistingen over een belastingwet te

bepalen, met name het rechtsgebied waarin het ontvangkantoor is gelegen of, indien de

betwisting geen verband houdt met de inning van een belasting, het rechtsgebied waarin

de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beslissing heeft getroffen, zijn objectief en

ter zake dienend.

Wat dat betreft bepaalt artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 dat,

"onverminderd artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, voor de geschillen

betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de

rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen bevoegd zijn de rechtbank van eerste

aanleg:

te Aarlen, voor de Provincie Luxemburg;

te Brugge, voor de Provincie West-Vlaanderen;

te Hasselt, voor de Provincie Limburg;

(…) te Namen, voor de Provincie Namen;

te Nijvel, voor de Provincie Waals-Brabant".

Die bepaling wijkt niet af van de algemene regel van artikel 632, eerste lid, van het

Gerechtelijk Wetboek, dat deze bevoegdheid verleent aan de rechtbanken die afhangen

van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het ontvangkantoor gelegen is, maar

preciseert dit kantoor alleen maar, aangezien er, volgens de betrokken belasting - een

directe of indirecte belasting en binnen elke belastingheffing -, wettelijk een of meer

ontvangkantoren in het rechtsgebied van hetzelfde hof van beroep kunnen bestaan, terwijl

de ontvangkantoren, volgens de in aanmerking te nemen belasting, niet dezelfde zijn,

aangezien dit afhangt van wat de wetgever zelf, in elk bijzonder domein, aangeeft.

In tegenstelling tot de regeling, eigen aan de directe belastingen (artikel 377 van het

Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), dat het hof van beroep, vóór de hervorming

door de wet van 23 maart 1999, rechtstreeks bevoegd verklaarde om kennis te nemen van

alle rechtsvorderingen tegen een belastingheffing, ongeacht of die belastingen betrekking

hadden op privé-personen dan wel op vennootschappen, heeft het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde de kennisneming van alle geschillen waartoe die

belastingregeling aanleiding kon geven, steeds opgedragen aan de rechtbanken van de

rechterlijke orde, overeenkomstig de regels van het gemeen recht die zijn vervat in het

oud artikel 89, tweede en derde lid, van dat wetboek, dat, wat dat betreft, de regel

herhaalt die vervat is in het oud artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, en slechts

preciseert dat "(het verzet tegen dwangbevel) aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank

waaronder het kantoor ressorteert van de ambtenaar (die het dwangbevel heeft

uitgevaardigd)".

Artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij

artikel 91 van de wet van 28 december 1992, bepaalt, in het eerste lid, dat "bij gebreke

van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren,

door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd ; dit

wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de

administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of

door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning,

door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de

door hem aangewezen ambtenaar (…)", en voegt in het tweede lid, 3°, hieraan toe dat

"die kennisgeving (…) de belastingschuldige in staat stelt verzet aan te tekenen tegen de

tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89", dat krachtens

artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 van toepassing is op de belastingen, interesten

en fiscale geldboeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vanaf 1

januari 1999, en dat in zijn tweede lid, zoals gewijzigd bij artikel 59 van voormelde wet,

bepaalt dat "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit door

een vordering in rechte".

Die rechtsvordering valt, wat betreft de territoriale bevoegdheid van de rechtbank die

hiervan verplicht moet kennisnemen, onder artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk

Wetboek: het verzet tegen een dwangbevel, dat kennelijk een geschil is over de toepassing

van een belastingwet, moet ter kennis worden gebracht "van de rechter die zitting houdt

ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied" het ontvangkantoor gelegen is en

moet, wanneer het ontvangkantoor gevestigd is in de provincie Namen, elk hoger beroep

tegen een van die beslissingen krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart

1999 ingesteld worden voor het Hof van Beroep te Luik.

Krachtens de wet kan er dus geen rekening worden gehouden met de woonplaats of de

maatschappelijke zetel van de belastingplichtige.

Inzake belasting over de toegevoegde waarde werd de bevoegdheid van de

ontvangkantoren, d.w.z. de bevoegdheid om de belasting te innen, ingevoerd en bepaald

door het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van nieuwe inspecties,

controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de sector der belasting over de

toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de zetel, de benaming, het ressort en de

bevoegdheden van sommige van deze buitendiensten bij de Administratie van de belasting

over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, dat regelmatig is bekendgemaakt

in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 1985. De artikelen 1 en 2, § 3, van dat besluit

hebben met name het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde waarde te

Namen II opgericht, dat valt onder de bevoegdheid van de gewestelijke directie van de

belasting over de toegevoegde waarde te Namen, terwijl artikel 7 preciseert dat

"ingevolge de oprichting (…) van de onder artikel 2, §3, vermelde ontvangkantoren-

BTW, de ressorten van de hierna vermelde ontvangkantoren-BTW, ingedeeld per

bevoegde directie-BTW, als volgt zijn vastgesteld : (…) VIII. Directie - BTW Namen :

(…) Namen II - Controles-BTW die bediend worden door het ontvangkantoor-BTW : (…)

Geldenaken - Ressort : Gemeente (…) Geldenaken".

Wat dat betreft moet erop gewezen worden dat de aanhef van het ministerieel besluit van

10 juni 1985 onder andere verwijst naar het koninklijk besluit van 20 december 1935

houdende uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken,

waarvan het artikel 2, § 1, bepaalt dat "de Minister de maatregelen mag nemen voorzien

in artikel 10 van het koninklijk besluit van 4 mei 1920 betreffende de vaststelling van de

ambtsgebieden der directies, inspecties, controles en ontvangerijen der rechtstreekse

belastingen en der douane en accijnzen", terwijl artikel 5 van dat koninklijk besluit

daarenboven bepaalt dat "binnen de perken en onder de voorwaarden door hem bepaald,

de Minister de hem bij dit besluit, bij voormelde besluiten van 8 september 1896, van 4

mei 1920, van 8 september 1930, van 21 december 1931, van 10 oktober 1932 en bij

artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1935 toegekende macht aan

ondergeschikte overheden mag overdragen".

Het verzet tegen het dwangbevel dat tegen de verweerster is uitgevaardigd door de

eerstaanwezend inspecteur a.i. van het ontvangkantoor van de belasting over de

toegevoegde waarde Namen II, die daartoe wettelijk bevoegd is, daar de

belastingplichtige zijn woonplaats of zetel in het rechtsgebied van dat ontvangkantoor

heeft, moest dus alleszins voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen worden

gebracht, aangezien alleen die rechtbank krachtens artikel 632 van het Gerechtelijk

Wetboek bevoegd is.

Uit de omstandigheid dat bepaalde belastingplichtigen in de provincie Waals-Brabant

afhangen van het ontvangkantoor te Namen, terwijl anderen afhangen van het

ontvangkantoor te Nijvel, kan geen enkele onwettigheid en evenmin enige discriminatie

tussen de rechtzoekenden ten aanzien van de reglementering worden afgeleid, aangezien

alle belastingplichtigen die vallen onder een bepaald rechtsgebied van een

ontvangkantoor of behoren tot een bepaalde categorie van belastingplichtigen, onder

dezelfde reglementering en onder dezelfde territoriale bevoegdheid vallen.

Het arrest kon, om de in het middel herhaalde redenen, bijgevolg niet wettig beslissen dat

de aanwijzing van het ontvangkantoor van de belasting over de toegevoegde waarde

Namen II, als kantoor waar de belasting moest worden geïnd en dat de door de

verweerster betwiste dwangmaatregel had genomen, onwettig was en dat het Hof van

Beroep te Luik er geen rekening mee mocht houden (schending van de artikelen 10, 11,

13, 36, 37, 108, 159 en 190 van de Grondwet, 85 en 89 van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde, 1, 2, inzonderheid § 3 en 7 van het koninklijk besluit van 20

december 1935), dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen bijgevolg territoriaal

onbevoegd was om kennis te nemen van het verzet van de verweerster, wier

maatschappelijke zetel gelegen is te Geldenaken (ex Melin), in de provincie Waals-

Brabant (schending van de artikelen 13 en 156 van de Grondwet, 1, 2, 8, 10, 556, 569,

eerste lid, 32°, 622, 632, 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek en 1 van het koninklijk

besluit van 26 maart 1999) en dat de zaak en de partijen bijgevolg verwezen moesten

worden naar het Hof van Beroep te Brussel (schending van de artikelen 643 en 660 van

het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 632, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ieder geschil

betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de

rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het

kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het

geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de

belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen.

Krachtens artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke

inrichting in fiscale zaken kan de Koning, in het rechtsgebied van het hof van

beroep, andere rechters aanwijzen die kennisnemen van geschillen betreffende de

toepassing van een belastingwet en het gebied bepalen waarbinnen de rechter

territoriaal bevoegd is.

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 ter uitvoering van dat

artikel 7 bepaalt met name dat, onverminderd artikel 632, eerste lid, van het

Gerechtelijk Wetboek, voor de geschillen die tot de bevoegdheid van de

rechtbanken van eerste aanleg behoren, alleen de Rechtbank van Eerste Aanleg te

Namen bevoegd is voor de provincie Namen.

Artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 20 december 1935 houdende

uitbreiding van de macht van de Minister van Financiën in bestuurszaken verleent

die minister de bevoegdheid om de ambtsgebieden van de ontvangkantoren van

directe en indirecte belastingen te bepalen.

De artikelen 1 en 2 van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 tot oprichting van

nieuwe inspecties, controles en ontvangkantoren in de buitendiensten van de

sector der belasting over de toegevoegde waarde, alsmede tot wijziging van de

zetel, de benaming, het ressort en de bevoegdheden van sommige van deze

buitendiensten bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde,

registratie en domeinen, richten een ontvangkantoor van de belasting over de

toegevoegde waarde Namen II op, en artikel 7 van dat besluit bepaalt dat dit

kantoor met name ook bevoegd is voor het controlebureau van de belasting over

de toegevoegde waarde te Geldenaken.

Noch de artikelen 13 en 156 noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet beletten

dat bepaalde belastingplichtigen, die gevestigd zijn in de provincie Waals-

Brabant, onder de bevoegdheid vallen van het ontvangkantoor van de belasting

over de toegevoegde waarde Namen II.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het dwangbevel aan

de verweerster is betekend door de ontvanger van het ontvangkantoor van de

belasting over de toegevoegde waarde dat de controle op de belasting over de

toegevoegde waarde te Geldenaken uitoefent, dit is het ontvangkantoor Namen II.

Het verzet van de verweerster tegen het dwangbevel moest bijgevolg, met

toepassing van de voormelde bepalingen, worden gedaan bij de Rechtbank van

Eerste Aanleg te Namen en, in hoger beroep, bij het Hof van Beroep te Luik.

Het arrest verantwoordt zijn beslissing om artikel 632 van het Gerechtelijk

Wetboek en van het ministerieel besluit van 10 juni 1985 niet toe te passen, het

Hof van Beroep te Luik onbevoegd te verklaren en de zaak naar het Hof van

Beroep te Brussel te verwijzen, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Wanneer het Hof een beslissing vernietigt wegens miskenning van een

bevoegdheidsregel, verwijst het de zaak, overeenkomstig artikel 660 van het

Gerechtelijk Wetboek, naar de bevoegde rechter die het aanwijst.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het

vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het anders samengestelde Hof van Beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door

afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Daniel Plas,

Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 28 mei 2009

uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in aanwezigheid van

advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en

overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De voorzitter,

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8