Verwerpen recht op aftrek, Fictieve facturen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 24/3724/A 20 maart 2026

Zoeken

Verwerpen recht op aftrek, Fictieve facturen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verwerpen-recht-aftrek-fictieve-facturen-rechtbank-antwerpen-2026-03-20-b928

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Rolnummer
24/3724/A
Datum
20 maart 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

110 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 20.03.2026 (24/3724/A)

FIN 54932446

Verwerpen recht op aftrek - Fictieve facturen

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen

Sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis

20 maart 2026

Kamer AFi1

Rolnummer: 24/3724/A

Inzake:

K.D.

voorheen wonende te ..., thans wonende te ..., met rijksregisternummer ... en KBO: ...

eiser

- vertegenwoordigd ter zitting door meester Marc Leemans loco meester Hans Ubben, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Louizastraat 39,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie AABBI Antwerpen, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen AABBI Antwerpen, met als correspondentie adres Gaston Crommenlaan 6 bus 804 te 9050 Gent, KBO : 0308.357.159

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw Nathalie De Bock, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 18 september 2024, ingeschreven op 24 september 2024,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 oktober 2024,

- de wijzigende beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 16 december 2025,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 20 februari 2026.


1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-schuld met schuldnummer 500/2935/97855 zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202408NL004 op 5 augustus 2024 en uitvoerbaar verklaard op 6 augustus 2028, gebaseerd op het proces-verbaal van taxatie van 20 juni 2024.

Eiser heeft een eenmanszaak onder de benaming cie1 en is voor btw-doeleinden geregistreerd voor de activiteit "overige posterijen en koeriers". Eiser levert postpakketten en dergelijke en doet daarvoor ook een beroep op onderaannemers. Eiser heeft daarnaast een vennootschap opgericht in 2020 cie2, die gelijkaardige activiteiten verricht.

In 2021 vond er een eerste controle plaats waarbij er voor het tweede kwartaal van 2020 btw nagevorderd werd vanwege een niet-ingediende btw-aangifte. De correctieopgave werd door eiser ondertekend en goedgekeurd op 12 september 2021 (stuk 4 AD).

Naar aanleiding van een vraag tot teruggave van btw werd eind november 2022 een nieuwe controle opgestart met betrekking tot de kalenderjaren 2021 en 2022. Op 30 november 2022 werd een vraag om inlichtingen verstuurd aan eiser, waarop (na het verstrijken van de termijn) deels werd geantwoord (stuk 5 AD). Voor het aanleveren van de overige gevraagde gegevens werd eiser uitstel verleend, evenwel werd er geen bijkomende informatie meer bezorgd.

Op 26 januari 2023 verstuurde de administratie een vraag om inlichtingen gericht aan cie3 (stuk 6 AD). In de loop van februari 2023 werden de gevraagde gegevens door cie3 bezorgd, waaronder de uitgaande facturen van eiser aan cie3 (stuk 7 AD).

Bij gebrek aan verdere reactie van eiser werd op 8 maart 2023 een proces-verbaal van taxatie opgemaakt en op 9 maart 2023 ter kennis gebracht van eiser (stuk 1 AD). Op grond van dit proces-verbaal was eiser 103.060,73 euro verschuldigd als btw en 40.990,00 euro als geldboete, te vermeerderen met de interesten.

Op 17 oktober 2023 beantwoordde eiser alsnog de initiële vraag om inlichtingen en deelde hij zijn opmerkingen mee aangaande het proces-verbaal van 8 maart 2023.

In november en december 2023 nam de administratie inzage in het strafdossier met notitienummer HA.T.27.F1.7732-21 aangaande één van de onderaannemers van eiser, zijnde cie4 (stukken 8 en 9 AD).

Op 20 juni 2024 werd vervolgens een aanvullend en verbeterend proces-verbaal van taxatie opgemaakt en op dezelfde dag ter kennis gebracht van eiser (stuk 2 AD). Op grond van voormeld proces-verbaal werden volgende bedragen gevorderd van eiser:

- als btw: 95.757,98 euro

- als proportionele boete: in totaal 117.970,00 euro

- nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2023.

Op 5 augustus 2024 werd de schuld met schuldnummer 500/2935/97855 opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202408NL004 en op 6 augustus 2024 uitvoerbaar verklaard. Op 6 augustus 2024 werd een innings- en invorderingsbericht verstuurd naar eiser (stuk 3 AD).

Eiser diende een verzoek in tot vermindering van de opgelegde btw-boete op 9 augustus 2024, dat op 13 augustus 2024 werd afgewezen (stuk 10 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 september 2024 stelde eiser een vordering in rechte in.

2. Vorderingen van partijen

De vordering van eiser strekt ertoe het proces-verbaal van taxatie van 8 maart 2023 en het aanvullend proces-verbaal van 20 juni 2024 te vernietigen.

Verweerder verzoekt de rechtbank de vorderingen van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden invorderingsorder gekend onder het nummer 500/2935/97855 te handhaven en eiser te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiser is dan ook ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Miskenning van de rechtspersoon

Eiser voert vooreerst aan dat in het proces-verbaal van 20 juni 2024 geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de eenmanszaak van eiser en zijn vennootschap. Verder citeert verweerder uit het strafdossier waarvan niet blijkt of dit dossier betrekking heeft op de eenmanszaak van eiser dan wel op zijn vennootschap die in 2020 werd opgericht.

In conclusies alsook ter zitting verduidelijkt verweerder dat het strafdossier, waarin inzage werd verleend, geen betrekking heeft op de eenmanszaak van eiser noch op de vennootschap van eiser. Ook blijkt uit de inhoud van de processen-verbaal dat geen enkele vaststelling of inbreuk betrekking heeft op de vennootschap cie2 van eiser.

De rechtbank kan geen miskenning van de rechtspersoon vaststellen.

4.2. Bewijskracht processen-verbaal en stukken uit het strafdossier — schending rechten van verdediging

Eiser stelt verder dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden gelet op de selectieve en gecensureerde stukken uit het strafdossier met notitienummer HA.T.27.F1.77732-21 waardoor het onduidelijk is wat de inhoud en het gevolg is van het strafdossier. Uit deze stukken kan volgens eiser geen enkel besluit worden getrokken in het kader van de al dan niet kwade trouw van eiser. Verder wijst eiser er op dat de bewijskracht van een proces-verbaal van de administratie enkel geldt voor de werkelijke vaststellingen van de ambtenaren en niet voor loutere vermoedens of gevolgtrekkingen. De verwerping van de btw-aftrek van de inkomende facturen van cie4 en cie5 is volgens eiser louter en alleen gebaseerd op een samenlezing van verschillende elementen, wat geen concrete vaststelling is van de ambtenaren maar een louter vermoeden op basis van een gevolgtrekking uit een aantal eigen vaststellingen en de inhoud van een onbekend strafdossier, waaraan geen bijzondere bewijskracht kan worden verleend.

De rechtbank stelt vast dat de administratie in haar proces-verbaal van 20 juni 2024 weergeeft op basis van welke eigen materiële vaststellingen de taxatie is gebaseerd waarbij zij tevens verwijst naar enkele stukken uit het strafdossier met notitienummer HA.T.27.F1.77732-21 met betrekking tot de onderaannemer cie4 ter ondersteuning van deze vaststellingen. Deze eigen vaststellingen hebben wel degelijk bijzondere bewijswaarde, tot bewijs van het tegendeel. Eiser was voldoende in de mogelijkheid om zich te verdedigen op deze vaststellingen alsook op de verklaringen uit het strafdossier die deel uitmaken van het administratief dossier.

De rechtbank kan ter zake dan ook geen schending van de rechten van verdediging vaststellen.

4.3. Inbreuken op artikel 45, § 1 WBTW

Krachtens artikel 45, § 1, WBTW, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Het is derhalve eiser die moet bewijzen dat hij in de wettelijke omstandigheden verkeert om dit recht op aftrek te mogen uitoefenen.

. cie4 en cie5

De administratie heeft de in aftrek gebrachte btw op alle inkomende facturen van cie4 en cie5 verworpen aangezien door eiser niet wordt aangetoond dat er sprake was van werkelijke prestaties. Volgens de administratie betreffen deze inkomende facturen bovendien fictieve facturen.

De rechtbank stelt vast dat eiser ter staving van de werkelijkheid van de geleverde prestaties verwijst naar de afgesloten kaderovereenkomsten en de uitgereikte facturen. Wat deze facturen betreft dient vastgesteld te worden dat deze vaag geformuleerd zijn en geen enkel detail bevatten. Eiser brengt geen objectieve en controleerbare onderliggende stukken bij die de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties zouden kunnen staven.

De rechtbank is van oordeel dat de administratie terecht heeft geoordeeld dat de inkomende facturen van cie4 en cie5 fictieve facturen betreffen. De rechtbank verwijst naar de samenlezing van volgende vaststellingen en elementen die werden opgenomen in de processen-verbaal van taxatie van 8 maart 2023 en 20 april 2024:

- m.b.t. cie4:

o de kaderovereenkomst met cie4 dateert van 1 oktober 2021 en werd ondertekend door G.D., woonachtig te Bulgarije, hoewel deze pas vanaf 1 februari 2022 bestuurder is van cie4;

o volgens eiser was zijn contactpersoon V.D., deze verklaarde evenwel bij verhoor in het kader van het strafrechtelijk onderzoek sedert 1 juli 2021 slechts bestuurder op papier te zijn van cie4 (stuk 8 AD);

o geen van de chauffeurs die activiteiten hebben verricht als onderaannemer kunnen gelinkt worden aan cie4 of aan diens bestuurders, hetzelfde geldt voor de voertuigen die werden gebruikt voor de activiteiten (zie p. 4-5 proces-verbaal 20 juni 2024);

o in 2021 diende cie4 enkel nihil-aangiften in, in 2022 diende cie4 geen aangiften meer in;

o alle facturen van cie4 met betrekking tot het jaar 2021 werden in de boekhouding van eiser ingeboekt in het vierde kwartaal; cie4 werd niet opgenomen in de leverancierslisting van eiser;

o uit de verklaring van H.N. in het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat cie4 werd aangewend om valse en fictieve facturen uit te reiken aan verschillende vennootschappen;

o op 23 juni 2022 werd het faillissement van cie4 geopend;

- m.b.t. cie5:

o cie5 was voor btw doeleinden niet geregistreerd voor koerierdiensten;

o de bestuurder van cie5 is sinds 2 augustus 2022 B.I.H., niet woonachtig in België sinds 19 februari 2017; B.I.H. is tevens bestuurder van meer dan 25 vennootschappen (vermoeden van stroman);

o de maatschappelijke zetel van deze vennootschap werd op korte tijd verschillende keren verplaatst, sinds 2 augustus 2022 werd de maatschappelijke zetel van cie5 verplaatst naar ..., een adres dat gekend staat als postbusadres;

o de kaderovereenkomst die met cie5 afgesloten werd is gedateerd op 1 juli 2022 maar vermeldt de maatschappelijke zetel alsook de bestuurder die pas vanaf 2 augustus 2022 actief waren;

o er werden facturen op naam van cie5 voorgelegd met 2 totaal verschillende lay-outs waarbij ook nog verwezen wordt naar de oude maatschappelijke zetel van de vennootschap;

o cie5 diende slechts btw-aangiften in tot en met het tweede kwartaal 2022; sedert 31 juli 2022, de datum vanaf wanneer eiser facturen van cie5 opnam in zijn boekhouding en btw-aangiften, werd door cie5 niets meer aangegeven;

o de facturen op naam van cie5 werden vanaf 31 juli 2022 opgenomen in de boekhouding van eiser, d.i. vlak nadat het faillissement van cie4 werd geopend.

Op basis van voormelde met elkaar overeenstemmende vaststellingen en andere gegevens is het naar het oordeel van de rechtbank aangetoond dat eiser gebruik maakte van fictieve facturen teneinde op onrechtmatige wijze btw in aftrek te kunnen nemen. Eiser brengt geen enkel stuk bij dat enig bewijs levert van het tegendeel. Met de stelling dat tegenover de door eiser behaalde omzet wel kosten moeten staan, voldoet eiser geenszins aan zijn bewijslast overeenkomstig artikel 45 WBTW.

· Overige inkomende facturen

Wat de overige inkomende facturen betreft heeft de administratie de btw-aftrek voor de gemaakte (en bewezen) autokosten toegestaan in de mate dat de nodige facturen werden voorgelegd. De btw-aftrek van de overige inkomende facturen werd geweigerd aangezien voor deze aankopen/diensten geen onderliggende stukken werden aangeleverd. De rechtbank stelt vast dat eiser ook tijdens de procedure voor de rechtbank geen enkel onderliggend stuk bijbrengt ter staving van de aankopen/diensten.

Ook wat deze facturen betreft heeft de administratie de btw-aftrek terecht verworpen.

4.4. Inbreuk op artikel 53 WBTW

De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van de gevoerde controle is gebleken dat eiser voor de maand september 2021 (factuur nr. 113) alsook voor het vierde kwartaal van 2022 (facturen nrs. 140, 142 en 144) geen btw-aangifte heeft ingediend voor de verzamelfacturen uitgereikt aan cie3 en de verschuldigde btw niet heeft afgedragen. Het gegeven dat eiser na ontvangst van het proces-verbaal van 8 maart 2023 de verschuldigde btw alsnog heeft opgenomen in zijn btw-aangifte (op 31 maart 2023) doet geen afbreuk aan het feit dat eiser in strijd met artikel 53 WBTW de verschuldigde btw niet tijdig en spontaan heeft aangegeven en afgedragen.

Eiser voert geen concrete betwisting aangaande deze inbreuk.

De administratie heeft dan ook terecht een bedrag van 16.731,69 euro nagevorderd.

4.5. Opgelegde boete van 200%

Eiser voert aan dat verweerder niet aantoont dat er sprake is van kwade trouw in hoofde van eiser. Eiser betwist aldus de proportionele geldboete van 200% opgelegd voor de vastgestelde inbreuken met betrekking tot de facturen van cie4 en cie5 en de niet-aangegeven omzet voor het vierde kwartaal van 2022.

Uit hetgeen voorafgaat staat het vast dat eiser deelnam aan een systeem van fictieve facturatie met het oog op belastingontduiking ten nadele van de Belgische Staat. Van enige goede trouw in hoofde van eiser kan dan ook geen sprake zijn.

Niettegenstaande de administratie conform de wettelijke bepalingen ter zake een geldboete van 200% heeft opgelegd voor het in aftrek brengen van de btw met betrekking tot de fictieve facturen uitgaande van cie4 en cie5, is de rechtbank van oordeel dat de financiële gevolgen in hoofde van eiser die een dergelijke boete met zich meebrengt in casu disproportioneel is. De rechtbank meent dat het gepast voorkomt de geldboete te herleiden naar 100%. Dit leidt tot een vermindering van de geldboete voor de inbreuken op artikel 45 WBTW voor de uitgaande facturen van cie4 en cie5 t.b.v. 40.901,70 euro.

Wat de opgelegde boete van 200% voor de niet-aangegeven omzet van het vierde kwartaal van 2022 betreft is de rechtbank van oordeel dat niet afdoende wordt aangetoond dat eiser gehandeld heeft met het opzet de belasting te ontduiken. Dat eiser bijzonder nalatig omspringt met zijn fiscale verplichtingen is op zich niet voldoende om te besluiten tot het doelbewust willen ontduiken van de belasting. De proportionele geldboete dient derhalve te worden beperkt tot 20%, d.i. 2.890,52 euro i.p.v. 28.905,24 euro.

5. Kosten van het geding

Aangezien partijen elk deels in het ongelijk werden gesteld past het in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. de kosten van het geding om te slaan, zodoende dat elke partij instaat voor de eigen kosten.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Vernietigt de btw-vordering met schuldnummer 500/2935/97855 zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202408NL004 op 5 augustus 2024 en uitvoerbaar verklaard op 6 augustus 2024 in de mate een geldboete wordt opgelegd van meer dan 51.060,00 euro.

Verklaart de btw-vordering voor het overige gegrond.

Beveelt de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden dan wel betaalde bedragen, meer moratoriumintresten in toepassing van artikel 91 WBTW.

Slaat de kosten tussen partijen om bij toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W., zodat elke partij instaat voor de eigen kosten.

Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiser, definitief verworven voor het fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op twintig maart tweeduizend zesentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

(…)

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 454 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8