Vervolging, rechten van de Schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 december 2002

Zoeken

Vervolging, rechten van de SchatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2002-12-19-67b2

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 december 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

76 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep van Antwerpen d.d. 19.12.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdende te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 2000/AR/1458

BVBA F. T. I.,

met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

appellante :

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te … d.d. 31 januari 2000.

vertegenwoordigd door Mr J. O. loco Mr. B. C., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het Eerste Btw-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd ziin te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde :

vertegenwoordigd door Mr. A. v. l. d. J. advocaat te …, …;

1. De antecedenten en de vorderingen

Het voorwerp van het door appellante bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 6.3.1995 tegen een op 17.1.1995 door de rekenplichtige van het eerste Btw-ontvangkantoor Antwerpen ingesteld verzet en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis d.d. 31.1.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde dit verzet ongegrond.

Appellante, die bij een ter griffie van dit hof op 31.5.2000 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de gegrondheid van dit verzet.

Geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep (de eisbaarheid van de BTW dateert van vóór 1.1.1999 en omdat appellante geen gevolg gaf aan het verzoek tot consignatie van het bedrag van … BEF, is geïntimeerde van oordeel dat het hoger beroep bij toepassing van artikel 92, tweede lid (oud) Btw-wetboek onontvankelijk dient verklaard te worden), minstens tot de ongegrondheid daarvan.

2. Beoordeling

Ingevolgde de oude tekst van artikel 92, tweede lid Btw-wetboek beschikte de Btw-ontvanger over een discretionaire bevoegdheid om al dan wel of niet consignatie te vragen, maar als de ontvanger daartoe beslist dient zijn verzoek pertinent gemotiveerd te zijn en wel in die zin dat uit de aangevoerde motieven dient te blijken dat zulke consignatie noodzakelijk is om de rechten van de Schatkist te vrijwaren en dilatoire beroepen tegen te gaan.

De beslissing van de ontvanger dient dan ook gesteund te zijn op objectieve en noodzakelijkerwijs controleerbare gegevens van een administratief dossier waaruit kan worden opgemaakt dat de genomen maatregel redelijkerwijs verantwoord is, rekening houdend met de doelstelling van de wetgever (te weten het vrijwaren van de rechten van de Schatkist en het tegengaan van dilatoire beroepen).

In zijn aangetekende brief d d 21 6.2000 motiveerde de ontvanger zijn verzoek tot consignatie als volgt : "Aangezien u sedert april 1999 de verplichtingen opgelegd door het Btw-wetboek zoals het indienen van periodieke aangiften, de betaling van de verschuldigde BTW en andere niet heeft nageleefd; Aangezien uit de laatst neergelegde jaarrekening, afgestoten per 31.12.1998 blijkt dat :

1° de betwiste schuld niet werd opgenomen in de boekhouding;

2° ter betaling ervan geen voorzieningen werden aangelegd;

3° er geen reserves werden aangelegd, zelfs niet deze die bij de wet zijn bepaald;

4° het eigen vermogen negatief is;

5° er geen of onvoldoende roerende of onroerende goederen zijn die de betaling van de schulden waarborgen.

Aangezien uit het bovenstaande duidelijk naar voor komt dat de betaling van de verschuldigde bedragen ernstig in gevaar is gebracht en dat de belangen van mogelijk belanghebbende derden geschaad zijn."

In tegenstelling tot hetgeen de ontvanger beweerde, werd de betwiste schuld wel opgenomen in de jaarrekening per 31.12.1999, genoot appellante van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen en werden de vereiste wettelijke reserves aangelegd.

Derhalve staat het vast dat het verzoek tot consignatie deels op onjuiste motieven berust en voor het overige blijkt niet dat het hoger beroep dilatoir is of dat door zulke consignatie de rechten van de Schatkist veilig zouden kunnen gesteld worden, nu appellante op niet door geïntimeerde weerlegde wijze laat gelden dat zij hoe dan ook niet "de financiële mogelijkheden had om het gevraagde bedrag te consigneren", zodat het verzoek tot consignatie naar redelijkheid niet verantwoord is en bij toepassing van art. 159 G,W. niet toepasbaar verklaard wordt.

Dit hof dient dan ook de gegrondheid van het hoger beroep te onderzoeken.

Daarbij volgt dit hof de door de eerste rechter gebruikte onderverdeling van de betwistingen.

1. Betreffende de verwerping der inkomende factuur Belz

Het door appellante onder stuk 15 neergelegd exemplaar van factuur Belz d.d. 24.11.1989 verschilt van het door appellante aan de controlerende instantie bij brief d.d. 17.11.1993 meegedeeld exemplaar van deze factuur en appellante geeft geen aanvaardbare uitleg voor dit verschil, zodat daaruit enkel kan afgeleid worden dat appellante in functie van de door geïntimeerde ingeroepen argumentatie een niet meer op waarachtigheid controleerbaar bewijsstuk bijbrengt dat dan ook geen bewijs van een "regelmatige factuur (met de door artikel 2 van het van het K.B. nr. 1 vereiste vermeldingen) vormt.

Om deze en de door de eerste rechter aangehaalde redenen, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, blijft dit onderdeel van het verzet ongegrond bevonden.

2. Betreffende de verwerping van de commissienota’s van

De door appellante onder stukken 12,13 en 14 neergelegde stukken vormen geen bewijs van door opgemaakte commissieloonnota's en voldoen alleszins niet aan de in artikel 2 van het K.B. nr. 1 opgesomde vermeldingen die een document moet bevatten om inzake BTW formeel als factuur te kunnen gelden, zodat geen enkel garantie bestaat op een correcte aangifte en betaling van de in deze documenten vermelde BTW.

Appellante stelt dan ook ten onrechte dat "de echtheid van deze diensten niet ter discussie staat”.

Om deze en de door de eerste rechter aangehaalde redenen, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, blijft dit onderdeel van het verzet ongegrond bevonden.

3. Betreffende uitvoerfactuur nr. 19/1990

Uit het door appellante ingeroepen stuk 18 ("inkomend factuurboek'' genoemd) blijkt al niet dat "voor de uitvoer van de potten de transportfirma … in … werd gecontacteerd'.

Een factuur nr. 13 wordt nog steeds niet overgelegd.

Het bewijs van de uitvoer is niet geleverd, zodat om deze en de door de eerste rechter aangehaalde redenen, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, dit onderdeel van het verzet ongegrond bevonden blijft.

4. Betreffende de omzetverhoging

In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert, laten de vaststellingen van de heer D. S. (hoofdcontroleur BTW Roeselare II) wel toe te besluiten dat appellante (via …) in de landelijk gelegen verbouwde boerderij te … hetzij "leveringen verrichtte in verkoopinrichtingen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren" of “leveringen verrichtte als grossiersbedrijf dat niet bijzonder ingericht is voor de verkoop in het klein".

Appellante, die ter zake de bewijslast draagt, toont niet aan dat zij ook aan particulieren goederen verkocht.

In het bestreden vonnis, blad 6 eerste regel, dient "een stapelplaats" gelezen te worden als "een verkoper”.

Om deze en de door de eerste rechter uiteengezette redenen, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, heeft geïntimeerde terecht de door appellante op basis van haar boekhouding aangegeven omzet niet aanvaard en daar een eigen berekening van de omzet tegenover gesteld.

De berekening van deze omzet door de fiscus dient echter te gebeuren op grond van controleerbare en behoorlijk gemotiveerde gegevens.

Geïntimeerde heeft de omzetberekening gedetailleerd toegelicht zowel in het proces-verbaal d.d. 12.1.1995 als in huidige conclusies.

Dit hof vindt de door de fiscus uiteengezette motieven om te besluiten tot een brutowinstmarge van 183% voor alle aarden potten echter niet voldoende overtuigend, nu niet voldoende aannemelijk gemaakt is dat deze gemiddelde winst voor de "duurderde en grotere potten" zonder meer ook kan toegepast worden op alle andere potten (die, zoals appellante op niet door geïntimeerde weerlegde wijze heeft aangetoond, het merendeel van de verkoop uitmaken) en de fiscus niet ter zake stelt dat "indien men de gemiddelde aankoopprijs van … BEF zou weerhouden, zou men een winstmarge bekomen van meer dan 400%" : daarbij vergelijkt de fiscus ten onrechte deze gemiddelde prijs van … BEF voor alle potten met de gemiddelde verkoopprijs voor de duurdere (grotere) potten. Bovendien wordt de door de fiscus op blad 7 van het proces-verbaal gedane herberekening van de "verkochte aankopen m.b.t. de potten" ook niet voldoende gemotiveerd en wordt ook niet verduidelijkt waarom op die basis bij toepassing van de brutowinstmarge de omzet bepaald wordt en deze omzet dus niet berekend wordt door toepassing van de brutowinstmarge op het totaal van de aankoopfacturen voor deze potten (over de aanwezige voorraad potten, zie het door de fiscus overgelegd stuk 9, "goederenvoorraad per 31.12.1991", wordt door de fiscus ook niets gezegd).

Om deze redenen oordeelt dit hof dat de door de fiscus ingeroepen meeromzet ad … BEF niet bewezen is, zodat de uit dien hoofde gevorderde BTW ad … BEF en de daarop aangerekende boete (het tarief is niet vermeld in het dwangbevel) niet verschuldigd zijn.

5. Betreffende de aard der "wooden toys"

Het proces-verbaal motiveert niet waarom de "wooden toys" speelgoed maar wel siervoorwerpen zouden zijn.

Uit geen enkel voorgelegd douanedocument blijkt dat, zoals geïntimeerde in conclusie poneert, " ..de douane van mening was dat het in casu om siervoorwerpen ging''.

Ten onrechte overigens heeft geïntimeerde (daarin gevolgd door de eerste rechter) het ingeroepen voorbeeld van het schommelpaard toegepast om de hele omzet "houten speelgoed”, nu uit niets blijkt dat schommelpaarden voor een totaal bedrag van … BEF zouden omgezet zijn.

Ook dit schommelpaard (door de eerste rechter een "ouderwets hobbelpaard” genoemd) kan wel degelijk als speelgoed gecatalogeerd worden, en de verkoopprijs daarvan (… BEF) vormt geen tegenaanwijzing.

Door de fiscus werd dan ook onterecht het tarief van 25 % (i.p.v. 19 %) op deze omzet "houten speelgoed” toegepast, zodat de uit dien hoofde nagevorderde BTW ad … BEF en de daarop aangerekende boete niet verschuldigd is.

Nu het verzet grotendeels gegrond bevonden wordt, dient geïntimeerde de kosten van de akte van verzet ad … BEF te betalen, terwijl de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen worden.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep gegrond als volgt;

Wijzigt het bestreden vonnis en verklaart het verzet gegrond als volgt;

Doet het dwangbevel teniet in zover daardoor van appellante betaling gevorderd werd van … BEF BTW. + … BEF BTW. = … of … EUR, vermeerderd met de daarop gevorderde boete en intresten;

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond;

Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de kasten van de akte van verzet ad … BEF of … EUR en laat de overige kosten ten laste van de partij die ze gemaakt en/of begroot heeft;

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend en twee

waar aanwezig waren :

de heer E. H. Voorzitter

de heer E. L. Raadsheer

de heer J. E. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier

G. V. J. E. E. L. E. H.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 21 voorkomen
WBTW art. 921 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8