Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 19.01.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG GENT - ZESDE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 JANUARI 2005
Nr. AR 01/3703/A
In de zaak van :
De heer M. S., handelaar, wonende te …, …,
eiser,
niet verschijnend noch iemand voor hem,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is aan de Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL,
verweerder,
raadsman meester D. M., advocaat te …, …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. PROCEDURE
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 22 december 2004; Het debat werd gesloten en de zaak werd in beraad genomen;
1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;
2. DE VORDERING
De vordering van eiser zoals laatst gelibelleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
“…
De vordering van concludent ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Vervolgens verweerder te veroordelen tot betaling aan concludent van de som van 1.318.537 BEF (32.685,68 EUR), meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het verzoek tot terugbetaling, zijnde 1 april 2001;
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (...);
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement;
…”
3. FEITEN EN GESCHIL
3.1. De heer M. S. is wegens zijn economische activiteit van handelaar brandstoffen als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … en is als dusdanig onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
De rekening-courant van eiser vertoonde op datum van 31 oktober 1995 een tegoed van 1.413.666 BEF; Dit tegoed was afkomstig uit de handelingen die door eiser werden verricht gedurende het derde kwartaal 1995;
3.2. De aangifte m.b.t. de handelingen verricht gedurende het derde kwartaal 1995 werd door eiser niet getekend voor teruggaaf;
Eiser diende vervolgens aangiften in voor de daaropvolgende periodes; Deze aangiften vertegenwoordigden hetzij een klein bedrag door de Staat verschuldigd aan eiser, hetzij een klein bedrag door eiser aan de Staat verschuldigd; Sedert het eerste kwartaal 1999 werden door eiser enkel nihilaangiften ingediend;
Geen van deze aangiften werd voor teruggaaf getekend;
3.3. In de aangifte van het tweede kwartaal 2001 werd door eiser teruggaaf gevraagd van het krediet voortvloeiende uit de aangifte m.b.t. het derde kwartaal 1995;
Dit tegoed bedroeg ondertussen nog 1.318.537 BEF ten gevolge van de inboeking van de verschillende latere aangiften op de rekening-courant, waarbij voortdurend compensatie gebeurt tussen aan en door de belastingplichtige verschuldigde bedragen;
Op 28 augustus 2001 werd aan eiser een correctieopgave toegezonden, waarin werd vastgesteld dat de vordering tot teruggaaf in hoofde van eiser grotendeels (nl. ten belope van een bedrag van 1.297.250 BEF) verjaard was (stuk 1 verweerder);
Deze correctieopgave werd door eiser middels een schrijven van 7 september 2001 betwist (stuk 2 verweerder).
Op 11 september 2001 werd het standpunt van de BTW-administratie schriftelijk aan eiser bevestigd door het BTW-controlekantoor Zelzate (stuk 3 verweerder);
Aangezien de vordering van de BTW-administratie door eiser schriftelijk werd betwist werd op 2 oktober 2001 door het BTW-ontvangkantoor te Gent II een akte van inhouding opgemaakt; Ingevolge deze akte van inhouding werd het krediet van 1.297.250 BEF ten bewarende titel geblokkeerd (stuk 4 verweerder);
Op 5 oktober 2001 werd eiser van deze inhouding in kennis gesteld (stuk 5 van verweerder).;
Op 12 oktober 2001 ging eiser over tot dagvaarding teneinde terugbetaling te verkrijgen van 1.318.537 BEF meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de aanvraag tot teruggaaf, zijnde 1 april 2001 (stuk 6 verweerder);
3.4. Bij vonnis d.d. 29 november 2002 heeft de Rechtbank van Koophandel te Gent de heer M. S. in faling verklaard; Als curator werd Mter. G. W. aangesteld, welke krachtens de wet het geding verder zette;
Bij vonnis d.d. 18 juni 2003 werd de faling van de heer M. S. wegens ontoereikend actief afgesloten door de Rechtbank van Koophandel te Gent; De gefailleerde werd niet verschoonbaar verklaard (stuk 10 verweerder);
Het geding werd door verweerder lastens de heer S. persoonlijk geactiveerd door verweerder;
Op de zitting van 29 september 2004 werd het verstek van eiser geacteerd nadat Mter. V. H. reeds in 2003 liet weten niet langer op te treden voor eiser;
Da zaak werd alsdan uitgesteld naar de zitting van 22 december 2004 teneinde verweerder toe te laten nog toelichting te verschaffen, waarna de zaak in beraad werd genomen;
4. BESPREKING
De rechtbank stelt met verweerder vast dat de vordering van eiser inderdaad verjaard is overeenkomstig artikel 82 BTW-Wetboek;
Terecht stelt verweerder dat er in casu geen sprake kan zijn van schulderkenning in hoofde van verweerder door het toezenden van uittreksels van de rekeningcourant van de belastingplichtige;
Het systeem van rekening-courant inzake BTW is gebaseerd op de (eenzijdige) aangiftes van de belastingplichtige;
Zolang de belastingplichtige geen uitdrukkelijke aanvraag tot teruggave doet (welke mogelijkheid de belastingplichtige heeft door een uitdrukkelijke vermelding in de BTW-aangifte op het einde van elk kwartaal en in ieder geval op het einde van elk kalenderjaar) bestaat er voor de BTW-administratie in principe geen aanleiding om tot een controle over te gaan;
Aldus is het mogelijk dat de belastingplichtige (door foutieve aangiftes) een louter virtueel krediet opbouwt in zijn rekening-courant;
De loutere vermeldingen op de uittreksels in rekening-courant kunnen derhalve als dusdanig niet beschouwd worden als een valabele (overeenkomstig art. 2248 BW verjaringsstuitende) schulderkenning vanwege de Belgische Staat.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende BIJ VERSTEK
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;
Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond;
Wijst eiser af van zijn vordering en veroordeelt hem tot de kosten;
Begroot de kosten :
- in hoofde van eiser op 0 EURO rechtsplegingsvergoeding + 107,86 EURO (4.351 BEF) dagvaardingskosten;
- in hoofde van verweerder op 349,53 EURO (14.100 BEF) rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde (fiscale) kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van woensdag 19 januari 2005, waar aanwezig waren :
alleenzetelend rechter M. V. d. B.,
griffier M. V.
M. V. M. V. d. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.