Vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 28 juni 2004

Zoeken

VervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechtbank-antwerpen-2004-06-28-7f76

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
28 juni 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

48 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 28.06.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig juni tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 02/4808/A

C. H., zelfstandige, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, wonende te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester W. H. loco meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

A. Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

B. Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van :

- de Ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, (volgens inleidende dagvaarding),

- de rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 (volgens conclusie van verweerder)

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. V. te … op 25 juli 2002 voor wat betreft verwerende partij sub A en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. D. M. te … op 26 juli 2002 voor wat betreft verwerende partij sub B,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 juni 2004.


Aan eiser werd als BTW-belastingplichtige (garage-carrosseriebedrijf), na verificatie over de periode 1 januari 1994 "tot" 1 december 1995, omschreven als "beperkt nazicht vergelijking gegevens verstrekt door Directe Belastingen", op 8 juli 1998 een correctieopgave toegestuurd met opgave van verhoogde omzet en een tot 10 % herleide boete, waarop door zijn toenmalige raadsman met brief van 3 september 1998 werd geantwoord dat eiser zich niet akkoord kon verklaren met "deze berekeningen", zelf na detailberekening uitkomende op 535.834 BEF, nu te lezen als 13.282,98 EUR, in plaats van 638.333 BEF, nu te lezen als 15.823,86 EUR, aan “totaal verschuldigde BTW”, waarnaast er in die brief nog sprake is van een schenking vanwege de ouders.

Na enkele weken repliceerde de BTW-belastingdienst met vraag of deze brief mocht worden geïnterpreteerd als een akkoordverklaring over 535.834 BEF (13.282,98 EUR), waarop de raadsman van eiseres antwoordde dat de berekening van de te betalen BTW foutief was, nogmaals stellende dat het saldo 535.834 BEF (13.282,98 EUR) bedroeg in plaats van 638.333 BEF (15.823,86 EUR), en dat de door de directe belastingen bepaalde verhoging van omzet incorrect was daar geen rekening was gehouden met de schenking door de ouders.

Tien maand later werd aan genoemde raadsman gerepliceerd dat zijn brieven konden worden aangezien als een "akkoordverklaring tbv 535.834 BEF" verhoogd met verminderde boete 10 %, een en ander meer intrest vanaf 20 januari 1998 "aangezien de BTW normaal spontaan moest worden gecorrigeerd in de aangifte over het vierde kwartaal 1997, in te dienen en te betalen voor 20/01/98".

De toenmalige raadsman van eiser antwoordde opnieuw met hetzelfde antwoord als voorheen, waarop de BTW-belastingdienst weerom repliceerde met stelling dat namens eiser zelf een berekening van 535.834 BEF (13.282,98 EUR) was gemeld.

Na dit heen en weer 'dovemansgeschrijf verstreek een kleine drie jaar, en per 4 juli 2002 werd met aangetekende brief aan eiser kennis gegeven van een dwangbevel van 29 april 2002 dat op 21 juni 2002 uitvoerbaar was verklaard met een daaraan gehecht afschrift van de hogerop vermelde brief van de raadsman van eiser van 3 september 1998.

Met exploten van 25 en 26 juli 2002 heeft eiser laten dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering.

Er loopt geen betwisting ter zake toelaatbaarheid van de aldus gestelde vordering in rechte, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.

(Pas) in conclusie werpt eiser als eerste grief op dat de fiscale vordering verjaard zou zijn, waarvoor hij (impliciet) een verjaringstermijn van zes jaar hanteert.

Krachtens artikel 81 Wetboek BTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting vanaf de dag dat de vordering ontstaat, en krachtens artikel 2248 Burgerlijk Wetboek stuit de erkenning van het recht door de schuldenaar de verjaring.

De brief van de toenmalige raadsman van eiser van 3 september 1998 kan niet anders worden gelezen dan als erkenning van het fiscaal vorderingsrecht voor een bedrag van 535.834 BEF (13.282,98 EUR) in hoofdsom "in plaats van" het in de correctieopgave opgegeven bedrag.

Nu eiser evenwel niet de moeite neemt om zijn aanvoeringsplicht te in te vullen en in dat kader niet aangeeft wat het vertrekpunt van elke vervallen BTW-schuld moet zijn, noch hoelang daartoe telkens de termijn liep vanaf het aanvangspunt dan wel mogelijk vanaf de stuiting door vermelde erkenning, is het niet aan de rechtbank om deze aanvoeringsplicht ambtshalve in te vullen.

De fiscale vordering kan bijgevolg niet verjaard worden verklaard, zelfs al komt daarnaast het niet benaarstigen van een fiscale vordering gedurende bijna drie jaar voor als weinig diligent vanwege de betrokken diensten.

Eiser werpt voorts op dat het dwangbevel niet afdoende is gemotiveerd omdat het gewaagt van een immers niet geschiede ondertekening van de correctieopgave door zijn toenmalige raadsman.

De correctieopgave werd inderdaad niet vormelijk voor akkoord ondertekend voor eiser, maar uit wat hogerop werd uiteengezet blijkt dat de meer vermelde brief van 3 september 1998 van de toenmalige raadsman van eiser bij wijze van erkenning gelijkstaat met ondertekening voor het in die erkenning zelf vooropgezette - na eigen detailberekening bekomen - BTW-bedrag.

Het dwangbevel is bijgevolg wel afdoende gemotiveerd - zelfs al blijkt de formele opgave van het dwangbevel dat de correctieopgave als document zou zijn ondertekend geen blijk te geven van enige zorgvuldigheid - nu in het dwangbevel dan toch zeer duidelijk wordt verwezen naar (wat) 'op 3 september 1998' (werd geschreven door de toenmalige raadsman van eiser).

Eiser werpt tenslotte op dat de fiscale vordering 'berust op niet vaststaande gegevens en bijgevolg niet bewezen (is)'.

Te dezen geldt de erkenning - in de meer vermelde brief van 3 september 1998 - van het na de detailberekening bekomen eigen bedrag als vorderingsgrondslag, zelfs al werd daar­ op door de belastingdienst eerst geantwoord met vraag of die brief mocht worden geïnterpreteerd "als een akkoordverklaring voor een bedrag van 535.834 frank".

Zelfs al blijkt de wijze van behandeling van dit dossier door de BTW-belastingdienst geen premie te verdienen uit oorzaak van onzorgvuldigheid, heeft die onzorgvuldigheid te de­ zen geen verval van de fiscale vordering tot gevolg.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond, Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 811 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8