Vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 3 februari 2009

Zoeken

VervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-hof-van-beroep-gent-2009-02-03-7336

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
3 februari 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

56 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 03.02.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent - 5e kamer

Nr. 2008/AR/113

In de zaak van :

V. M., gepensioneerde, voorheen bakker, wonende te …, …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. R. S. loco mr. D. S. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van e.a. Inspecteur, Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor te Wetteren I, wiens kantoren gevestigd zijn te 9230 Wetteren, Gentse Steenweg 93,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W. B., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 6.11.1996 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde teneinde de geïntimeerde te horen veroordelen om aan de appellant terug te betalen de som van … BEF (… EUR) hoofdens ten onrechte geïnde en gevorderde BTW, intresten en boeten, meer de wettelijke fiscaalrechtelijke intresten en de kosten.

De BTW (en accessoria) waarvan sprake is BTW die door de appellant werd betaald ingevolge een controle voor de jaren 1985 tot en met 1988, na akkoordverklaringen van de appellant. Volgens de appellant waren de betaalde sommen echter niet verschuldigd en vordert hij de terugbetaling ervan.

Bij vonnis van 5.10.2007 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, 8e kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellant veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 14.1.2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen in de mate waarin de oorspronkelijke vordering van de appellant afgewezen werd als ongegrond, en dat zou gezegd worden voor recht dat de geïntimeerde gehouden is aan de appellant terug te betalen de som van … EUR hoofdens ten onrechte geïnde en gevorderde BTW, intresten en boeten, meer de wettelijke fiscaalrechtelijke intresten vanaf de betaling tot op de dag der uiteindelijke terugbetaling, meer de kosten.

De geïntimeerde van zijn kant tekent incidenteel beroep aan tegen het bestreden vonnis en vordert dat zou gezegd worden voor recht dat de vordering van de appellant verjaard is en dat het bestreden vonnis op dit punt zou worden hervormd. Voor het overige vordert de appellant dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd.

2. Artikel 82 BTW-wetboek in de te dezen toepasselijke versie bepaalt dat de vordering tot teruggaaf van de BTW, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop hij is ontstaan.

Artikel 14 eerste lid van het KB nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (zoals gewijzigd bij artikel 12 van het KB van 17.10.1980) bepaalt dat de vordering tot teruggaaf moet worden ingesteld binnen de vijf jaar vanaf de datum van betaling van de belasting van de intresten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie (geval dat zich hier heeft voorgedaan).

Uit het door de bank afgestempeld dubbel van het overschrijvingsformulier (stuk 1 van de appellant) blijkt dat de appellant het overschrijvingsformulier ter betaling van het thans teruggevorderd bedrag van … BEF (… EUR) bij de bank heeft afgegeven op 6.11.1991. Gezien de opdracht tot betaling aldus pas op 6.11.1991 werd gegeven, kan de effectieve betaling dan ook niet vóór 6.11.1991 hebben plaatsgegrepen.

Het is pas vanaf deze effectieve betaling dat de appellant over een vordering tot teruggave is gaan beschikken en de verjaringstermijn dus kon beginnen lopen (zie het hoger aangehaalde artikel 82 BTW-wetboek en artikel 14 eerste lid van het KB nr. 4), en niet voordien. Er kan derhalve voor de berekening en voor het vertrekpunt van de verjaringstermijn geen rekening gehouden worden met een vroegere fictieve datum van uitwerking van de betaling zoals die voortvloeit uit de toepassing van artikel 4, § 1 van het KB nr. 24 van 29.2.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Volgens het tweede blad van het administratief document door de geïntimeerde voorgelegd als stuk 22 is de daarop aangegeven datum van 5.11.1996 de datum van uitwerking van de betaling (zie ook de vermelding op de inventaris van de stukken bij het stuk 22). Ook dit wijst er op dat de op dit stuk vermelde datum van 5.11.1991 een vroegere fictieve datum is in plaats van de werkelijke en effectieve betalingsdatum.

Uit dit alles moet afgeleid worden dat de vordering tot teruggave niet vóór 6.11.1991 kan zijn ontstaan, en de vordering in rechte tot teruggave, door de appellant ingesteld op 6.11.1996, derhalve tijdig werd ingesteld.

Tevergeefs stelt de geïntimeerde in bijkomende orde dat de verjaringsregeling voorzien bij de artikelen 100 eerste lid en 101 van het KB van 17.7.1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit moet worden toegepast. Artikel·100 eerste lid van deze gecoördineerde wetten voorziet uitdrukkelijk dat de aldaar opgegeven schuldvorderingen ten laste van de Staat volgens de aldaar opgegeven regels verjaren "onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen". De in de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit voorziene verjaringsregeling is slechts van toepassing voor zover er geen andersluidende wettelijke bepalingen zijn (vergelijk met Cass. 16.2.2006, Pas. 2006, nr. 98 p. 397). Te dezen is er een bijzondere verjaringsregeling voorzien in het BTW­wetboek en zijn de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit niet van toepassing.

3. In de betrokken jaren 1985 tot 1987 was de appellant bakker. Hij ondertekende op 11.10.1990 een verklaring, na de vermelding "gelezen en goedgekeurd" te hebben geschreven, waarin hij onder meer verklaart dat hij bloem zonder factuur aankocht van de N. M. G. en B. voor de daarin opgegeven hoeveelheden. Op 7.10.1991 ondertekende de appellant de documenten houdende berekening van de omzetverhoging en van de verschuldigde BTW voor de jaren 1985-1986-1987 (stukken 3-4-5 van de geïntimeerde).

Volgens de appellant zijn deze documenten aangetast door wilsgebreken (dwang, dwaling omtrent het recht en de feiten).

Er moet aangenomen worden dat de appellant de door hem ondertekende verklaring van 11.10.1990 goed heeft gelezen. Hiertoe werd hij immers aangespoord door het feit dat hem gevraagd werd zijn handtekening te laten voorafgaan door de vermelding ''gelezen en goedgekeurd". Van de appellant mocht ook verwacht worden dat hij wist of hij nu al dan niet bloem had aangekocht zonder factuur ("in het zwart"), en dat hij in ontkennend geval zou geweigerd hebben een verklaring te ondertekenen waarin hij er in strijd met de waarheid van beschuldigd wordt bloem in het zwart te hebben afgenomen. Bovendien worden in deze verklaring details vermeld die niet in het strafdossier zijn terug te vinden, maar die van de appellant afkomstig moeten zijn, nl. dat de bloem in het zwart werd aangekocht op aandringen van de "reiziger" van de appellant, de Heer V. H., en dat de bloem (door de appellant) uitsluitend werd verwerkt in de broodsector. Wanneer de appellant toegaf bloem in het zwart te hebben afgenomen heeft hij dus niet gedwaald.

Er moet ook aangenomen worden dat de appellant enig idee had van de benaderende hoeveelheid bloem die hij zonder factuur had afgenomen. Op het ogenblik dat hij de documenten dd. 7.10.1991 (stukken 3-4-5 van de geïntimeerde), waarin de hoeveelheid zwarte bloem nog eens hernomen wordt, ondertekent, heeft hij ook ongeveer een jaar de tijd gehad sedert zijn eerste verklaring van 11.10.1990, om zo nodig nazicht te doen en er zich over te beraden. Er kan niet aangenomen worden dat de appellant zou gedwaald hebben bij zijn verklaringen omtrent de hoeveelheden zwarte bloem per jaar.

De appellant had bovendien de mogelijkheid, indien hij zich verrast voelde door een onaangekondigd bezoek van de BBI zoals hij beweert, om te weigeren enige verklaring te ondertekenen en achteraf, zo nodig met bijstand van gespecialiseerde derden, de zaak nader te onderzoeken alvorens standpunt in te nemen tegenover de BBI. Noch de wet noch enig algemeen rechtsbeginsel verplicht echter de onderzoekende ambtenaren hun bezoek of controle voorafgaandelijk aan te kondigen, en zij kunnen hierdoor ook niet vermijden dat de appellant zich deskundig zou hebben laten bijstaan.

Anders dan door de appellant voorgehouden, kon de appellant in een akkoordverklaring toegeven dat hij bloem in het zwart had afgenomen en voor welke hoeveelheid, zonder dat dit voordien ook met voldoende zekerheid zou moeten blijken uit het strafdossier. Door de vermelde verklaringen af te leggen heeft de appellant aan de geïntimeerde een bewijs verschaft van de niet-officiële leveringen, bewijs dat op zichzelf volstaat.

Het lijkt aanneembaar dat de ambtenaren van de BBI bij hun bezoek aan de appellant zullen hebben verwezen naar het strafdossier en zullen gesteld hebben dat hieruit bleek dat de appellant bloem in het zwart had afgenomen. Of dit werkelijk zo was, was een kwestie van appreciatie van de voorliggende bewijselementen. Zo bepaalde rechtspraak. niet dezelfde appreciatie er op nahield als de geïntimeerde, neemt dit toch niet weg dat er minstens aanwijzingen in die zin waren wat de appellant betreft, wat de BBI ertoe kunnen brengen heeft de appellant op te zoeken om hem hierover te ondervragen, met de akkoordverklaringen als resultaat. Zo dit niet met voldoende zekerheid bleek uit het strafdossier, belette dit evenwel de appellant niet om de afnames in het zwart toe te geven, waarbij moet worden opgemerkt dat de appellant het best geplaatst was om te weten of hij al dan niet onofficieel bloem afnam. Ten onrechte schijnt de appellant van oordeel te zijn dat hij maar op geldige wijze had kunnen toegeven dat hij bloem in het zwart afnam indien vooraf op onomstotelijke wijze het bewijs daarvan uit het strafdossier zou blijken.

Dat de ambtenaren van de BBI de appellant zouden hebben misleid staat niet vast, evenmin de bewering van de appellant dat de BBI-ambtenaren zouden gesteld hebben dat "onomstotelijk" vaststond uit het strafdossier dat hij bloem in het zwart afnam, of dat zij op zodanige wijze zouden opgetreden zijn dat dit de geldigheid van de verklaringen van de appellant zou aantasten. Aldus wordt ook niet aangetoond dat de BBI ten opzichte van de appellant zou voorgehouden hebben dat hij enkel een supplement aan BTW zou verschuldigd zijn.

Weliswaar liet de BBI op dezelfde datum van 11.10.1990 de appellant een verklaring van verzaking aan de verlopen tijd van verjaring inzake van BTW ondertekenen (stuk 2 van de geïntimeerde), doch in de verklaring van die datum nopens de onofficiële afnames is geen sprake van de verschuldigde BTW en accessoria, terwijl de verjaring inzake van BTW aan andere regels is onderworpen dan die inzake van inkomstenbelastingen. Dat de BBI aan de appellant zou hebben laten verstaan, impliciet of expliciet, dat hij enkel een (kleine) navordering inzake van BTW zou te betalen hebben, is niet aangetoond.

Zo het niet uitgesloten is dat op de appellant een zekere druk werd uitgeoefend door er op te wijzen dat boetes verschuldigd zijn en eventueel dat de al dan niet medewerking van de appellant op de omvang van de boetes een invloed zou kunnen hebben, kan nochtans niet zonder meer aangenomen worden dat zodanige dwang voorhanden is dat de verklaringen van de appellant door wilsgebrek zijn aangetast. Het bewijs van onrechtmatige of ongeoorloofde druk wordt niet geleverd.

De door de appellant voorgehouden dwang, dreigingen, allerhande kunstgrepen, onfaire praktijken, tendentieus handelen, e.d. meer die de appellant aan de BBI verwijt, worden niet eens waarschijnlijk gemaakt.

Een persoonlijke verschijning zowel van de BBI-ambtenaar als van de appellant, meer dan 18 jaar na het ondertekenen van de verklaring van 11.10.1990, heeft geen zin. Het is onaannemelijk dat na dergelijke termijn zowel de appellant als de betrokken ambtenaar nog precieze inlichtingen zouden kunnen verschaffen omtrent wat einde 1990 gebeurde. Dergelijke persoonlijke verschijning is zinloos en dient dan ook niet te worden bevolen.

Het was de appellant verder ook mogelijk om een afschrift te vragen van de door hem ondertekende verklaringen indien hij dit wenste. Het zijn essentiële bewijselementen die de geïntimeerde hoe dan ook kenbaar moet maken gezien zij als basis dienen voor de belasting, terwijl ook niet vaststaat dat bij vraag om een afschrift dit zou geweigerd zijn (cfr. het feit dat een kopij van deze verklaringen op diens vraag aan de raadsman van de appellant werd overgemaakt).

Noch dwang, noch dwaling, noch enige andere omstandigheid die de ongeldigheid van de door de appellant afgelegde verklaringen tot gevolg zou hebben, zijn aangetoond. Die verklaringen dienen dan ook te worden beschouwd als een volwaardig bewijsgegeven dat de geïntimeerde vermocht te gebruiken als basis voor haar BTW-vordering.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;

Ontvangt het hoger beroep en het incidenteel beroep, doch verklaart beide ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel als volgt begroot:

• aan de zijde van de appellant: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DRIE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN.

Aanwezig de Heren:

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 4 art. 142 voorkomens
WBTW art. 822 voorkomens
KB nr. 24 art. 41 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8