Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 23.02.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer
Zitting : 23 februari 2007
eindvonnis
Rol nr. : 04/1808/A
G. P., bediende, wonende te …, …;
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester B. D. loco meester L. P., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Leuven, Philipssite 3 A bus 2;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C. loco meester d. N., advocaat te …, ….
1. PROCEDURE
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 26 januari 2007 in beraad werd genomen.
De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- de gedinginleidende dagvaarding op 23 juli 2004 betekend door A. I., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van P. H., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 26 januari 2007.
II. DE FEITEN
Op 2 oktober 1989 werden door de heer J. A., ontvanger van het BTWontvangkantoor te Leuven verschillende dwangbevelen inzake BTW uitgevaardigd lastens P. G. (hierna : eiser). Deze dwangbevelen werden op 4 oktober 1989 uitvoerbaar verklaard door de heer M. V., hoofdcontroleur van de BTW te Haacht.
Deze dwangbevelen werden op 18 oktober 1989 aan eiser betekend. Op 19 december 1989 werd proces-verbaal van uitvoerend beslag, omgezet in proces-verbaal van niet bevinding, opgesteld.
Op 17 oktober 1994 werd herhaald bevel tot betaling betekend aan eiser.
Op 9 augustus 1999 werd opnieuw een herhaald bevel tot betalen betekend. Dit werd betekend aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven omdat eiser geen gekende woon- of verblijfplaats had in België of in het buitenland.
Bij aangetekende brieven van 1 juni 2004 werd eiser in gebreke gesteld tot betaling over te gaan overeenkomstig de verschillende dwangbevelen.
III. DE VORDERINGEN
Eiser verzet zich tegen de tenuitvoerlegging voor deze dwangbevelen. Hij voert aan dat verjaring is ingetreden.
IV. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist.
2. Eiser voert aan dat de verjaring niet rechtsgeldig gestuit werd door de betekening van 9 augustus 1999. Volgens eiser diende de betekening te geschieden aan de procureur des Konings te Brussel, niet aan de procureur des Konings te Leuven.
3. Ten aanzien van hen die in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats hebben, wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt; is of wordt er geen vordering voor de rechter gebracht, dan geschiedt de betekening aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft of, indien hij geen woonplaats in België heeft, aan de procureur des Konings te Brussel (artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, benadrukt door de rechtbank).
De betekening geschiedde op verzoek van de BELGISCHE STAAT, administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, wiens kantoor gevestigd is te Leuven.
De betekening die geschiedt op verzoek van de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de ontvanger van de BTW, geschiedt krachtens artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied het ontvangkantoor gelegen is. De betekening van 9 augustus 1999 is rechtsgeldig geschiedt aan de procureur des Konings te Leuven.
4. Eiser voert aan dat de aangetekende brieven van 2 juni 2004 de verjaring niet konden stuiten. Een dwangbevel kan maar één maal betekend worden. Daarna kan de stuiting van de verjaring enkel nog geschieden door een bevel tot betaling betekend door gerechtsdeurwaarder of een beslag.
5. Artikel 85, § 2, 1° BTW-wetboek bepaalt dat de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief de verjaring stuit.
Deze bepaling beperkt het verjaring stuitend karakter van de kennisgeving van het dwangbevel niet tot de eerste kennisgeving ervan. Ook kennisgevingen na de eerste kennisgeving of betekening hebben een verjaring stuitend karakter.
Beschikkend gedeelte
V. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk, maar ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten en stelt deze als volgt vast :
- voor eiser : … euro (dagvaarding) + … euro (rechtsplegingsvergoeding)
- voor verweerder : … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op 23 februari 2007, waar zetelden :
de heer L. W., rechter;
mevrouw G. D., griffier.
G. D. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.