Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 6 oktober 2000

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-leuven-2000-10-06-4010

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
6 oktober 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

113 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 06.10.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 06.10.2000

AR 99/292/A

1. …, handelaar, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …, wonende te …, …

2. …, handelaar, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …, wonende te …, …

3. D. F. V., en …, gevestigd te …, …

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester S., loco hun raadsman, meester H. V., advocaat, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de Persoon van de Rekenplichtige van het BTW-kantoor te Tienen, wiens burelen gevestigd zijn te …, …,

verweerder,

ter zitting vertegenwoordigd door meester D. B., loco meester W. B., advocaat, kantoorhoudende te …, …,


De rechter doet uitspraak in deze zaak die in beraad werd genomen op de zitting van 8.9.2000, op tegenspraak.

Gelet op de artikelen 2, 9, 34, 36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen bij monde van hun raadsman op de zitting van 01.09.2000 en gelet op de conclusies neergelegd voor partijen en op de voor partijen neergelegde bewijsstukken.

Gezien de inleidende dagvaarding, van 04.02.1999, ertoe strekkende :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het dwangbevel d.d. 05.01.1999 te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling;

- de Belgische Staat tot de kosten te veroordelen.


I. Feiten

Eerste en tweede eisers (vader en dochter) baten samen een tuincentrum uit onder de naam van de feitelijke vereniging … en …, derde eiseres. De activiteit is geregistreerd als "kleinhandel in geschenkartikelen, bloemen en planten, meststoffen zaden, turf en sproeistoffen. "Zowel de privé-adressen als de zetel van de feitelijke vereniging zijn gevestigd op hetzelfde adres, namelijk … te ….

Op 4.03.1993 werd er een aangekondigd BTW onderzoek uitgevoerd door de verificateur bij de Administratie van de BTW, over de periode van 1.01.1995 tot 31.12.1996, waarvan vervolgens PV werd opgesteld op 1.12.1998.

In het PV wordt gesteld dat derde eiseres in overtreding werd bevonden op twee punten :

1. De feitelijke vereniging bracht de BTW in aftrek met betrekking tot facturen die op naam staan van één van de deelgenoten van de feitelijke vereniging (eerste of tweede eisers).

Deze aftrek wordt geweigerd en de afgetrokken BTW wordt teruggevorderd voor een totaal bedrag van 143.611 Bef. (voor de jaren 1995 en 1996 samen.)

2. Op grond inbreuken op artikel 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW en artikel 18 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 werd het omzetcijfer verhoogd met toepassing van artikel 59, § 1 van het W.BTW.

De omzetverhoging wordt als volgt gemotiveerd :

- door een opsporingsambtenaar van de directe belastingen werd op 6.02.1996 een toezicht uitgevoerd en werd vastgesteld :

- dagontvangstenboek : de inschrijvingen in het dagontvangstenboek waren slechts bijgehouden tot en met 17.01.1996 (inbreuk op artikels 8 en 9 van de wet op de jaarrekening voor ondernemingen);

- verantwoordingsstukken : er worden geen verantwoordingsstukken ter staving van de inschrijvingen in het dagontvangstenboek bewaard;

- her algemeen totaal (GT) op kasregister geeft een totaal aan in omzet voor een bedrag van 15.963.118 frank, terwijl de opgegeven omzet volgens de BTW-aangiften 7.618.779 frank bedraagt.

Van deze vaststellingen krijgt derde eiseres een bevestiging op 14.02.1996.

- door dezelfde opsporingsambtenaar van de directe belastingen werd op 20.03.1996 een tweede toezicht uitgevoerd en werd vastgesteld :

- op 6.02.1996 gaf het kasregister een algemeen totaal (GT) aan in omzet van 1.963 118 frank.

- op 26.03.1996 gaf het kasregister een algemeen totaal (GT) aan in omzet van slechts 124.316 frank.

Van deze vaststellingen krijgt derde eiseres een bevestiging op 15.04.1996.

De opsporingsambtenaar maakte ook een verslag van zijn bezoek van 26.03.1996 (stuk 6 verweerder) doch nergens blijkt of eiseres kennis kregen van dit verslag.

Bij toepassing van art. 93quaterdecies, § 2 en § 3 W.BTW werden de gegevens doorgegeven door de directe belastingen gebruikt om de omzet van het jaar 1995 te bepalen en te verhogen met 3.620.901 frank, waarop de verschuldigde BTW op 593.261 frank wordt bepaald.

Als besluit van het PV worden volgende bedragen gevorderd :·

- BTW 143.611 + 598.261 = 741.872 frank.

- boete art. 70, § 1 en § 1bis W.BTW verminderd op grond van KB nr. 41 134.000 frank

- boete art. 70, § 4 W.BTW 20.000 frank,

- wettelijke intresten aan 0,8 per maand over 741.000 frank vanaf 21.01.1997.

Uit het dossier blijkt niet of eisers kennis kregen van het PV van 1.12.1998.

Het betwiste dwangbevel werd uitvoerbaar verklaard op 5.01.1998 en betekend aan derde eiseres op 6.01.1999 en aan eerste en tweede eisers op 11.01.1999.

Huidig verzet is tegen dit dwangbevel gericht.

II. Beoordeling

1. De aftrek van de BTW op facturen op naam van één van de deelgenoten

Artikel 45 van het W.BTW bepaalt dat de belastingplichtige in aftrek mag brengen “de belasting van de aan hem geleverde goederen en diensten”.

Artikel 2 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 en artikel 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 vereisen dat de belastingplichtige daartoe in het bezit moet zijn van op zijn naam opgestelde facturen.

Eerste en tweede eisers zijn de deelgenoten van de feitelijke vereniging.

De facturen waarvoor de aftrek wordt geweigerd zijn facturen op naam van één van de deelgenoten en betreffen voornamelijk brandstof auto, water, onderhoudsproducten, telefoon, elektriciteit, stookolie, enz...

Het betreft kosten voor de levering van goederen en diensten die ook voor privé-doeleinden kunnen worden gebruikt en waarvoor de BTW geheel of gedeeltelijk door de feitelijke vereniging werden afgetrokken.

Eerste en tweede eisers zijn weliswaar organen van de feitelijke vereniging, maar ze zijn niet de belastingplichtige. De organen kunnen niet vereenzelvigd worden met de rechtspersonen.

(BTW Handboek, H. Vandebergh, nr. 405; Gent 30.01.1986, BTW-Revue, 1987, 220; Gent, 17.01.1992, F.J.F. 1992, 159).

De verwijzing naar de rechtbank van het Europees Hof in de zaak Jeunehomme is niet dienend : de vereiste vermelding van de naam van de belastingplichtige kan niet als een vermelding worden beschouwd die het recht op aftrek zou bemoeilijken of onmogelijk maken.

De rechtspraak van het Europese Hof in de zaak Leesportefeuille "Intiem" is niet van toepassing op de huidige zaak daar in deze zaak de naam van de belastinplichtige wel degelijk op de factuur voorkwam doch de levering rechtstreeks aan de werknemers gebeurde.

Het feit dat sommige medecontractanten niet zouden factureren op naam van een feitelijke vereniging is niet relevant en wordt zelfs tegengesproken door P.B.E. in de brief van 24.09.1999 waarin gesteld wordt “facturering kan eventueel gebeuren op naam van de feitelijke vereniging''.

Het feit dat de directe belastingen een aftrek als beroepskost aanvaardt betekent niet dat de BTW-aftrek toegelaten is, hiervoor moet aan de specifieke voorwaarden inzake BTW voldaan zijn, waaronder facturatie op naam van de belastingplichtige.

Ook op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur, in casu een ingeroepen gedogen in het verleden, kan de aftrek niet aanvaard worden.

Verweerder stelt dat op 1.02.1990 de feitelijke vereniging haar activiteit startte en er tot de controle die tot het dwangbevel aanleiding heeft gegeven geen controle is gebeurd. Eisers bewijzen het tegendeel niet.

2. De verhoging van de omzet

Op grond van artikel 93quaterdecies, § 2 W.BTW mag de BTW-administratie gebruik maken van de inlichtingen, stukken enz. bekomen door een ambtenaar van de directe belastingen in het kader van zijn functie.

Uit de controles gedaan door de opsporingsbeambte, is gebleken dat de dagontvangsten niet dag aan dag werden ingeschreven, dat er geen verantwoordingsstukken ter staving van het dagontvangstenboek bewaard werden (telbanden …) en dat het algemeen totaal op het kasregister 15.963.118 bedroeg.

Uit het PV van 1.12.1998 blijkt dat de verificatie vaststelde dat voor de gans (stuk tekst onleesbaar)

controlebanden van het kasregister nier werden bewaard en niet werden voorgelegd zodat de controle op de geregistreerde ontvangsten en de inschrijvingen ervan in het dagboek van ontvangsten onmogelijk is geworden.

De vaststelling van het proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel. Indien het waar is dat de vaststelling van het kastotaal niet persoonlijk werd gedaan door de verificateur, dan dient toch vastgesteld dat de andere vaststellingen wel door hem persoonlijk werden gedaan.

Het kastotaal uitgeprint door de opsporingsbeambte werd gehecht aan zijn verslag (stuk 5 bijlage telband). Deze vaststelling maakt het voorwerp uit van een bevestiging aan eisers (stuk 7), die deze vaststelling niet betwistten.

De telband geldt als schriftelijk bewijs.

Op grond van dit bewijs vermoedt verweerster dat het kastotaal overeenstemt met de omzet op datum van de vaststelling d.w.z. op 6 02.1996.

Dit vermoeden is een vermoeden juris tantum, dat wil zeggen dat eisers het tegenbewijs mogen leveren.

Dit tegenbewijs had onder meer geleverd kunnen worden door de telbanden, doch deze zijn door de belastingplichtige niet bewaard, zodat de moeilijkheid van het bewijs ontstaan is door het toedoen van eisers zelf.

Loutere beweringen kunnen niet aanvaard worden als tegenbewijs. De beweringen als zouden eisers en familieleden het kasregister "getest" hebben en/of als rekenmachine gebruikt hebben zijn niet gestaafd.

Verweerster heeft, voortgaand op het vermoeden dat het kastotaal op 6.02.1996 gelijk is aan de omzet van het tweede semester 1994 tot en met januari 1996, door deductie de niet aangegeven omzet bepaald, namelijk door van deze omzet de voor dezelfde periode aangegeven omzet af te trekken.

Terecht werpt eiseres op dat deze omzetverhoging niet volledig als omzet van het jaar 1995 kan beschouwd worden.

Een correcte deductie vereist een spreiding van de vermoede niet aangegeven omzet over het aantal maanden waarop het kastotaal betrekking heeft.

Gezien de vermoede omzet op basis van het kastotaal van 15.963.118 frank slaat op 19 maanden (zoals verweerster aanvaardt vijfde blad (derde en vierde kwartaal 1994 en de maand januari 1996) bedraagt de vermoedelijke omzet voor 1995 (15.963.118 x 12) : 19 = 10.081.969 frank.

Om de vermoedelijke niet aangegeven omzet te bepalen dient hiervan afgetrokken te worden de aangegeven omzet in 1995 10.081.969 – 8527.776 = 1.554.193.

Verder kan de deductie van verweerster gevolg worden voor de vermoedelijke percentages BTW (namelijk proportionaliteit die blijkt uit de aangifte van 1995) zodat de verschuldigde BTW bedraagt :

1.554.193 x 215.915/8.527.778 =

39.361 x 6/106 = 2.361 frank

x 274.174/ =

49.969 x 12/112 = 5.353 frank

x 8.037.620/8.857.778 =

1.464.861 x 20.5/120 = 250.247 frank

257.961 frank

De verschuldigde BTW ingevolge in 1995 niet aangegeven omzet wordt bepaald op 257.961 frank.

Paragraaf onleesbaar

3. De boeten en intresten

Daar de boeten en intresten niet worden betwist, ook niet ondergeschikt, worden deze gehandhaafd voor de terecht in het dwangbevel opgenomen bedragen ten titel van nog verschuldigde BTW.

De geldboete dient proportioneel herleid te worden rekening houdend met de weerhouden bedragen ten titel van nog verschuldigde BTW 257.961 + 143.611 = 401.572 frank.

De intresten van 0,8 % per maand zijn verschuldigd over 401.572 frank vanaf 21.01.1997.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTER,

Beslissend in eerste aanleg en op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Vernietigt het dwangbevel voor het te veel gevorderde namelijk 340.300 frank voor het jaar 1995;

Zegt voor recht dat de geldboete proportioneel dient herleid te worden rekening houdend met de weerhouden bedragen ten titel van nog verschuldigde BTW 257.961 + 143.611 = 401.512 frank.

Zegt voor recht dat de intresten van 0,8 % per maand enkel verschuldigd zijn over 401.572 frank vanaf 21.01.1997.

Beveelt de teruggave van de hoofdsommen boeten en intresten die ten onrechte geïnd werden, rekening houdend met huidige beslissing :

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding als volgt begroot :

voor eiseres :

dagvaarding : 8.181 frank.

rechtsplegingsvergoeding : 12.900 frank.

voor verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : 12.900 frank.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op vrijdag, 6 oktober tweeduizend, waar zitting namen :

Mevrouw K. D., alleensprekend rechter.

Mevrouw M. C., griffier.

M. C. K. D.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
KB nr. 3 art. 31 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8