Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 23.01.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER C, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN
INZAKE A.R. nr. 11/2787/A :
C. T. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….
Eiseres, vertegenwoordigd door mr. L. P., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijke directeur van het Controlecentrum Tongeren-Genk, met burelen gevestigd te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26.
Verweerder, vertegenwoordigd door mr. O. M. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07.12.2000;
- de conclusies van eiseres;
- de besluiten, de synthesebesluiten en stukken van verweerder.
I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN
Ingevolge de controle uitgevoerd op 25.03.1999 van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW werd er aan eiseres een correctieopgave voorgelegd waarin eiseres zou erkennen :
- de som van … BEF, hetzij … euro, aan BTW verschuldigd te zijn, over welk bedrag op grond van artikel 91 §1 WBTW de wettelijke intrest van 0.8 pct per maand verschuldigd is vanaf 21.01.1998;
- dat de op grond van artikel 70 en/of 71 WBTW opgelopen proportionele geldboete verminderd werd tot … BEF.
Op 20.06.1999 ondertekende de gedelegeerd bestuurder van eiseres de correctieopgave met: "Gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank (…)”.
Op 24.07.2000 heeft eiseres een verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van boeten en intresten ingediend bij de bevoegde gewestelijk directeur van BTW, Registratie en Domeinen.
Bij beslissing van 12.09.2000 werd aan het verzoek van eiseres tot kwijtschelding of vermindering van boeten en vrijstelling van interesten geen gunstig gevolg verleend.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07.12.2000 werd door eiseres een vordering in rechte ingesteld.
De vordering beoogt de directoriale beslissing teniet te doen en te zeggen dat de boeten en intresten niet verschuldigd zijn; de terugbetaling dan wel de teruggave te bevelen van alle sommen die aldus ten onrechte door eiseres werden betaald of lastens haar werden ingehouden vermeerderd met de moratoruimintresten zoals bepaald in artikel 91 WBTW. Tevens vordert eiseres de kosten van het geding ten laste te leggen van de Belgische Staat.
II. IN RECHTE
1. De ontvankelijkheid
Verweerder stelt dat het door eiseres op 07.12.2000 neergelegde verzoekschrift op tegenspraak onontvankelijk is in de mate voor de erin opgenomen motivering wordt verwezen naar een ander document in casu een schrijven van eiseres dd. 20.07.2000, nu de tekst van dit document niet werd geïntegreerd in de tekst van het verzoekschrift zelf.
Met 'het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen' in de zin van artikel 1034ter Ger.W. wordt bedoeld enerzijds wat eiseres vraagt aan de rechtbank en anderzijds de feitelijke gegevens die aan de vraag ten grondslag liggen. In tegenstelling tot hetgeen verweerder voorhoudt is de rechtbank van oordeel dat het verzoekschrift ondanks het gegeven dal het verwijst naar een schrijven dd. 20.07.2000, weldegelijk voldoende gemotiveerd is. Immers naast de verwijzing naar voormeld schrijven, worden verder de middelen zijnde de motieven van feitelijke aard die de vordering schragen aangehaald in het verzoekschrift. Het verzoekschrift op tegenspraak zet in 4 pagina's het voorwerp en de middelen van de vordering uiteen en verwijst dan ook ten overvloede naar. de middelen van het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van boete en intresten dd. 20.07.2000, zodat het ontvankelijk is.
Verder stelt verweerder dat de vordering tot betwisting inzake Btw, boete en intresten een ongeoorloofde uitbreiding betreft van voorwerp en oorzaak van de gedinginleidende akte.
Volgens de rechtbank maakt dit geen onrechtmatige uitbreiding uit van de oorspronkelijke vordering in de zin van artikel 807 Ger.W. Artikel 807 Ger.W. laat immers toe dat het voorwerp van de initiële vordering wordt uitgebreid, mits de oorzaak van de vordering niet volledig wordt veranderd. Partijen hebben besloten tot de beoordeling van dezelfde rechtsfeiten en rechtshandelingen. Eiseres streeft met haar rechtsvordering de vernietiging na van de beslissing van de directeur en betreft hoe dan ook de beoordeling van de boete en nalatigheidsintresten. Het voorwerp van de vordering is datgene waarop de partij die de vordering instelt aanspraak maakt en dat hij door de rechter toegekend wenst te zien, te dezen het beoogde economisch resultaat van de eis zijnde kwijtschelding of vermindering van de boete en intresten.
De betwisting had vanaf de inleiding van het verzoek betrekking op deze beoordeling. Noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering werden op een ongeoorloofde wijze uitgebreid.
Verweerder werpt voor het overige geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
A. MET BETREKKING TOT DE ADMINISTRATIEVE BOETE
De rechtbank is van oordeel dat de boete van 10 % voor een bedrag van … euro een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en artike114 IVBPR.
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 WBTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
De rechter kan met volle rechtsmacht toezicht uitoefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete en dit toezicht moet de rechter mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite of in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank kan zoals de administratie de boeten verminderen in de gevallen waar het de overtuiging is toegedaan dat er ongelijkheden blijven tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling.
Motivering van de boete :
Eiseres stelt dat het opleggen van de boete valt onder de Wet van 29.07.1991 en dat de motiveringsverplichting geschonden werd.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op 20.06.1999 de correctieopgave ondertekende met "Gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank (…).''
In voormelde correctieopgave werd eiseres er tevens in kennis van gesteld dat de op eiseres op grond van de artikelen 70 en/of 71 van het Btw-wetboek opgelopen proportionele fiscale geldboeten, die in principe gelijk zijn aan tweemaal de verschuldigde BTW, verminderd worden conform de bepalingen van het koninklijk besluit m. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboete op het stuk van de BTW tot … BEF.
De specifieke inbreuken op het WBTW werden tevens vermeld.
Uit de lezing van het geheel van de correctieopgave blijkt dat aan eiseres de feiten werden meegedeeld die de overtredingen opleverden, er verwezen werd naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten en de motieven werden opgeven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen. Het betreft immers een gebonden bevoegdheid die de belastingadministratie verplicht op grond van het fiscale legaliteitsbeginsel een geldboete op te leggen zodra de voorwaarden van de artikelen 53 §1, 3, 70, 72 en 84 Btw-wetboek vervuld zijn (vgl Cass. 8 april 2011, C.10.0202.N/2, www.cass.be). De feitelijke en de wettelijke elementen werden vermeld op basis waarvan verweerder gehouden was de beslissing te nemen.
Er is te dezen geen schending van artikel 109 van de wet van 04.08.1986 houdende fiscale bepalingen. Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat, zelfs indien een voor akkoord ondertekende correctieopgave al zou kunnen beschouwd worden als een eenzijdige rechtshandeling, deze laatste te dezen niet van toepassing is.
De correctieopgave door eiseres ondertekend betreft een eenzijdige schulderkentenis. Door de ondertekening ervan heeft eiseres erkend als Btw-plichtige een fout te hebben begaan en verklaarde ze zich akkoord de BTW te betalen.
Eiseres betaalde alle volgens de correctieopgave verschuldigde bedragen zijnde zowel de BTW als boete en intresten.
Tussen partijen is met betrekking tot de ganse vordering (BTW, boete en intresten) zoals vermeld in de correctieopgave nooit een geschil geweest dat door de rechter ten gronde diende beslecht te worden. Nochtans werd er blijkbaar, volgens het schrijven uitgaande van de raadsman van eiseres dd. 20.07.2000, op basis van de correctieopgave van 20.06.1999 een dwangbevel uitgevaardigd op 21.09.1999, waartegen eiseres geen verzet aantekende. Uit voormelde blijkt duidelijk dat eiseres akkoord ging zowel met de rechten als de boete en intresten en dat zij dit deed met kennis van zaken gelet op de inhoud van de correctieopgave dd. 20.06. 1999.
Bovendien wordt er door eiseres niet aangetoond dat de correctieopgave ondertekende akkoordverklaring aangetast is door enige vergissing in feite of in rechte of enig wilsgebrek.
Motivering van de directorale beslissing :
De beslissing van de gewestelijk directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen. Bij een gebonden bevoegdheid, dit is wanneer de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodat er van beleidsvrijheid geen sprake is speelt de motivering slechts een ondergeschikte rol (P. Van Orshoven, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-92, 488).
De belastingplichtige moet kennis hebben van de redenen die de administratie ertoe aangezet hebben om het verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de boete af te wijzen.
In de directorale beslissing wordt naast de toegepaste artikelen, verwezen naar het gegeven dat de boete reeds verminderd werd overeenkomstig de wettelijke barema opgenomen in het KB nr.41 van 30.01.1987 en dat er geen objectieve elementen voorhanden zijn om de boete nog verder te verminderen of kwijt te schelden. Tenslotte wordt er verwezen naar de gelijkberechtiging van de belastingplichtigen. Tevens wordt er ingegaan op de aangehaalde aansprakelijkheid van de boekhouder. Rekening houdende met de in het verzoek van eiseres aangehaalde argumenten en het gegeven dat eiseres geen enkele bijzonder omstandigheid aanhaalde en objectief staafde die een verdere vermindering of kwijtschelding van de boete in de gegeven omstandigheden zou kunnen verantwoorden, beantwoordt de beslissingen van de gewestelijke directeur aldus aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat deze beslissing aldus wettelijk is.
Ten onrechte opgelegde boete?
Eiseres stelt dat door onmiddellijk de volledige aftrek van de BTW te verwerpen met betrekking tot het deel van het gebouw dat betrekking had op de conciërgewoning art. 19 en 45 geschonden werd en er geen sprake was van een onrechtmatige of ongeoorloofde aftrek van belasting zodat in toepassing van art. 70 WBTW geen boete kon worden opgelegd. Volgens eiseres dient de boete dan ook volledig te worden vernietigd en terugbetaald.
Zoals hoger reeds aangehaald betreft de correctieopgave door eiseres ondertekend een eenzijdige schulderkentenis. Door de ondertekening ervan heeft eiseres erkend als Btw-plichtige een fout te hebben begaan en verklaarde ze zich akkoord de Btw te betalen.
Eiseres betaalde alle volgens de correctieopgave verschuldigde bedragen zijnde zowel de BTW als boete en intresten.
Tussen partijen is met betrekking tot de ganse vordering (BTW, boete en intresten) zoals vermeld in de correctieopgave nooit een geschil geweest dat door de rechter ten gronde diende beslecht te worden. Nochtans werd er blijkbaar, volgens het schrijven uitgaande van de raadsman van eiseres dd. 20.07.2000, op basis van de correctieopgave van 20.06.1999 een dwangbevel uitgevaardigd op 21.09.1999, waartegen eiseres geen verzet aantekende. Uit voormelde blijkt duidelijk dat eiseres akkoord ging zowel met de rechten als de boete en intresten en dat zij dit deed met kennis van zaken gelet op de inhoud van de correctieopgave dd. 20.06.1999.
Er wordt door eiseres niet aangetoond dat de correctieopgave ondertekende akkoordverklaring aangetast is door enige vergissing in feite of in rechte of enig wilsgebrek.
De loutere verwijzing naar de Seelingdoctrine doet geen afbreuk aan voorgaande (vgl. H.V.J. 8 mei 2003, C-269/00, Seeling, FJF. nr. 2003/217).
Zelfs al mag er in het kader van de Seeling-doctrine geen onderscheid gemaakt worden naargelang de terbeschikkingstelling van het gebouw gebeurt door een Btw-plichtige natuurlijke persoon dan wel door een Btw-plichtige rechtspersoon, dan dient nog nagegaan te worden of de terbeschikkingstelling van de woning voor privé-doeleinden geen vrijgestelde onroerende verhuur zou kunnen uitmaken (vgl. Cass. 07 april 2011, FiscoJoog 2011, editie 1250, 1 en H.v.J. 29 maart 2012, C-436/10, Fiscoloog, 2012, 1297, 8).
Of er in een welbepaalde situatie wel of geen sprake is van een vrijgestelde onroerende verhuur dient concreet beoordeeld te worden door de nationale rechter (vgl. H.v.J. H.v.J. 29 maart 2012, C-436/10, Fiscoloog, 2012, 1297, 8).
Gelet op het gegeven dat eiseres in de correctieopgave erkend heeft ten onrechte de BTW in aftrek gebracht te hebben en de feitelijke gegevens desbetreffende ten gronde niet ter beoordeling aan deze rechtbank voorliggen, kon er weldegelijk een boete opgelegd worden in toepassing van art. 70 WBTW.
Rekening houdende met de concrete omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de boete van 10 % evenredig is met de vastgestelde inbreuk.
B. DE NALATIGHEIDSINTRESTEN
Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91 § 1 en 2 bedoelde interesten of voor een deel ervan.
Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsinteresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden dóor de gewestelijk directeur.
Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijk directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijk directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vgl. Cass. 4 maart 2004 inzake rolnr. C030346N, http://www.cass.be; Cass. 17 april 2000, Arr. Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W 1998-99, 1142).
Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsinteresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijk directeur.
Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de Btw-schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM.
Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1. EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsinteresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1. EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1. EVRM (vgl. EHRM 14 september 2004, F.J.F. No. 2005/126; EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001, 94 en Cass. 23 januari 1992, Pas.1992, I, nr. 269, p. 453).
Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsinteresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijk directeur.
De beslissing van de gewestelijk directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.
De gewestelijk directeur beschikt met betrekking tot de “bijzondere gevallen” bedoeld in artikel 84bis W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijk directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.
Uit artikel 84bis W.BTW volgt aldus dat de gewestelijk directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.
Dit houdt in dat de beslissing adequaat de juridische en de feitelijke overwegingen vermeldt waarop ze steunt.
Evenwel is geen gedetailleerde uiteenzetting geboden : het volstaat dat de bestemmeling de betekenis van de beslissing begrijpt en inziet waarom het bestuur zo en niet anders beslist heeft. De rechtbank stelt vast dat er in de directorale beslissing geantwoord werd op de elementen aangehaald in het verzoek tot kwijtschelding. Immers in het verzoek tot kwijtschelding wordt samenvattend verwezen naar het verzoek tot herziening van de aftrek vanaf midden 1999, de goeder trouw, de aansprakelijkheid van de boekhouder en de moeilijke financiële positie.
In de directorale beslissing wordt naast de toegepaste artikelen, verwezen naar het gegeven dat de nalatigheidsintresten slechts werden aangerekend vanaf de 21.01.1998 zijnde de 21ste van de maand volgende op de gecontroleerde periode en dat er geen objectieve elementen voor handen zijn. Tenslotte wordt er verwezen naar de gelijkberechtiging van de belastingplichtigen. Tevens wordt er ingegaan op de aangehaalde aansprakelijkheid van de boekhouder. Enerzijds rekening houdende met de in het verzoek van eiseres aangehaalde argumenten, het gegeven dat eiseres geen enkele bijzonder omstandigheid aanhaalde en objectief staafde die een kwijtschelding van de nalatigheidsintresten in de gegeven omstandigheden zou kunnen verantwoorden en anderzijds niet blijkt dat eiseres zich een zodanige sociale toestand bevond dat de grootst mogelijke betalingen die zij kan verrichten lager blijven dan de tijdens een zelfde periode over de verschuldigde belasting te vervallen interest, beantwoordt de beslissingen van de gewestelijke directeur aldus aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat deze beslissing aldus wettelijk is.
De gewestelijk directeur heeft niet op een kennelijk onredelijke manier de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten geweigerd.
Met betrekking tot de stelling dat de intresten ten onrechte werden opgelegd verwijst de rechtbank integraal naar hetgeen hoger werd geoordeeld onder titel "A. Boete", "Ten onrechte opgelegde boete?".
De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.
C. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.
Partijen hebben terzake standpunt ingenomen.
Partijen zijn het erover eens dat het een in geld waardeerbare vordering is van … euro tot … euro. De rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres de kosten van het geding.
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 990 rechtspJegingsvergoeding.
Wijst het meer en/of anders gevorderde af.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer C, op het gerechtshof te Hasselt op 23.01.2013, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw C. P., enige rechter,
De Heer L. P., griffier.
L. P. C. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.