Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 17 december 2007

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2007-12-17-5c52

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
17 december 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 17.12.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel - 33ste Kamer

A.R. 2004/15713/A

Inzake van :

De N.V. C. P., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. K. H. loco Mr. H. D., advocaat te …, … (ref. : …).

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën. Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het 1° BTW­ontvangkantoor, te Brussel, met burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kantersteen 47,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. K. . V. loco Mr. F. C., advocaat te …, … (ref : …).


De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 december 2007 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houd in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

- Het verzoekschrift dat namens eiseres op 21 december 2004 in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek ter griffie is neergelegd :

- De beschikking tot regeling van … conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 4 november 2005

- De conclusie en syntheseconclusie voor eiseres neergelegd respectievelijk ter grime op 30 september 2005 en 24 mei 2006;

- De conclusie, tweede conclusie en syntheseconclusie voor eiseres neergelegd respectievelijk ter griffie op 21 februari 2006, 13 april 2005 en 7 juli 2005.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.


1. FEITEN

Eiseres is actief in het beheer van onroerende goederen. Eiseres is onder meer eigenaar van een perceel grond, gelegen te …, …, met oppervlakte van 7.969 m2. In een overeenkomst van 28 juli 1998 wordt tussen eiseres en N.V. C. C. ter i. p. development (hierna CIP) overeengekomen dat CIP op deze grond een kantoorgebouw zal oprichten met bijhorende infrastructuur en dat CIP het eigendomsrecht op dit gebouw bij de voorlopige oplevering ervan overdraagt aan eiseres (zie stuk I bundel eiseres).

De prijs die eiseres moet betalen voor de uitvoering van de werken (het laten oprichten van het gebouw door CIP) bedraagt … euro, excl. BTW. Eiseres verbindt er zich tevens toe om de huurovereenkomst die CIP diezelfde dag reeds gesloten had met N.V. G. F. over te nemen.

Eiseres is bovendien eigenaar van een perceel grond gelegen te …, …, met oppervlakte van 2.790 m2. In een overeenkomst van 7 september 1998 wordt overeengekomen dat CIP op deze grond eveneens een kantoorgebouw met bijhorende infrastructuur zal oprichten en bij de voorlopige oplevering van het gebouw het eigendomsrecht ervan zal overdragen aan eisers. Eiseres betaalt … euro, excl. BTW voor de oprichting van het gebouw. Eisers verbindt zich eveneens om de huurovereenkomst die CIP en PDD P. reeds hadden gesloten met betrekking tot het nog op te richten gebouw over te nemen.

Na de oplevering van het beide kantoorgebouwen begin 2000 stelt CIP op 28 april 2000 een factuur op met betrekking tot het gebouw, gelegen te …, …. In deze factuur wordt … BTW aan eisers aangerekend (stuk 3 bundel eiseres).

Op 4 mei 2000 'wordt een factuur met betrekking tot het gebouw, gelegen te …, …, uitgereikt door CIP. Hierin wordt … BTW in rekening gebracht (stuk 4 bundel eiseres).

De gevolmachtigde van eiseres (het accountantskantoor NV C.-F.) ging er volgens eiseres, van uit dat de aangekochte gebouwen zouden worden ingebracht in een BEVAK vandaar dat hij de BTW van de twee facturen in aftrek bracht via de BTW-aangifte van eiseres die in juli 2000 voor de maand van dat jaar wordt ingediend.

Op 18 september 2000 gaat de gevolmachtigde van eiseres over tot een correctie van de BTW-aftrek in de BTW-aangifte van eiseres voor de maand augustus 2000 (stuk 5 eiseres).

Op 18 september 2000 maakt de BTW-administratie een correctieopgave over waarin wordt aangekondigd dat de BTW-aftrek met betrekking tot de aangekochte gebouwen verworpen wordt. Er wordt tevens een geldboete van … euro in het vooruitzicht gesteld. De gevolmachtigde van eiseres ondertekend de correctieopgave (stuk 7 van eiseres).

Deze correctieopgave wordt op 28 september 2000 door de gevolmachtigde van eiseres ondertekend (stuk 7 bundel eiseres). Ingevolge de ondertekening van deze correctieopgave moet de BTW-aftrek niet meer gecorrigeerd worden in de BTW-aangifte en wordt diezelfde dag een nihil BTW-aangifte voor de maand augustus 2000 ingediend (stuk 6 bundel eiseres).

Bij schrijven van 2 oktober 2000 verzoekt de gevolgmachtigde van eiseres de Directie BTW te Mechelen om een kwijtschelding van de opgelegde BTW-boete (stuk 8 bundel eiseres).

Dit verzoek wordt bij beslissing van 19 februari 2001 door de Gewestelijke Directie BTW Brussel 1 afgewezen (stuk 9 bundel eisers)..

Op 20 december 2004 stelt eiseres tegen de oplegging van de BTW-boete en de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van de boete een vordering in rechte in.

2. VORDERING

Eiseres verzoekt de rechtbank “de vordering ontvankelijk en grond te verklaren : de directoriale beslissing van 19 februari 2001 te vernietigen : de opgelegde boete nietig te verklaren; in ondergeschikte orde de opgelegde geldboete kwijt te schelden, minstens deze in belangrijke mate te verminderen, de terugbetaling te …. van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen te verhogen met de moratoire interesten, gerekend aan de wettelijke interestvoet, vanaf de dag van betaling, voormelde bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke interest, te rekenen vanaf 12 december 2004 tot de dag der effectieve terugbetaling (…)”.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

Verweerder voert aan dat eiseres zich akkoord zou hebben verklaard met de oplegging van de BTW-boete daar de gevolmachtigde van eiseres tot ondertekening van de correciteopgave overging en de betwiste boete inmiddels werd betaald.

Ingevolge het openbare orde karakter van de belastingwetgeving betreft een akkoordverklaring in fiscale zaken geen dading in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek en houdt deze evenmin een verzaking van een recht van de belastingplichtige in, doch heeft deze als enige uitwerking dat de administratie vrijgesteld wordt van het leveren van de feitelijke elementen waarop de belasting wordt gevestigd (Cass., 19 maart 1957, Arr. Cass., 1957, 600-603; Antwerpen, 25 april 1994, F.J.P., nr. 95/17, Antwerpen, 23 november 1999, F.J.E., nr. 2000/201; Antwerpen, 14 november 2000, F.J.P., nr. 2001 18). Dit geldt ook inzake BTW (Gent, 1 september 1998, F.J.F., nr. 98/268).

Door de ondertekening van de correctieopgave op 25 september 2000 door haar gevolmachtigde verklaarde eiseres zich akkoord met de verwerping van de BTW en de terugbetaling van de BTW in hoofdsom, doch niet met het opleggen van een BTW-boete. De correctieopgave werd immers duidelijk ondertekend gevolgd door de woorden “gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank BTW” (stuk 7 bundel eiseres). Dit bedrag stemt overeen et de BTW in hoofdsom, exclusief de opgelegde boete.

Bovendien blijkt uit het feit dat reeds op 2 oktober 2000 – met name enkele dagen na de ondertekening van de correctieopgave- een verzoekschrift tot kwijtschelding van de BTW-boete werd ingediend bij de Directie BTW te Mechelen dat eiseres niet akkoord ging met het opleggen van deze boete.

Evenmin kan de betaling van een bedrag gelijk aan de BTW-boete en de interesten, in april 2001 als een akkoordverklaring van eiseres worden beschouwd. Volgens het Hof van Cassatie kan zelfs de onvoorwaardelijke betaling van gevorderde rechten niet als een belasting worden beschouwd (Cass., 8 november 2004, ….).

Het is zeer aannemelijk dat eiseres tot betaling van de BTW-boete is overgegaan teneinde te vermijden dat de verschuldigde interesten zouden oplopen. Op het vlak van BTW worden betalingen immers eerst aangerekend op de interesten, dan op de boete, en pas in laatste instantie op de hoofdsom (cfr. Artikel 6, lid 1 K.B. nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). Nietegenstaande een bedrag, gelijk aan de in aftrek gebrachte BTW in hoofdsom terug voldaan was aan de Schatkist had deze wijze van aanrekening van betalingen tot gevolg dat een bedrag aan BTW in hoofdsom onbetaald bleef en dat interesten die op jaarbasis 9,6 % bedragen (art. 91, § 1 van het BTW-Wetboek) bleven lopen indien niet tot betaling van het saldo zou zijn overgegaan.

Bovendien voorziet de BTW-wetgeving dat een belastingplichtige de BTW, interesten en geldboeten die werden voldaan op verzoek van de Administratie, via een vordering in rechte kan terugvorderen (art. 6 K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde).

Artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen stelt :

"Telkens …… een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht …. (… hierbij hem een administratieve geldboete…. wordt opgelegd. Vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de vervulling …. De toegepaste wet- of verordeningsteksten en geeft de tarieven op die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen"

In casu maakt de correctieopgave waarin de oplegging van de BTW-boete wordt aangekondigd geen melding van de motieven die in aanmerking worden genomen om deze boete vast te stellen. Evenmin wordt verwezen naar de juiste wetsbepalingen.

Verweerder stelt ten onrechte dat de correctieopgave een rechtsgeldige schulderkentenis betreft en niet een eenzijdig opleggen van een boete. Eveneens ten onrechte voert verweerder aan dat de motieven voor het vaststellen van de hoogte van de geldboete volgen uit de tekst van de bijlagen van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van BTW.

In casu wordt een geldboete opgelegd omdat eisers ten onrechte BTW in aftrek zou hebben gebracht. De correctieopgave verwijst naar artikel 1 K.B. nr. 41, Tabel A.

Tabel A van het K.B. nr. 41 handelt evenwel niet over de boeten die worden opgelegd voor overtredingen waarbij ten onrechte BTW in aftrek werd gebracht. Bovendien vindt tabel A van het K.B. nr. 41 enkel toepassing op overtredingen begaan voor 1 november 1993 (art.1, lid 1, 1° K.B. nr. 41).

Bijgevolg verwijst de correctieopgave niet naar de juiste wets- en verordeningsbepalingen om de oplegging van de boete en de hoogte ervan te motiveren.

Wanneer de Administratie een bericht aan de belastingplichtige zendt waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd. moet dit bericht krachtens artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1996 te toegepaste wet- of verordeningsteksten vermelden. (Zie ook Vr. en Antw., Kamer. 2002-2003, 13 januari 2003. 19262, Bull. Bel. 2003, nr. 831. p. 1427-1429).

Bij gebreke aan correcte motivering van de opgelegde geldboete, is deze laatste onwettig (dr. Gent. 20 maart 1996, F.J.F., nr. 96/214, Antwerpen, 21 februari 2006, onuitg., stuk 10 bundel eiseres, Rb. Luik 2 oktober 2003, R.C e.E, 2004/4, 44-45).

Evenmin vermeldt de correctieopgave de redenen waarom een boete wordt opgelegd. Zelfs indien de Administratie de afwezigheid van kwade trouw niet moet motiveren, dan houdt dit niet in dat zij niet moet motiveren waarom een boete van 10 % wordt opgelegd (Antwerpen, 21 februari 2006, onuitg., stuk 10 bundel eiseres).

Het feit dat de correctieopgave verwijst naar het: K.B. nr. 41 en dat dit K.B. geen toepassing vindt ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk om belastingen te ontduiken, volstaat niet als motivering.

Op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 kan de Administratie steeds -zelfs ambtshalve- een lagere boete opleggen dan deze voorzien in het K.B. nr. 41.

Dar de Administratie ambtshalve de geldboeten kan verminderen, blijkt uit de niet­proportionele BTW-geldboeten, voorzien in artikel 70, § 4 van het BTW-wetboek en het K.B. nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele geldboeten op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde. In het Belgisch Staatsblad werd zelfs een barema gepubliceerd waarin vermeld wordt in welke gevallen afgezien wordt van de oplegging van een geldboete, voorzien in artikel 70, § 4 van het BTW-wetboek en in het K.B. nr. 44 dan wel ene lagere boete zal worden opgelegd. Hetzelfde is mogelijk voor de proportionele geldboeten.

De Administratie kon in casu dan ook afzien van de oplegging van een geldboete, dan wel een lagere boete opleggen, dan voorzien in het K.B. nr. 41. Bijgevolg moet de Administratie motiveren waarom toch een geldboete wordt opgelegd.

De oplegging van de geldboete is derhalve onvoldoende gemotiveerd. Ingevolge de schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 is deze nietig.

De vordering is gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt de directoriale beslissing van 19 februari 2001;

Verklaart de opgelegde boete onwettig;

Beveelt de terugbetaling van … euro meer de wettelijke interesten tot de datum van de neerlegging van het verzoekschrift vanaf dan meer de gerechtelijke interest;

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van eiseres ….. op … € rechtsplegingsvergoeding;

Verwijst verweerder tot de eigen gedingkosten, begroot op … € rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 17 december 2007

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N.S., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I.D. N. S.

Aangehaalde teksten

5
KB nr. 41 art. 12 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens
KB nr. 24 art. 61 voorkomen
KB nr. 4 art. 61 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8