Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 07.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 10/679/A Rep. nr. 2011/7352
BVBA N. K., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven onder het BTW-nummer BE …,
eiseres,
hebbende als raadslieden meesters M. L. en L. S., advocaten, met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van de administratie van de BTW, Registratie en domeinen van Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, Katelijnestraat 7, voor wie optreden de heer F. V., eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur en mevrouw V. K., eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, beiden verbonden aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomenfiscaliteit, Controlecentrum Oostende, Vrijhavenstraat 1 te 8400 Oostende,
verweerder,
voor wie mevrouw V. K. voornoemd ter zitting is verschenen.
1. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 03 maart 2010.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 mei 2011.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen m gerechtszaken werden in acht genomen.
2. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de economische activiteit van het plaatsen van veranda's. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Door F. V., eerstaanwezend inspecteur bij het FOD-Financiën, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 01 januari 2007 tot 31 december 2008.
Door F. V. voornoemd werd op 23 november 2009 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 30 november 2009 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 02 december 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. D., eerstaanwezend inspecteur ad interim van de BTW-controle te Knokke-Heist, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.
Bij verzoekschrift van 03 maart 2010 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.
2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Verder vraagt zij dat de terugbetaling wordt bevolen van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, meer de moratoire rente. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EUR.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
3. BEOORDELING
3.1. Nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. Nopens de grond
3.2.1. Het gevorderd bedrag van 54.919,84 EUR supplementaire BTW-rechten is het gevolg van het verwerpen van het recht op aftrek inzake de BTW die betrekking heeft op een onroerend goed dat als bedrijfsmiddel wordt gebruikt in hoofde voor de economische activiteit van eisers en waar ook de zaakvoerder woonachtig is.
3.2.2. De rechtbank stelt vast dat in een gelijkaardige zaak het Hof van Beroep op 13 september 2010 aan het Europees Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld : "Moeten de artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a, en 13, B, sub b, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wetgeving die het gebruik voor de privé-doeleinden van de bedrijfsleider en zijn gezin van een gedeelte van een gebouw dat de belastingplichtige rechtspersoon krachtens een zakelijk onroerend recht heeft gebouwd of bezit, behandelt als een vrijgestelde dienst als verpachting en verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b, wanneer voor dit investeringsgoed recht op aftrek van voorbelasting is ontstaan?" (zaak C-436/10, Belgische Staat/BLM sa, stuk 15).
Het is dan ook aangewezen dat deze zaak naar de bijzondere rol wordt verzonden, in afwachting van het te verwachten arrest van het Europees Hof van Justitie.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verzendt de zaak naar de bijzondere rol.
Houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zeven juni tweeduizend en elf.
Aanwezig zijn :
N. H., alleenrechtsprekend rechter;
G. D. T., griffier.
G. D. T. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.