Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 3 april 2006

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2006-04-03-9b94

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
3 april 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

47 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 03.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drie april tweeduizend en zes in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 03/1185/A

BVBA E. H. A. V., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester B. S. loco meester J. N., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

verwerende partij,

verschijnende bij meester S. V. W.-L. loco meester T. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder H. D. M. in vervanging van gerechtsdeurwaarder B. V. H. te … op 13 februari 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 6 maart 2006.


1. Een bevoegd ambtenaar heeft op 23 en 24 september 2002 aangekondigd BTW-controle doorgevoerd ter zetel van eiseres, over periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000.

Hij stelde vast dat eiseres paarden verkoopt en dat ze ook deelneemt aan paardenwedstrijden waarvoor prijzengeld werd ontvangen in vermelde periode.

Om die reden bestempelde hij eiseres als gemengd belastingplichtige die dan voor aftrek der voorbelasting onderworpen is aan een verhoudingsgetal, en hij verwierp alzo een deel van de door eiseres verrichte aftrek.

Eiseres ging niet in op een in vermelde zin overgemaakte correctieopgave, en op 4 december 2002 werden de vaststellingen in proces-verbaal gegoten.

De Ontvanger der BTW te Turnhout vaardigde, onder aanhechting-van het proces-verbaal, op 9 december 2002 dwangbevel uit dat op 11 december 2002 uitvoerbaar werd verklaard en dat met aangetekende brief van 16 december 2002 ter kennis van eiseres werd gebracht.

2. Reeds met betrekking tot eerdere periode 1 januari 1993 tot en met 31 december 1996 was ten name van eiseres gelijkaardige verwerping geschied, en zij heeft op een niet nader bepaald ogenblik in 1998 op die fiscale vordering het bedrag van (toen 201.551 BEF, nu te lezen als) 4.996,31 EUR voldaan, bedrag waarvan ze weliswaar de samenstelling niet opgeeft.

Het staat niet in betwisting dat deze betaling is gebeurd onder voorbehoud.

3. Middels exploot betwist eiseres de in het dwangbevel vervatte fiscale vordering en vordert ze daarnaast ook terugbetaling van de eerder betaalde som, wat deze laatste betreft weliswaar zonder opgave van datum van betaling, meer wettelijke intrest 'sedert de datum van betaling'.

4. Toelaatbaarheid der rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.

Eiseres betwist dat zij door deelnames aan paardenwedstrijden gemengd belastingplichtige is in de zin van de BTW.

Anders gezegd stelt zij dat het deelnemen aan paardenwedstrijden geen afzonderlijke activiteit vormt, in tegendeel enkel geschiedt in het kader der verkoopactiviteit, zulks meer bepaald ter promotie van de paardenverkoop.

Eiseres dient om volgende redenen daarin te worden bijgetreden.

Het deelnemen aan paardenwedstrijden vormt een economische activiteit, maar uit de door de belastingdienst in het proces-verbaal gedane vaststellingen blijkt niet dat deze activiteit een op zichzelf bestaande activiteit vormt, wel met zoveel woorden dat de deelnames gebeur(d)en “in het kader van” de verkoopactiviteit (stuk 5 verweerder, tweede blad bovenaan).

Met andere woorden werden de aan eiseres door de wedstrijdorganisatoren in verband met de deelname verleende diensten, door eiseres gebruikt voor uitgaande aan de BTW onderworpen (verkoop)handelingen naar letter en geest van artikel 45, § 1 Wetboek BTW.

Uit geen gegeven blijkt, ten overvloede, dat de wedstrijddeelnames ander oogmerk hadden.

Toepassing van gezegd art. 45, § 1 Wetboek BTW leidt tot volledige aftrek van voorbelasting.

Daaruit volgt enerzijds dat de in het dwangbevel verwoorde fiscale vordering onterecht is en anderzijds dat er grond voorligt tot teruggaaf van de over de vroegere periode voldane fiscale vordering.

Verweerder betwist, in het bijzonder, niet het voldaan zijn van de instelvoorwaarden van de vordering tot teruggaaf, noch het teruggevorderde bedrag op zich, noch het lopen van intrest met ingang van de (niet opgegeven) datum van betaling.

De rechtsplegingvergoeding wordt bepaald op het hoogste bedrag, nu de vordering - onder meer·- een vordering tot teruggaaf onder artikel 77 Wetboek BTW behelst van een som die aanleiding is tot de hoogste rechtsplegingvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige condusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, en als volgt gegrond,

Verklaart het dwangbevel van de Ontvanger der BTW Turnhout, uitgevaardigd op 9 december 2002, uitvoerbaar verklaard op 11 december 2002, en aan eiseres ter kennis gegeven middels aangetekende brief van 16 december 2002, onwettig en verbiedt er de uitvoering van,

Veroordeelt verder verweerder tot terugbetaling, aan eiseres, van de som van 4.996,31 EUR (betaald over periode 1 januari 1993 tot en met 31 december 1996), meer moratoire intrest krachtens artikel 91, § 4 Wetboek BTW, zulks 'sedert de dag van betaling',

Veroordeelt verweerder tot de kosten, deze aan beide zijden begroot in respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van eiseres vereffend op 104,54 EUR explootkosten en op 356,97 EUR rechtsplegingvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 771 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8