Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 14.06.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
terechtzitting van 14-06-2005
BELASTINGEN
Nr.2003/AR/2566
in de zaak van:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 ZOTTEGEM, G. Schockaertstraat 4,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. A. E., advocaat te …, …
tegen :
E. I., bediende,
wonende te …, …,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. W.,
advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
De appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd op 20 november 2003 tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer, van 4 september 2003 waarbij het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 4 juni 1999 door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 juni 1999 en ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 9 juni 1999, werd ingewilligd. Bij het bestreden vonnis werd het dwangbevel vernietigd en werd de appellant veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen die desgevallend te veel werden geïnd alsmede tot de gerechtskosten.
Het hoger beroep strekt er toe in hoofdorde het bestreden vonnis van de eerste rechter te doen vernietigen en dienvolgens de eis van de geïntimeerde af te wijzen als ongegrond, behalve voor wat betreft de factuur nr. 3100 van 05.03.1996, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.
De geïntimeerde vordert in hoofdorde het bestreden vonnis te willen bevestigen, in ondergeschikte orde de opgelegde BTW-boeten kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen, dit alles met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.
Feitelijke gegevens en beoordeling
1. In het dwangbevel uitgevaardigd op 4 juni 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 juni 1999 werden volgende bedragen gevorderd :
1° als belasting over de toegevoegde waarde : … BEF;
2° als geldboete ingevolge artikel 70, §1 BTW-Wetboek : …;
3° de intrest van 0,8 % per maand vanaf 21 juni 1999;
4° de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten ingevolge art. 91, § 4 BTW-Wet en de vervolgingskosten.
2. Uit de analyse van het stukkenbundel moet blij ken dat alles teruggaat naar een controle van de BTW voor de periode van 22.11.1995 tot 26.09.1996.
Uit een proces-verbaal van 20 augustus 1997 lastens de BVBA H. N., zijnde een leverancier van de geïntimeerde, is gebleken dat de geïntimeerde dranken heeft afgenomen, waarvoor een valse factuur zou zijn opgesteld. Daarbij zou het gaan om volgende bedragen: voor het jaar 1995 : … BEF + …BEF BTW, voor het jaar 1996 : … BEF + … BEF BTW. Rekening houdend met de winstmarges en de onderscheiden BTW-tarieven gaf één en ander aanleiding tot een verhoging van de omzet van … BEF voor 1995 en … BEF voor 1996 verhoogd met de BTW van respectievelijk … BEF BTW en … BEF BTW of samen … BEF, zijnde het bedrag zoals opgenomen in het dwangbevel.
3. Uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken dat door de BTW-administratie een omzetverhoging werd weerhouden in hoofde van de geïntimeerde ingevolge het door de BVBA H. N. opgezette systeem van niet-officiële leveringen. In eerste instantie dient te worden onderzocht of de omzetverhoging in hoofde van de geïntimeerde gerechtvaardigd is op basis van de gegevens afkomstig van de BVBA H. N..
Om het bestaan en het bedrag van de BTW-schuld te bewijzen beschikt de administratie over alle middelen van het gemeen recht, feitelijke vermoedens inbegrepen met uitzondering van de eed.
Aangenomen moet worden dat het fraudesysteem in hoofde van voormelde vennootschap een vaststaand gegeven is. Uit de door de appellant voorgelegde :stukken blijkt dat door de BVBA H. een systeem van niet-officiële leveringen werd verder gezet dat tevoren werd aangewend bij de NV H. N..
De heer R. H. verklaarde in een P.V. opgemaakt op 20 augustus 1997 naar aanleiding van een controle bij de NV Drankencentrale H. :
"Wat de verkopen van vaten betreft, is het systeem enigszins anders. Deze afnemers zijn voornamelijk caféhouders. De levering werd eveneens opgesplitst in een deel officieel en een ander deel niet-officieel. Er werden telkens twee verzendingsnota's en twee facturen opgesteld. Het niet-officiële gedeelte werd gefactureerd op naam van een particulier met klantnr. 9999. De nummers van de verzendingsnota's volgden mekaar op. gebeurden in beide gevallen steeds kontant”.
In ditzelfde P. V. verduidelijkt R. H. nog dat de verkoopfacturen Diversen en Particulier Verkoop globale facturen zijn die meerdere leveringen dekken aan verscheidene afnemers.
In een gelijkaardig proces-verbaal van dezelfde datum opgesteld ten laste van de BVBA H. N. blijkt nog dat door M. H. werd voorgehouden dat de facturen op naam van een privé-persoon bestemd waren voor een privaat feest door die persoon gegeven en dat de facturen op naam van "verkoop particulieren" afhalingen zijn door niet-handelaars. De verzendingsnota's werden eveneens vernietigd. Tevens werd tijdens een controle ter plaatse bij de BVBA H. N. de waarachtigheid van het fraudesysteem bevestigd waarbij een aantal facturen werden aangetroffen met de vermelding 'particuliere verkoop' en verwijzing naar een verzendnota en de overeenstemmende verzendnota die op naam van een werkelijke afnemer zijnde caféhouder was opgesteld.
Uit de verklaringen van de verantwoordelijken van de beide vennootschappen moet tevens worden afgeleid dat het systeem gepaard ging met vernietiging van alle verzendingsnota’s, contante betalingen en gegroepeerde leveringen teneinde ieder direct bewijs met betrekking tot fr niet-officiële leveringen te doen verdwijnen.
Naast het hiervoor opgesomde gekend gegeven van het fraudeprocédé zelf en de vaststellingen ter gelegenheid van het bezoek bij de BVBA H. N. blijkt dat door de verbalisanten een systeem werd ontdekt waarbij aan de ene kant werd gefactureerd op naam en adres van een particulier die in de BTW-bestanden niet gekend was als handelaar. Deze facturen droegen het klantnummer 9999 en betroffen leveringen van zowel vaten als bakken bier. Daarbij werd vastgesteld dat voornoemde particulieren aanzienlijke hoeveelheden leeggoed terug brachten en dat de geleverde goederen aan de particulier sterk overeen kwamen met deze van de factuur ervoor of erna. Anderzijds waren er facturen met de vermelding "Particulier verkoop" ook met klantnummer 9999 die duidelijk bedoeld waren om de kontante verkopen van uitsluitend dranken in discounten vast te stellen. Zoals hoger aangehaald dekken deze globale facturen meerdere leveringen aan verscheidene afnemers.
Het wordt overigens niet betwist dat tussen de geïntimeerde en de BVBA H. veelvuldige handelsbetrekkingen bestonden. Er zijn dan ook geen redenen om aan de geloofwaardigheid van de verklaring van R. H. te twijfelen daar deze er geen enkel belang bij had zijn "klant" met wie hij geregeld handelsbetrekkingen had te bezwaren.
4. Wanneer voormelde feitelijke gegevens worden toegepast op de zaak van de geïntimeerde en wanneer de voorgelegde stukken, zijnde de facturen op naam en deze met de vermelding "Particuliere verkoop", worden nagekeken, kunnen volgende vaststellingen worden weerhouden.
De geïntimeerde was ten tijde van de controle herbergierster. In deze hoedanigheid nam zij zowel vaten als bakken bier af.
Uit het door de administratie gevoerde onderzoek is verder komen vast te staan dat in de meeste gevallen de valse factuur een nummer had van de verzendingsnota die volgt op het verzendingsnummer vermeld op de officiële factuur. Deze vaststellingen werden bevestigd door de hierboven geciteerde verklaring van R. H. en kwamen eveneens tot uiting bij de leveringen aan de geïntimeerde. Het nazicht van de weerhouden facturen opgesomd in bewijsstuk 1 is slechts de bevestiging van het opgezette systeem.
De omstandigheid dat in één enkel geval nl. de factuur van 22 november 1995 er geen opeenvolging van verzendingsnummers is doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk.
In dit verband dient opgemerkt te worden dat zowel de leverancier H. als de geïntimeerde er voor zorgden dat alle verzendingsnota's werden vernietigd (verklaring P. D. V. en M. H.) of dat ze werden weggegooid (verklaring van de geïntimeerde). Deze verzendingsnota's waren een sleutel in het opgezette fraudesysteem omdat daarop precies de juiste naam en het adres van de afnemer waren vermeld.
Verder is het opmerkelijk bij nader onderzoek van de stukken dat alle zwarte leveringen van vaten bier gebeurden op naam van een particulier en dat daar een officiële levering aan voorafging.
Voormelde leveringen staan duidelijk in verband met de officiële leveringen en moeten geacht worden betrekking te hebben op leveringen gedaan aan de geïntimeerde. Deze zienswijze is overigens in overeenstemming met de verklaring van R. H. zelf en de resultaten van het vergelijkend onderzoek van de administratie.
Het feit dat daaromtrent geen gegevens werden aangetroffen in de boekhouding van de geïntimeerde doet daaraan geen afbreuk daar het eigen is aan het zwart circuit dat alle nuttige stukken worden vernietigd (verzendingsnota's). Alhoewel de aangetroffen gegevens slechts te verifiëren gegevens zijn vormen zij gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens (bekentenissen van de leverancier, vaststellingen in de boekhouding, overeenstemming met opgezette fraudesysteem, vernietiging van bewijselementen enz ... ) . De omstandigheid dat door de appellant de lijst met de namen van de betrokken caféhouders niet wordt overgelegd is evenmin van aard bovenvermelde vaststellingen te ontkrachten. Tenslotte wijst de geïntimeerde op het ongerijmde en incoherente karakter van de bewijsvoering doch weerlegt op geen enkele manier de verklaring van R. H..
Dit besluit dringt zich op voor volgende facturen voor de levering van de vaten bier :
| Factuur | Datum | Hoofdsom | BTW |
| 836 | 23/11/95 | 47.150 | 9.740 |
| 1442 | 01/12/95 | 4.720 | 968 |
| 1788 | 08/12/95 | 4.720 | 968 |
| 2097 | 15/12/95 | 2.360 | 484 |
| 2465 | 22/12/95 | 4.720 | 968 |
| 2643 | 28/12/95 | 4.720 | 968 |
| 178 | 04/01/96 | 4.720 | 991 |
| 543 | 12/01/96 | 7.080 | 1.487 |
| 944 | 19/01/96 | 4.348 | 913 |
| 1309 | 26/01/96 | 4.720 | 991 |
| 1671 | 02/02/96 | 7.080 | 1.487 |
| 2302 | 16/02/96 | 4.720 | 991 |
| 2623 | 23/02/96 | 4.720 | 991 |
| 2861 | 28/02/96 | 9.440 | 1.982 |
| 3229 | 06/03/96 | 4.720 | 991 |
| 3768 | 15/03/96 | 4.720 | 991 |
| 4166 | 22/03/96 | 4.720 | 991 |
| 4516 | 29/03/96 | 4.720 | 991 |
| 4836 | 05/04/96 | 7.080 | 1.487 |
| 5487 | 12/04/96 | 4.373 | 918 |
Wat de andere leveringen met de vermelding "particuliere verkoop" betreft dient de stelling van de eerste rechter te worden bij getreden. De daarin opgenomen hoeveelheden hebben betrekking op verscheidene afnemers en niet op één afnemer. Alhoewel het verzendingsnotanummer van de zwarte levering steeds volgt op het verzendnotanummer van de officiële levering is deze vaststelling op dit punt weliswaar in overeenstemming met de verklaring van de zaakvoerder maar weerlegt niet dat de daarin opgenomen hoeveelheden betrekking hebben op verscheidene afnemers. bewering van de appellant dat deze facturen gezuiverd werden van de hoeveelheden afgenomen door de groothandelaars levert op zichzelf het bewijs niet dat de overige hoeveelheden enkel en alleen werden afgenomen door de geïntimeerde. Dezelfde vaststelling dringt zich op voor de bakken bier geleverd op 22.11.1995 bij factuur nr. … op naam van D. V. M..
Het geheel van vermoedens zijn op dit punt niet gewichtig, bepalend en met elkaar overeenstemmend en tonen bijgevolg niet aan dat de beweerde zwarte leveringen met de vermelding "particuliere verkoop" aan de geïntimeerde kunnen worden toegerekend hetgeen wel het geval is met de leveringen van "vaten bier" op naam van een particulier.
Voorgaande overwegingen hebben voor gevolg dat de berekening van de appellant moet worden herbecijferd. Uitgaande van het P.V. van 30 juni 1998 dient voor de berekening van de omzet nog enkel rekening gehouden te worden met de opbrengst van het bier aangekocht in vaten. Bij vergelijking van de berekening in dit P. V. met de voorliggende zwarte facturen blijken de aangekochte hoeveelheden volstrekt te kloppen zodat de cijfers in het P.V. met betrekking tot de totale opbrengst kunnen worden weerhouden.
Voor 1995 bedraagt de totale omzet inclusief BTW … BEF. Rekening houdend met een BTW-percentage van 20, 5 % bedraagt de ontdoken BTW de som van … BEF. Voor 1996 bedraagt de totale omzet BTW inclusief … BEF, zodat rekening houdend met een aanslagvoet van 21 % de ontdoken BTW moet bepaald worden op … BEF. De totale ontdoken BTW bedraagt derhalve … BEF.
5. De geïntimeerde vordert de kwijtschelding, minstens vermindering van de wettelijke boeten op grond van artikel 70, §1 BTW-Wet wegens niet-betaling van de belasting.
Overeenkomstig artikel 70, §1 van het BTW-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde rechten. Overeenkomstig artikel 84 van de BTW-Wet wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Volgens art. 1 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De rechter aan wie gevraagd wordt op grond van voornoemd artikel 70 ,§1 BTW-Wet de sanctie te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
Inzonderheid mag de rechter daarbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld, maar hierbij moet in acht worden genomen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opport uniteit en tegen wettelijke regels in boeten kunnen kwijtgescholden of verminderd worden.
Te dezen blijkt de geïntimeerde meegewerkt te hebben aan een door haar leveranciers opgezet fraudesysteem. De niet officiële leveringen waren dermate groot en de tekortkomingen dermate ernstig dat de geïntimeerde daarbij als te kwader trouw moet worden bestempeld. Het bedrag van ontdoken BTW bedraagt thans nog … BEF. Derhalve wordt door het Hof aangenomen dat de overtredingen begaan werden met het oog op het ontduiken van de BTW of teneinde de ontduiking ervan mogelijk te maken. In de gegeven omstandigheden kan de boete niet worden verminderd en blijft zij behouden op 200 % van de ontdoken rechten hetzij … BEF.
6. Nu het monetair stelsel van openbare orde is januari 2002 de EURO als geldende munt is ingevoerd, dienen de betrokken bedragen in deze munt gelezen te worden aan de omrekeningskoers van 40,3399 BEF voor 1 EURO.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gedeeltelijk gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en opnieuw wijzende,
Verklaart het verzet van de geïntimeerde deels gegrond tegen het dwangbevel uitgevaardigd door B. M., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem op 4 juni 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 juni 1999 door D. P. M., e.a. inspecteur aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent.
Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het hogere bedragen vaststelt dan … BEF aan BTW en … BEF aan fiscale geldboeten.
Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel geïnde meer de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van betaling.
Veroordeelt beide partijen ieder in de helft van de kosten begroot op :
- Aan de zijde van de appellant :
- uitgavenvergoeding … EUR
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
- aan de zijde van de geïntimeerde :
- dagvaardingskosten … EUR
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op VEERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF.
Aanwezig :
Mevrouw N. V. I., Voorzitter
De Heren : A. D. M. en G. T., Raadsheren
M. V., griffier
M. V. G. T. A. D. M. N. V. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.