Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 13.10.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2008/AR/1615
BVBA R. D., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;
appellante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 12 december 2007;
vertegenwoordigd door Meester S. V. d. A. loco Meester A. L., advocaat te …, …, …;
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 12 december 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 juni 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
Appellante is ingevolge de door haar uitgeoefende activiteit van exploitatie van recreatie- en lunaparken onderworpen aan de BTWwetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Zij werd als belastingplichtige geregistreerd onder het nummer ….
1.2.
Tijdens een fiscaal toezicht verricht door de heer S. W., e.a. inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen, Voorstraat 43 te 3500 Hasselt, werd de toepassing van de BTW-wetgeving bij appellante gecontroleerd over de periode van 1 januari 2001 tot 30 september 2003.
Ter gelegenheid van dit fiscaal toezicht werden er door de controlerende ambtenaar inbreuken vastgesteld op de BTW wetgeving en haar regelgeving.
Deze vaststellingen werden door de controlerende ambtenaar opgenomen in een proces- verbaal, opgemaakt op 7 december 2004 (stuk 1 A.D.).
1.3.
Aangezien appellante niet vrijwillig overging tot betaling, heeft de met de invordering belaste ambtenaar op 13 december 2004, op grond van artikel 85, § 1 van het BTW-Wetboek een dwangbevel uitgevaardigd dat op 15 december 2004 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur a.i., van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (stuk 2 A.D.).
1.4.
Dit dwangbevel werd met bevel tot betaling aan appellante betekend bij exploot van 27 december 2004 door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. M. als plaatsvervanger voor gerechtsdeurwaarder D. V., kantoorhoudende te 3500 Hasselt, Raamstraat 12 (stuk 3 A.D.).
In dit dwangbevel wordt een bedrag gevorderd ten belope van … EUR als BTW, van … EUR als verminderde geldboete krachtens artikel 70, § 1 en § 1bis BTW-Wetboek, van … EUR als geldboete ingevolge artikel 70, § 4 BTW-wetboek, te vermeerderen met de intresten conform artikel 91, BTW-wetboek, a rato van 0,8 % per maand vertraging in de betaling, te rekenen vanaf 21 oktober 2003.
Daarenboven worden nog ingevolge artikel 91, § 4, W.BTW, de moratoire intresten gevorderd over de nog te betalen geldboeten, vanaf de betekening van het dwangbevel.
1.5.
Bij het geding inleidend verzoekschrift van 4 januari 2005 leidde appellante de procedure in voor de eerste rechter.
De oorspronkelijke vordering van appellante voor de eerste rechter strekte ertoe :
"In hoofdorde,
Te zeggen voor recht dat de eventueel verschuldigde BTW, de intresten en de administratieve geldboete als verjaard dienen te worden beschouwd;
Dienvolgens de administratie te veroordelen tot opheffing van de BTW-schuld vermeld in het dwangbevel van 13 december 2004 (ter kennis gebracht bij exploot van 27 december 2004) en te zeggen voor recht dat concludente niet gehouden is tot betaling aan de Belgische Staat van de bedragen die deze van haar vordert ten titel van BTW in hoofdsom, intresten en geldboeten;
In ondergeschikte orde,
Indien de rechtbank zou oordelen dat de vordering niet verjaard is, quod certe non, de vordering van de administratie ontvankelijk doch volledig ongegrond te verklaren;
Concludente akte te verlenen van haar voorbehoud om hieromtrent nader te concluderen;
In uiterst ondergeschikte orde;
Indien de rechtbank mocht van oordeel zijn dat de vordering gegrond is, quod certissime non, concludente vrij te stellen van de betaling van de intresten en de administratieve geldboeten kwijt te schelden;
De administratie te veroordelen tot de kosten van het geding ...”
1.6.
Bij het bestreden tussenvonnis van 12 december 2007 oordeelde de eerste rechter dat de vordering van de Belgische Staat niet aangetast was door verjaring, zoals appellante steeds heeft voorgehouden.
De zaak werd naar de rol verzonden voor verdere instaatstelling ten gronde.
1.7.
Tegen voormeld tussenvonnis leidde appellante de onderhavige beroepsprocedure in.
De vordering in graad van beroep van appellante, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
"Het hoger beroep van concludente ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Dienvolgens, het vonnis van 12 december 2007 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te HASSELT te hervormen en rechtdoende wat de eerste rechter had moeten doen;
Te zeggen voor recht dat de eventueel verschuldigde BTW, de intresten en de administratie geldboeten als verjaard dienen te worden beschouwd;
Dienvolgens de Administratie te veroordelen tot opheffing van de BTW-schuld vermeld in het dwangbevel van 13 december 2004 (ter kennis gebracht bij exploot van 27 december 2004) en te zeggen voor recht dat concludente niet gehouden is tot betaling aan van de bedragen die deze van haar vordert ten titel van BTW in hoofdsom, intresten en geldboeten;
In ondergeschikte orde,
Indien het Hof zou oordelen dat de vordering niet verjaard is, quod certe non, de vordering van de Administratie ontvankelijk doch volledig ongegrond te verklaren;
Concludente akte te verlenen van haar voorbehoud om hieromtrent nader te concluderen;
In uiterst ondergeschikte orde,
Indien het Hof mocht van oordeel zijn dat de vordering gegrond is, quod certissime non, concludente vrij te stellen van de betaling van de intresten en de administratieve geldboeten kwijt te schelden;
Huidige geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleg inbegrepen de rechtsplegingsvergoedingen conform artikel 1022 Ger. W;"
1.8.
De vordering in graad van beroep van de Belgische Staat, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
"Het door appelante bij verzoekschrift van 18 juni 2008 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 12 december 2007 van de 11 kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt ongegrond te verklaren.
Diensvolgens appellanten ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten ervan met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Het door appellante bestreden vonnis te bevestigen m.b.t. de problematiek van de verjaring.
Recht doende over de grond van de zaak de door appellante gestelde vordering bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 4 januari 2005 ongegrond te verklaren en appellante ervan af te wijzen."
2. Bespreking
2.1.
Appellante heeft volgens de fiscale administratie in haar BTWaangifte over het 4de kwartaal 1998 ten onrechte de BTW geheven over de inrichtingswerken in aftrek gebracht.
Deze aangifte werd ingediend in de maand januari 1999.
De oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW, zijnde de onrechtmatige aftrek, heeft zich derhalve ook in januari 1999 voorgedaan.
Appellante houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is op grond van artikel 81 W.BTW.
Krachtens artikel 81 W.BTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete te verjaren vanaf de dag waarop deze vordering is ontstaan.
Overeenkomstig artikel 81bis, § 1, eerste lid W.BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Vermits de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in januari 1999 zou de verjaring overeenkomstig artikel 81bis, § 1 , eerste lid W.BTW intreden op 31 december 2002, behoudens in geval van stuiting of schorsing van de verjaringstermijn.
Artikel 83, § 1 W.BTW bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Derhalve dient onderzocht te worden of er een rechtsgeldige stuiting was van de verjaring overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2244, e.v. van het Burgerlijke Wetboek binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de vordering is ontstaan.
De administratie beroept zich op een verjaringsstuitende schulderkenning overeenkomstig artikel 2248 BW.
Appellante heeft in haar boekhouding in de rubriek "te betalen BTW" op de passiefzijde het bedrag opgenomen dat overeenstemt met de volgens de fiscale administratie ten onrechte in aftrek gebrachte BTW over de inrichtingswerken.
De Belgische Staat stelt dat de uitdrukking van de BTW-schuld in de balans en de goedkeuring van de jaarrekening door de zaakvoerder en de algemene vergadering, een uitdrukkelijke schriftelijke erkenning is van de BTW-schuld.
Overeenkomstig artikel 1330 BW leveren boeken van kooplieden bewijs op tegen hen.
De BTW-schuld werd uitdrukkelijk opgenomen in de balans als "te betalen BTW".
Er werd terzake in de eigen boekhouding niet het minste voorbehoud geformuleerd (door bvb. mutatis mutandis te boeken conform CBN-advies 128-6 of door gewoonweg geen schuld te boeken maar het betwiste bedrag en de reden van de betwisting te vermelden in de toelichting bij de Jaarrekening).
De vermeldingen in de balans en in de jaarrekening van appellante kunnen in casu dan ook beschouwd worden als een valabele (overeenkomstig artikel 2248 BW) verjaringstuitende schulderkenning vanwege appellante.
Rekening houdend met het voorgaande is de eerste rechter dan ook terecht van oordeel dat de vordering van de Belgische Staat niet verjaard is.
2.2.
Voor de verdere instaatstelling ten gronde wordt de zaak naar de rol verzonden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.
Bevestigt het bestreden vonnis, wat betreft de hoger behandelde betwisting omtrent de verjaring.
Verzendt de zaak naar de bijzondere rol voor verdere instaatstelling.
Houdt de beslissing over de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van DERTIEN OKTOBER TWEEDUIZENDENNEGEN, waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
S. B. en
M. V. d. B., Raadsheren;
A.v. L., Griffier.
A.V. L. M. V. D. B. S. B. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.