Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.04.2008 (P.07.1744.F)
Valse facturen - BTW-carrousel - Gebruik van valse stukken - Duur van het misdrijf - Recht op de eerlijke behandeling van de zaak - Onregelmatig verkregen inlichting - Wettigheid van de bewijzen
Wettelijke bepalingen
Art. 6, 1°, E.V.R.M.
Artt. 196, 197 en 213, Sociaal Strafwetboek
Samenvatting
Uit de omstandigheid dat een inlichting onregelmatig werd verkregen, volgt niet dat de eventuele misdrijven waarvan het bestaan aan de hand van die inlichting kan worden vermoed, niet meer wettig en met eerbiediging van de rechten die door artikel 6.1 E.V.R.M. zijn gewaarborgd, kunnen worden bewezen.
De aanwezigheid, in een strafdossier, van stukken of verklaringen die door de belastingadministratie zijn verkregen dankzij een wetgeving die het gebrek aan medewerking met een geldboete bestraft, kan het eerlijke karakter van het later gevoerde strafproces alleen in het gedrang brengen wanneer de aldus vergaarde gegevens niet onderscheiden kunnen worden van de bewijzen die door de vervolgende partij worden aangevoerd.
Het gebruik van valse stukken duurt ook voort zonder nieuwe daad van de vervalser en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg blijft hebben dat hij ervan verwachtte ; aangezien er valse facturen waren opgemaakt met de bedoeling om artikel 53 BTW-Wetboek te overtreden, onder meer door de aflegging van leugenachtige verklaringen om onverschuldigd de terugstorting van BTW-kredieten te verkrijgen, en het door de vervalsers beoogde doel bestond in het onrechtmatig ontvangen van deze bedragen onder de dekmantel van een fictieve verkoop voor wereldwijde export en niet in het definitief opstrijken van een belasting, berekend op inkomsten die onder de werkelijke cijfers liggen, hebben de appelrechters dus kunnen oordelen dat de valse stukken pas opgehouden hebben het voor de vervalsers nuttige gevolg te hebben dat zij ervan verwachtten, op de dag dat de door die stukken misleide administratie de valsheid ervan bij het parket heeft aangegeven.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 02.04.2008
(P.07.1744.F)
- A. M.,
- de D. H., Mrs. H.V.B. en N.V.D.E., advocaten bij de balie te Brussel,
- de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Luik,
tegen
- A. M., e.a.,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen van de eerste en derde eiser zijn gericht tegen een arrest, op 26 oktober 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, correctionele kamer.
Het cassatieberoep van de tweede eiser is gericht tegen hetzelfde arrest en tegen een arrest alvorens recht te spreken, op 2 maart 2006 gewezen door het voormelde gerecht.
In een memorie waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, voert de tweede eiser een middel aan tegen het arrest alvorens recht te spreken en drie middelen tegen het eindarrest. Hij voert tevens verschillende grieven aan in een op 4 februari 2008 aan de griffie van het Hof afgegeven brief.
II. BESLISSING VAN HET HOF
(...)
B. Over het cassatieberoep van H. d. D.:
1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 2 maart 2006 :
Over het middel:
Het middel verwijt het arrest in substantie, dat het heeft beslist dat de belastingadministratie niet verplicht was om de belastingplichtigen die zij om hun medewerking verzocht, ervan te verwittigen dat het parket tegen hen een strafrechtelijk vooronderzoek had geopend.
Volgens het middel werd deze belastingplichtigen bijgevolg niet de gelegenheid geboden om hun recht op stilzwijgen uit te oefenen toen zij door de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie werden verhoord, zodat de vervolgingen niet ontvankelijk hadden moeten worden verklaard, aangezien de rechtspleging niet eerlijk is verlopen in de zin van artikel 6.1 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Uit de omstandigheid dat een inlichting onregelmatig werd verkregen, volgt niet dat de eventuele misdrijven waarvan het bestaan aan de hand van die inlichting kan worden vermoed, niet meer wettig en met eerbiediging van de rechten die door de voormelde verdragsbepaling zijn gewaarborgd, kunnen worden bewezen.
De aanwezigheid, in een strafdossier, van stukken of verklaringen die door de belastingadministratie zijn verkregen dankzij een wetgeving die het gebrek aan medewerking met een geldboete bestraft, kan het eerlijke karakter van het later gevoerde strafproces alleen in het gedrang brengen wanneer de aldus vergaarde gegevens niet onderscheiden kunnen worden van de bewijzen die door de vervolgende partij worden aangevoerd.
Naast de reden waartegen het middel opkomt, stelt het arrest vast dat de verhoren van de eiser en van de overige beklaagden, die door de belastingadministratie in januari en februari 1996 zijn afgenomen, alleen de start hebben gegeven tot de onderzoeken van de speurders.
Volgens het arrest komen de bewijsgegevens die door de vervolgende partij worden aangevoerd, hoofdzakelijk voor in de verhoren en confrontaties van de beklaagden in de loop van het eigenlijke strafonderzoek, in de documentatie verzameld door de Cel voor Financiële Informatieverwerking alsook in de boekhoudkundige en financiële stukken, verkregen tijdens huiszoekingen en met bankvorderingen.
Het arrest stelt eveneens vast dat het onderzoek van het parket los van een klacht of aangifte van de belastingadministratie is ingesteld, dat de omstandigheid dat het administratieve- en het strafonderzoek gedurende de twee bovengenoemde maanden gelijktijdig zijn gevoerd, geen enkele invloed heeft gehad op de toestand van de beklaagden en dat de gegevens die door de bijzondere belastinginspectie zijn vergaard, niet gebruikt werden om hun latere verklaringen tegen te spreken.
Door aldus erop te wijzen dat de bewijzen die tegen de beklaagden zijn aangevoerd, niet voortkwamen uit de inlichtingen die door de belastingadministratie zijn vergaard, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing volgens welke het recht van de eiser om niet bij te dragen tot zijn eigen inbeschuldigingstelling niet werd miskend.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 26 oktober 2007 :
Over het eerste middel:
Het arrest verwerpt de exceptie volgens welke de strafvordering niet ontvankelijk is wegens verjaring, op grond van de vaststelling dat het gebruik van de valse stukken heeft voortgeduurd tot 11 maart 1997, dag waarop de bijzondere belastinginspectie bij het parket een fraude heeft aangegeven met valse facturen, uitgeschreven tussen 30 juli en 1 november 1995 (telastleggingen A.18 tot A.21).
Volgens de eiser had het arrest het aanvangstijdstip van de verjaring niet moeten vaststellen op de dag van de aangifte van de valsheid bij het parket, aangezien die omstandigheid geen verband houdt met het morele bestanddeel van het misdrijf dat bij artikel 73bis van het BTW-Wetboek wordt gestraft, maar op de dag waarop de belasting definitief werd gevestigd, wat het arrest verzuimt na te gaan.
Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser een conclusie zou hebben neergelegd waarin hij de bodemrechters verzoekt de datum vast te stellen waarop de belasting definitief is gevestigd en aanvoert dat die dag voorafgaat aan deze van de aangifte die als aanvangstijdstip van de verjaring in aanmerking is genomen.
Het middel dat niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd, is in zoverre niet ontvankelijk.
Voor het overige duurt het gebruik van valse stukken ook voort zonder nieuwe daad van de vervalser en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg blijft hebben dat hij ervan verwachtte.
Het arrest stelt vast dat, zoals blijkt uit de formulering van telastlegging D.64, de valse facturen die de eiser worden ten laste gelegd, zouden zijn opgemaakt met de bedoeling om artikel 53 van het BTW-Wetboek te overtreden, onder meer door de neerlegging van periodieke leugenachtige verklaringen om onverschuldigd de terugstorting van B.T.W.-kredieten te verkrijgen.
Het door de vervalsers beoogde doel zou dus bestaan hebben in het onrechtmatig ontvangen van deze bedragen onder de dekmantel van een fictieve verkoop voor wereldwijde export en niet in het definitief opstrijken van een belasting, berekend op inkomsten die onder de werkelijke cijfers liggen.
De appelrechters hebben dus kunnen oordelen dat de onder telastlegging A bedoelde valse stukken pas opgehouden hebben het voor de vervalsers nuttige gevolg te hebben dat door het arrest wordt beschreven, op de dag dat de, door die stukken benadeelde administratie, de valsheid ervan bij het parket heeft aangegeven.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
(...)
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt ieder van de beide eerste eisers in de kosten van zijn cassatieberoep.
Laat de kosten van het cassatieberoep van de derde eiser ten laste van de Staat.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.