Teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 4 december 2001

Zoeken

Teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-hof-van-beroep-gent-2001-12-04-999a

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
4 december 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

163 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 04.12.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent, 14de Kamer bis - Buitengewone terechtzitting van 04 december 2001

(na tussenarresten d.d. 06.04.01 en 09.10.01)

BTW

1996/AR/2373 - In de zaak van :

A. T. C. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer …,

appellante,

appellante van een vonnis op 11 juni 1996 gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent,

vertegenwoordigd door Mr. T. R., advocaat te …, …, en door Mr. V. J., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 11, gevestigd te 9000 GENT, Ramen 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. D. C., advocaat te …, …,

velt het hof het volgend arrest :

De partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies;

de stukken werden andermaal ingezien.


0. Omtrent de vordering van de appellante tot overlegging van het administratief dossier

Het Hof beperkt er zich toe, in beslagzaken, recht te doen prima facie, zonder te oordelen over de rechten van de partijen of de rechtspositie van de partijen (met betrekking tot het verzet tegen de dwangbevelen) te wijzigen.

Het Hof doet uitspraak aan de hand van de gegevens en stukken, Ons door de beide partijen overgelegd (na wederzijdse mededeling) en door het Hof -in onderhavige zaak- voldoende bevonden ter berechting van de zaak, in acht genomen het voorwerp en de aard van de vordering en de beslissingsmacht van de beslagrechter.

In zelfde gedachtengang is de exceptie "Ie criminel tient Ie civil en état" in beslagzaken niet toelaatbaar en kan ze de berechting van de beslagzaak niet opschorten.

Het gaat trouwens niet op dat de appellante, zonder nadere specificatie, de overlegging vordert van "het volledig administratief dossier" van de geïntimeerde, op grond van beweerde "wapenongelijkheid";

Er zou slechts van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kunnen zijn wanneer de geïntimeerde zich van het administratief dossier zou bedienen, zonder voorafgaande mededeling aan de appellante.

Dit is echter ter zake niet het geval.

De appellante vordert niet de overlegging van wel bepaalde stukken noch geeft ze motieven [in acht genomen de aard van onderhavig geschil en de draagwijdte van het te verlenen arrest (dat de bodemrechter, gevat van het verzet tegen de verschillende dwangbevelen, niet bindt)] om de overlegging ervan te doen bevelen.

Het komt het Hof voor dat het administratief dossier, minstens partieel, deel uitmaakt van het strafdossier, ingevolge de verdenking van fiscale fraude.

Het Hof kan uiteraard het inquisitoir karakter van het gerechtelijk onderzoek niet miskennen.

Ten andere, afgezien van het geheim karakter van het onderzoek, heeft de appellante -mits van rechtmatig belang te doen blijken- de mogelijkheid -in het kader van de Wet Franchimont­ inzage te benaarstigen van het strafdossier, aangelegd ingevolge vermeende BTW-fraude.

Het is uiteraard niet het Hof, zetelend als beslagrechter in hoger beroep, dat desbetreffend kan oordelen.

Het kwam desgevallend aan de appellante toe zich (tijdig) tot de bevoegde magistraat te wenden om van de mogelijkheid tot inzage van het strafdossier gebruik te maken, zonder de beslissing van de raadkamer te moeten afwachten.

1. Het tussenarrest/de toelaatbaarheid van de tussenvorderingen

1.1. Bij het tussenarrest van 09.10.2001 werden de debatten heropend.

Thans stelt de appellante in conclusies dat zij bij vergissing concludeerde tot opheffing van een inhouding van 30.04.1996, de bedoelde inhouding daterende van 14.06.1996 (zie intra).

Derwijze kan ze ook geen stukken betreffende een inhouding van 30.04.1996 overleggen, zoals gevraagd in Ons tussenarrest van 09.10.2001.

1.2. De Belgische Staat betwist niet langer de toelaatbaarheid van de tussenvorderingen, houdende het verzet van de appellante tegen de, op deze van 19.12.1995 -waartegen verzet bij exploot van 09.01.1996- volgende, inhoudingen van BTW.

Gelet op de art. 807 en 1042 Ger.W.,

gelet op de gegevens aangehaald in de inleidende verzetakte van 09.01.1996,

gelet op de afstand door de Belgische Staat van de exceptie van ontoelaatbaarheid,

kunnen de tussenvorderingen, houdende verzet tegen de navolgende inhoudingen, toelaatbaar verklaard worden.

2. Beoordeling van de verschillende vorderingen, houdende het verzet tegen de opeenvolgende BTW-inhoudingen, te weten :

de inhouding van 19.12.1995, ingevolge art. 8/1, § 3, 5° van het KB nr. 4, voortvloeiend uit het PV 14.12.1995,

de inhouding van 14.06.1996, ingevolge art. 8/1 § 3, 4° van het KB nr. 4, voortvloeiend uit het PV 12.06.1996, waarbij ten onrechte niet afgedragen BTW werd begroot op 46.849.379 BF (leveringen CV Computer en Dimi),

de inhouding van 28.11.1997, ingevolge art. 8/1, § 3, 4° van het KB nr. 4, na verzet van 29.04.1997 en 07.08.1997 tegen dwangbevelen respectievelijk uitgevaardigd op 14.02.1997 (ten belope van 48.368.456 BF als boete, onverminderd intrest en kosten) en 31.07.1997 (ten belope van 335.967.577 BF BTW, onverminderd boeten, intresten en kosten), voortvloeiend uit de PV's van 11.07.1996 en 20.09.1996,

de inhouding van 03.03.1998, in vervanging van 24.02.1998, ingevolge art. 8/1, § 3, 4° van het KB nr. 4, na verzet tegen de dwangbevelen- en voor de bedragen voormeld, voortvloeiend uit de PV's van 11.07.1996 en 20.09.1996,

de inhouding van 06.07.1998, in vervanging van de akte van 22.06.1998, ingevolge art. 8/1, § 3, 4° van het KB nr. 4, na verzet tegen de dwangbevelen- en voor de bedragen voormeld, voort­ vloeiend uit de PV's van 11.07.1996 en 20.09.1996,

de inhouding van 08.09.1998, ingevolge art. 8/1, § 3, 4° van het KB nr. 4, na verzet tegen de dwangbevelen- en voor de bedragen voormeld, voortvloeiend uit de PV's van 11.07.1996 en 20.09.1996.

De opeenvolgende inhoudingen beliepen tot eind januari 1998 1.526.464 BF + 729.328 BF + 2.326.676 BF + 1.556.416 BF (brief van 12.05.1998 van e.a. inspecteur G. S., in antwoord op de vraag van de beslagene van 05.05.1998);

de verklaringen van de derde-beslagene zijn Ons niet overgelegd, derwijze dat het Hof geen kennis heeft van de hoegrootheid der inhoudingen, ingevolge de akten van 06.07.1998 en 08.09.1998.

2.0. De appellante fundeert haar hoger beroep tegen de beslissing van de beslagrechter te Gent o.m.

* op de nietigheid en het niet wettig zijn van de inhoudingen verricht door de geïntimeerde (het KB nr. 4 is ongrondwettelijk),

* op het gemis van bewijskracht van de processen-verbaal waarop de administratie de inhoudingen grondt (derhalve geen vermoedens, laat staan bewijzen van onregelmatigheden).

2.1. De appellante legt ter staving van haar stelling een ressem uitspraken over;

relevant ter zake zijn het arrest d.d. 07.07.1998 van het Arbitragehof en het arrest van 18.12.1997 van het Europees Hof van Justitie.

Bezwaarlijk kan de appellante de fiscale administratie euvel duiden dat zij haar stelling in de loop van het geding, in het bijzonder in deze instantie, aanpast aan deze rechtspraak.

2.2. Onbetwistbaar staat vast dat de overheid niet gelijk te stellen valt met de "gewone" burger en over adequate middelen moet beschikken om de belasting te innen, zonder dewelke haar opdracht (dienen van het openbaar belang) in het gedrang komt.

Noch in het internationale recht, noch in het nationale recht werden aan de overheid afwijkingen van het gemeen recht (ter zake door inhouding van voor teruggaaf vatbare BTW-bedragen) ontzegd, ten einde een doelmatige bescherming van de rechten van de schatkist en een adequate inning van de belastingen te garanderen.

Terecht wordt -wat betreft de geldigheid van afwijkende invorderingsmaatregelen/bewarende maatregelen- het evenredigheidscriterium gehanteerd;

de bijzondere maatregelen waarover de belastingdiensten beschikken moeten een objectieve en redelijke verantwoording hebben, terwijl ze de rechterlijke (controle)opdracht niet mogen herleiden tot een loutere formaliteit.

Waar het Hof van Justitie (in zijn arrest van 18.12.1997) oordeelde dat de nationale maatregelen -inhouding van voor teruggaaf vatbare BTW-bedragen, als bewarende maatregelen bij vermoeden van belastingfraude, in huidige zaak aan de orde­ mogelijk blijven (overweging 41 en 44), komt het -steeds luidens het arrest van 18.12.1997- aan de nationale rechter toe te oordelen of de betrokken maatregelen en de toepassing daarvan door de bevoegde administratie evenredig zijn (dispositief, alinea 2, lid 2) met de doelstelling en de beginselen van het gemeenschapsrecht.

Expliciet voegt het Hof van Justitie daaraan o.m. nog toe :

"bij een dergelijke beoordeling wordt "door de nationale rechter" geen rekening gehouden met de nationale rechter “geen rekening gehouden met de nationale bepalingen of een uitlegging daarvan, die in de weg staan aan een doelmatige rechterlijke toetsing, en met name aan de spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding van het voor teruggaaf vatbare BTW-overschot” (overweging 64 en dispositief).

Het komt aan dit Hof toe zich naar de richtlijnen vervat in voormeld arrest, te conformeren, gelet op het ogenschijnlijk conflict tussen de inhouding overeenkomstig art. 8/1, § 3 en het gemeenschapsrecht (art. 18, lid 4 van de zesde richtlijn van de Raad van 17.05.1977).

2.3. Het arrest van het Arbitragehof, verleend op 07.07.1998 (BS 29.09.1998).

Het Arbitragehof gaat in dit arrest uit van de mogelijkheid tot dubbele interpretatie van de wettelijke norm, m.n. de uitlegging van art. 76, § 1 BTW-wetboek, al dan niet de grondwet schendend.

Het arrest van 07.07.1998 van het Arbitragehof, laat desbetreffend geen twijfel en luidt letterlijk, onder IV In rechte, Littera A.1.1 :

"De interpretatie die de verwijzende rechter aan de wetskrachtige norm geeft of kan lijken te geven, is niet bindend voor het Hof, dat vrij is de voorkeur te geven aan een andere interpretatie, die meer in overeenstemming is met de Grondwet. Een eerste antwoord op de gestelde vraag zou moeten luiden dat artikel 76, § 1, van het BTW-Wetboek, in die zin opgevat dat het de Koning niet toestaat afbreuk te doen aan het recht van iedere persoon om elke vordering tot betaling die door of tegen hem is geformuleerd en iedere inhouding of beslag waarvan hij het voorwerp uitmaakt, aan een daadwerkelijke rechterlijke controle te onderwerpen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt."

Meer nog, het Arbitragehof voegt daaraan toe, onder A.1.2. :

"Vermits het Hof evenwel niet in staat is aan de verwijzende rechter de interpretatie van een wetskrachtige norm op te leggen die logischerwijze en vanuit juridisch oogpunt VOORRANG moet hebben, moet het zich uitspreken over de grondwettigheid, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 76, § 1, van het BTW-Wetboek, in zoverre dat artikel in die zin wordt opgevat dat het de Koning toestaat om, op het stuk van de BTW, wezenlijke afwijkingen van het gemeen recht van het beslag in te voeren die tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan het aan iedere persoon verleende recht om elke door of tegen hem geformuleerde vordering tot betaling en iedere inhouding of ieder beslag waarvan hij het voorwerp uitmaakt, aan een daadwerkelijke rechterlijke controle te onderwerpen. In die interpretatie schendt de aan het Hof voorgelegde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om de volgende redenen."

Het ligt voor de hand -gelet op wat vooraf gaat- art. 76 Wb BTW (dat ten andere verwijst naar art. 1445 Ger.W.) te interpreteren in die zin dat de norm niet ongrondwettelijk is.

Het voren gestelde brengt mede dat de bepalingen ter uit­ voering van het art. 76 van de wet -met name de inhoudingen overeenkomstig art. 8/1, § 3, lid 4 of 5 en de daarop volgende bepalingen van het KB nr. 4- helemaal niet moeten worden begrepen in die zin dat rechterlijke controle onmogelijk is;

a contrarie, een grondwet conforme uitlegging ligt voor de hand;

dit, terwijl door de rechter van dit deel van de gewraakte bepalingen dat de rechterlijke controle (art. 1413 en 1415 Ger.W.) zou uitsluiten, (desgevallend) abstractie zal moeten worden gemaakt, als strijdig met de grondwet.

Voormelde principes toegepast op art. 8/1 § 3, doen het Hof vast stellen :

- dat het vermoeden van spoedeisendheid, vervat in alinea 4, moet worden begrepen als een vermoeden iuris tantum,

- dat van al. 10, in de mate dat het de rechterlijke controle omtrent de vereisten gesteld in art. 1415 Ger.W. zou uitsluiten, geen toepassing kan worden gemaakt, de desbetreffende bepaling alsdan strijdig zijnde met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (zie arrest d.d. 07.07.1998 van het Arbitragehof) en met het evenredigheidscriterium (arrest Hof van Justitie van 18.12.1997).

Meteen volgt daaruit dat de beslagrechter -en na hem het Hof van Beroep- in het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inhouding, het verweer van de appellante met betrekking tot de vereisten, gesteld in art. 1415 Ger.W. (schuldvordering die zeker, vaststaand en opeisbaar is) en de vereiste van hoogdringendheid, dient te onderzoeken.

Indien niet is voldaan aan de art. 1413 en 1415 Ger.W. zal de inhouding -geldend als bewarend beslag- onrechtmatig dienen verklaard.

De vermoedens door de administratie geput uit de processen-verbaal door haar opgesteld, vermag de beslagene -gelet op wat vooraf gaat- te weerleggen.

Het behoort -gelet op het gestelde- de gegevens van deze zaak te toetsen aan de wettelijke vereisten voor het bewarend beslag.

2.4. De schuldvordering, grond voor de inhouding van 19.12.1995 :

De Belgische Staat fundeert zijn inhoudingen op de belastingkredieten van ATC, stellende dat de laatste geen aanspraak heeft op vrijstelling van BTW, nu zij geen intracommunautaire leveringen -voorwaarde voor de vrijstelling, krachtens art. 38 bis Wb BTW- bewijst.

2.4.1. Voorafgaand :

1/ De stelling van de appellante als dat de inhouding "enkel en alleen gebaseerd kan zijn op de gegevens die werden opgenomen in het proces-verbaal" voorafgaand de inhouding ter kennis gebracht (ter zake dit van 14.12.1995), kan uiteraard niet bijgetreden worden.

Art.8/1, § 3, al. 5 en 6 luidt :

"Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot dat blijkt uit de aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3, van het Wetboek en waarvoor de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de genoemde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit overschot of de overbrenging ervan naar het volgend aangiftetijdvak niet plaats en wordt het belastingkrediet ingehouden teneinde de Administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

De ernstige vermoedens of bewijzen bedoeld in het vorige lid, die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek en worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige."

Deze bepalingen laten geen twijfel :

immers de vermoedens (of bewijzen) vervat in het vooraf ter kennis gebrachte proces-verbaal moeten van aard zijn de belastingschuld aan te tonen of de belastingschuld helpen aantonen.

Deze bewoordingen ("helpen aantonen" : alinea 6) impliceren dat ook andere bewijselementen, buiten het vooraf ter kennis gebrachte proces-verbaal, kunnen worden aangevoerd ten bewijze van de belastingschuld.

Dit,

* terwijl de inhouding geldt als bewarend beslag ten einde de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan (alinea 5),

* terwijl de inhouding geldt als bewarend beslag tot wanneer de vermoedens door de administratie, geput uit haar onderzoek en vermeld in het vooraf ter kennis gebracht proces-verbaal, zijn omgekeerd.

Waar in het initieel proces-verbaal van 14.12.1995 de administratie (de bijzondere belastinginspectie) zich beperkte tot de vaststelling dat de intracommunautaire leveringen door ATC aan de Spaanse vennootschap CCN, ten belope van 2.662.282.586 BF in het kalenderjaar 1994, niet opgenomen werden in de boekhouding van de beweerde koper, wat een belastingschuld (BTW) in hoofde van ATC in het vooruitzicht stelde, werd de vermoede onregelmatigheid -gesteund op het gemis aan concordantie tussen de boekhoudingen van ATC en CCN- in een later proces-verbaal geconcretiseerd (infra).

2/ Dat inmiddels vermoedens van andere onregelmatigheden vervat in het PV van 14.12.1995, uit hoofde van de facturaties aan de BV V. O. l. B. (Nederland) -door het verder onderzoek- ongefundeerd werden bevonden, doet aan voren gestelde vaststellingen met betrekking tot de facturaties aan CCN geen afbreuk.

2.4.2. Het vervoer van uit België naar een andere lidstaat (Spanje) werd slechts gedeeltelijk aangetoond (proces-verbaal van 11.07.1996, op grond waarvan de latere dwangbevelen werden betekend).

Het verweer van ATC dat de fraude bij uitsluiting werd begaan door haar medecontractante CCN en dat het gedeelte van de aan de Spaanse vennootschap CCN gefactureerde goederen, waarvoor geen intracommunautaire verwerving was bewezen, geleverd werd in Duitsland (aan CCK, ook aangeduid als COK), met eigen vervoer, bleef -luidens het PV van 11.07.1996- onbewezen;

met betrekking tot de beweerde leveringen in Duitsland, bleek ATC niet in staat aan de bevoegde administratie bewijskrachtige stukken, als contracten, vervoer- of betalingsbewijzen over te leggen (zie intra, KB nr. 52).

Derwijze werd -steeds in het PV van 11.07.1996- de niet gekweten BTW bepaald op 444.722.847 BF.

De voormelde vaststellingen van de administratie werden (tot op heden) niet weerlegd door de appellante, zoals hierna betoogd, derwijze dat de inhouding verder geldt als bewarend beslag.

Immers,

* de 19 "bundels, genummerd III.1 tot III.19" -door de appellante "ten exemplatieve titel" overgelegd- zijn fotokopies waarvan de inhoud het Hof niet overtuigt.

Vooreerst wegen 19 facturen, met aangehechte stukken, niet op tegen de listing van honderden facturen, vervat in het PV van 11.07.1996;

tevens blijkt -uit het onderzoek van het Hof- dat sommige van deze facturen waarvoor wel een luchtvervoerdocument wordt overgelegd (b.v. de factuur … van 27.06.1994, factuur … van 08.09.1994, factuur … van 10.10.1994, factuur … van 19.10.1994, factuur … van 07.12.1994, factuur … van 21.12.94), niet zijn begrepen in de listing van facturen waarvoor geen intracommunautaire levering is bewezen .... (listing opgenomen in het PV van 11.07.1996).

Eén en ander, terwijl de overgelegde bankbescheiden, helemaal niet laten blijken van betalingen (door derden) van de overgelegde facturen, laat staan van betalingen door CCN.

Derhalve zijn de vermoedens geput uit de vaststellingen van de bevoegde administratie, overeind gebleven en is inzonderheid niet -met een voldoende schijn van geloofwaardigheid- bewezen dat de goederen door de appellante gefactureerd aan CCN (opgesomd in het PV van 11.07.1996), effectief het Belgisch grondgebied hebben verlaten en vervoerd werden naar een andere lidstaat;

meteen is -aan de hand van de overgelegde stukken- door de appellante niet aanneembaar gemaakt dat ATC aan de wettelijke vereisten voor vrijstelling van BTW voldeed (met betrekking tot de facturen aan CCN, opgesomd in het PV van 11.07.1996);

de vordering van de Belgische Staat behoudt derhalve haar karakter van "zeker" zijn.

* Bovendien, het KB nr. 52 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen, stelt de vrijstelling bedoeld in art. 39 bis van het Wetboek afhankelijk van verzending of vervoer buiten België naar een ander land binnen de gemeenschap, terwijl de bestemmeling een belastingplichtige moet zijn of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, voor de BTW geïdentificeerd in een andere lid­staat.

Voor die intracommunautaire leveringen dient de verkoper te voldoen aan art. 3 van het KB nr. 52.

Art. 3, al. 1 van het KB nr. 52 luidt :

"De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken."

Uit het proces-verbaal van 11.07.1996 volgt dat -blijkens haar boekhouding- ATC over de jaren 1994 en 1995 bedragen factureerde aan CCN, ten belope van respectievelijk 2.662.282.586 BF en 1.645.115.639 BF, doch slechts intracommunautaire leveringen (vervoer) bewees, overeenkomstig art. 3 voormeld, inclusief de inlichtingen verstrekt door de buitenlandse BTW-administraties, ten belope van respectievelijk 1.391.685.887 BF en 777.693.856 BF.

Het voren gestelde impliceert dat uit hoofde van de boek­ houding van ATC, inzonderheid haar facturaties op naam van CCN, zowel op 14.12.1995 als hangende het verzet en tot bij de berechting ervan in deze instantie, er voldoende aanwijzingen zijn van het bestaan van een omvangrijke BTW-schuld, door de bevoegde administratie bepaald op meer dan 444 miljoen frank.

* Gelet op wat vooraf gaat, blijft -tot op heden- ATC in gebreke de vermoedens vertolkt in het PV van 14.12.1995 met betrekking tot onregelmatigheden -beweerde intracommunautaire leveringen aan CCN en nader gepreciseerd in het PV van 11.07.1996- te weerleggen.

De onregelmatigheden qua vrijstelling BTW voor de facturaties aan CCN, zijn niet weerlegd aan de hand van de stukken die Ons zijn overgelegd

Het behoorde de appellante voor de beslagrechter (het Hof in hoger beroep) de echtheid van de intracommunautaire leveringen, voorwerp van de facturaties (begrepen in de listing vervat in het PV van 11.07.1996), voldoende geloofwaardig te maken aan de hand van contracten; bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsbewijzen en eventuele, andere bescheiden (overeenkomstig art 3 KB nr. 52, voorwaarde voor vrijstelling van BTW).

De enkele vermelding door de appellante op door haar opgestelde "delivery note" (geniet aan de Ons overgelegde fotokopies van facturen) als stond zijzelf in voor het vervoer naar Duitsland, is onvoldoende bewijskrachtig, terwijl de Ons overgelegde bankbescheiden, zoals hoger gezegd, niet doorzichtig zijn.

Indien geen wettelijke reden voor vrijstelling (ter zake, intercommunautair vervoer of verzending) is geloofwaardig gemaakt, blijft het bestaan van een BTW schuld, concreet begroot, voldoende bewezen, ter fundering van een bewarend beslag.

Het is overbodig er op te wijzen dat de BTW kwartaalgewijs dient gekweten, derwijze dat de schuldvordering van de Belgische Staat ook opeisbaar was.

2.4.3. De hoogdringendheid

Gelet op de omvang van de in het vooruitzicht gestelde belastingschuld, ingevolge de vermoedens vervat in het PV van 14.12.1995,

gelet op de omvang van de belasting, zoals begroot in het PV van 11.07.1996, is de hoogdringendheid bezwaarlijk in twijfel te trekken;

de appellante die het vermoeden van hoogdringendheid dient om te keren, bewijst niet dermate begoed te zijn dat zij een schuldvordering (in hoofdsom, exclusief boeten, en kosten) van ruim 444 miljoen frank kan delgen.

2.5. Met betrekking tot de latere inhoudingen (waartegen verzet, bij tussenvorderingen)

2.5.1. De appellante stelt dat een inhouding werd verricht op 10.06.1996 voor een bedrag van 729.328 BF;

zij houdt verder voor

"gezien er vóór datum van deze inhouding geen onder proces-verbaal lastens concluante werd opgesteld dat (bedoeld is : dan) het proces-verbaal van 14.12.1995, kan deze inhouding enkel op dit proces­verbaal zijn gesteund."

De appellante legt geen akte-inhouding over, gedateerd van 10.06.1996;

wel werd door de Belgische Staat een inhouding betekend, bij akte van 14.06.1996;

gelet op het dispositief van de conclusies voor ATC van 31.10.2001, moet aangenomen worden dat de appellante zich omtrent de datum van inhouding vergist;

daarbij aansluitend, moet worden opgemerkt dat woordelijk in de akte van inhouding van 14.06.1996 is gesteld dat de schuld voortvloeit uit het proces-verbaal van 12.06.1996.

De stelling van de appellante dat de kwestige inhouding (noodzakelijk) steunt op het PV van 14.12.1995, faalt derhalve.

De vaststellingen, vervat in het PV van 12.06.1996 ingevolge het controle-onderzoek in het bedrijf van de appellante -met betrekking tot de leveringen aan CV C. B. (CV C.) en de SARL D. l. M. l. (Dimi) op grond waarvan de administratie een bedrag van 46.849.379 BF aan niet gekweten BTW vordert- zijn niet tegen gesproken, laat staan weerlegd.

2.5.2. De overige inhoudingen van 28.11.1997, 03.03.1998, 06.07.1998, 08.09.1998 vloeien alle, volgens de bewoordingen van de akten-inhoudingen, voort uit de PV's van 11.07.1996 en 20.09.1996.

Het proces-verbaal van 11.07.1996 werd, luidens de begeleidende brief van 04.07.1997, vervangen door het PV van 03.07.1997, met betrekking tot de facturaties door ATC aan D. (Duitsland).

Het PV van 03.07.1997 moet derhalve voor de eraan voorafgaande inhoudingen, aangezien worden als een verdere bewijslevering, volgend op het PV van 11.07.1996 met betrekking tot D..

Afgezien dat de fiscale administratie zich, voor de na 03.07.1997 daterende, inhoudingen -luidens de inhoud van de akten-inhouding- o.m. steunde op het PV van 11.07.1996, zijn partijen het er, blijkens hun conclusies, over eens dat deze inhoudingen terug gaan op het PV van 03.07.1997.

Het voren gestelde gaat uiteraard slechts op met betrekking tot de beweerde leveringen aan D. en niet voor CV C., noch voor DIMI, voor welke leveringen de appellante evenmin BTW kweet (zie PV van 11.07.1996).

De vermoedens door de administratie aangehaald in het proces-verbaal van 11.07.1996 zijn door de appellante niet weerlegd, ook niet met betrekking tot D..

Immers, ook betrekkelijk D. overtuigt de appellante niet, nu zij oorspronkelijk voorhield (akte van verzet) dat zijzelf instond voor het vervoer naar D., om later haar stelling aan te pas­ sen en te beweren dat zij de goederen -in driehoeksverkeer- vervoerde naar K., zogenaamde klant van D..

Het voren gestelde klemt temeer, nu K. en zijn echtgenote, samen met B. (achterman van D.), allen vennoten en bestuurders zijn van CCN ...

2.5.3. De vermoedens vervat in het proces-verbaal van 20.09.1996, met betrekking tot T. en C. S. en fundering voor de boete, in het PV van 20.09.1996 bepaald op 48.368.456 BF, weerlegt de appellante evenmin.

Het proces-verbaal van 20.09.1996 werd vervangen door het proces-verbaal van 29.09.1998, waarin -ingevolge de (volgens de administratie) fictieve handelsverrichtingen met T.- de op de verrichtingen verschuldigde BTW werd begroot op 110.460.422 BF, onverminderd de boeten en intrest.

De gegevens vervat in de PV's van 20.09.1996 en 29.09.1998 met betrekking tot T., zijn door de appellante niet weerlegd.

Meteen blijkt -de schuldvorderingen van de Belgische Staat voldoende zeker, vaststaand en opeisbaar zijnde (zie boven)- dat de tussenvorderingen, houdende het verzet tegen de inhoudingen na 19.12.1995, ongegrond zijn.

Zoals supra reeds gesteld en gelet op de omvang van alle vorderingen van de Belgische Staat, is het vermoeden van hoogdringendheid niet weerlegd.

2.6. Gelet op wat voorafgaat missen de vorderingen in schadevergoeding en de veroordeling tot een dwangsom grond.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak,

met in acht name van het art. 24 van de wet van 15.06.1935,

alle meer omvattende, anders luidende en tegenstrijdige conclusies afwijzende als ongegrond, niet ter zake en/of overbodig,

verklaart de tussenvorderingen van de appellante toelaatbaar; verklaart het hoger beroep en de tussenvorderingen ongegrond;

bevestigt het bestreden vonnis;

verwijst de appellante in de kosten, in hoofde van de Belgische Staat vereffend op 8.800 BF rechtsplegingsvergoeding en 2.200 BF aanvullende rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, veertiende kamer bis, rechtdoende in burgerlijke zaken, op vier december tweeduizend en één.

Aanwezig :

M.-J. D. C., kamervoorzitter;

D. V., raadsheer;

L. T., raadsheer;

L. L., adjunct-griffier.

L. L. L. T. D. V. M.-J. D. C.

Aangehaalde teksten

7
KB nr. 4 art. 8/16 voorkomens
KB nr. 52 art. 34 voorkomens
WBTW art. 763 voorkomens
WBTW art. 31 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8