Tekst van de beslissing
Arrest van de Raad van State dd. 19.06.2000
Tarief - Sojamelk
Een B.T.W.-belastingplichtige wenste de beslissing van de Minister van Financiën te vernietigen waarbij werd beslist dat dranken op basis van plantaardige producten, zoals bijvoorbeeld soja, onderworpen zijn aan het normale B.T.W.-tarief van 21 %. De Raad van State volgt de argumentatie van de B.T.W.-belastingplichtige dat sojamelk noch een genotsmiddel, noch een gezondheidsdrank is, maar een voedingsmiddel in de zin van een product voor menselijke consumptie en dat aan de vermelding "drank op basis van soja" geen andere betekenis mag gegeven worden dat een loutere voorlichting van de consument. De beslissing van de Minister van Financiën wordt bijgevolg vernietigd.
Kamervoorzitter: Dhr. J. De Brabandere
Staatsraden: Dhr. L. Hellin, Dhr. J. Bovin
Griffier: Mevr. V. Wauters
Partij: N.V. Alpro t. De Belgische Staat
Rolnr.: A.84.840/IX-1869
Gezien het verzoekschrift dat de NV ALPRO op 21 juni 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Minister van Financiën van 20 april 1999 waarbij dranken op basis van plantaardige produkten zoals bijvoorbeeld soja onderworpen worden aan het normaal BTW-tarief van 21 pct en waarbij de beslissing van de Minister van Financiën van 14 december 1981 wordt ingetrokken met ingang van 1 mei 1999, zoals gewijzigd bij de beslissing van de Minister van Financiën van 29 april 1999 waarbij beslist wordt dat deze maatregel in werking treedt vanaf 1 juni 1999";
Gelet op het arrest nr. 81.423 van 29 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen;
Gezien het verzoek tot voortzetting van de verwerende partij;
Gezien de "aanvullende memorie" van de verzoekende partij;
Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf ;
Gelet op de beschikking van 20 januari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast;
Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij;
Gelet op de beschikking van 5 mei 2000 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 juni 2000;
Gehoord het verslag van staatsraad L. Hellin;
Gehoord de opmerkingen van advocaten P. Peeters en G. De Wit die verschijnen voor de verzoekende partij, en van inspecteur J. De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij;
Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf ;
Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
1
Over de gegevens van de zaak
Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat:
1.1. Op 25 maart 1981 dient verzoekster een dossier in bij de minister van Financiën teneinde uitsluitsel te verkrijgen over het toepasselijke BTW-tarief op de door haar geproduceerde sojamelk.
1.2. Bij beslissing van 14 december 1981 stelt de minister van Financiën dat het product "soyamel" onderworpen wordt aan het BTW-tarief van 6%, in afwachting van een definitieve beslissing over de tariefindeling.
1.3. Op 22 april 1999 ontvangt verzoekster een brief van de minister van Financiën gedateerd 20 april 1999 waarin haar het volgende wordt ter kennis gebracht:
"Met uitzondering van melk en melkdranken zijn dranken uitgesloten van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven en zijn dan ook onderworpen aan het normaal tarief dat thans 21 pct. bedraagt, ongeacht of die dranken puur worden genuttigd dan wel worden aangelengd. Het is daarbij van geen belang of de drank als genotsmiddel wordt geconsumeerd dan wel als gezondheidsdrank.
Ik moet u dan ook melden dat dranken op basis van plantaardige producten zoals bijvoorbeeld soja onderworpen zijn aan het normaal BTW-tarief van 21 pct.
De beslissing A3/RM/CB/B/003253/E.T.38.819 d.d. 14 december 1981 van mijn voorganger wordt hierbij ingetrokken met ingang vanaf 1 mei 1999".
Met een brief van 27 april 1999 gericht aan het ministerie van Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vraagt verzoekster "zonder enige nadelige erkenning voor wat betreft de betwisting ten gronde" haar minstens één maand uitstel toe te kennen om alle nodige materiële aanpassingen te verrichten voor de toepassing van het nieuwe BTW-tarief.
Met een brief van 29 april 1999 laat de minister van Financiën verzoekster weten dat dit verzoek tot uitstel wordt ingewilligd en dat de ministeriële beslissing van 20 april 1999 met referte E.T. 38819/MV45 in werking treedt vanaf 1 juni 1999.
Bij brief van 7 mei 1999 kondigt verzoekster aan dat zij vóór 31 mei 1999 een dossier zal voorleggen ter verdediging van het BTW-tarief van 6%.
Op 19 mei 1999 wordt een vergadering gehouden met vertegenwoordigers van verzoekster en ambtenaren van de Centrale BTW-administratie van het ministerie van Financiën. Als gevolg van die vergadering wordt aan de raadsman van verzoekster op 28 mei 1999 telefonisch medegedeeld dat de bestreden beslissing en derhalve de toepassing van het 21% BTW-tarief voor onbepaalde tijd zou worden opgeschort. Dit wordt volgens verzoekster mondeling bevestigd op 1 juni 1999.
Op 15 juni 1999 verneemt verzoekster telefonisch dat het dossier door het ministerie van Financiën met goedkeuring van de hiërarchie en in samenspraak met het kabinet ter ondertekening aan de minister van Financiën wordt voorgelegd. De raadsman van verzoekster stuurt hiervan een schriftelijke bevestiging aan het kabinet van de minister van Financiën.
Op 16 juni 1999 ontvangt de raadsman van verzoekster een faxbericht van het kabinet van de minister van Financiën waarbij gesteld wordt dat de aandacht van de minister wordt gevestigd op de wenselijkheid om duidelijkheid te scheppen over het BTW-tarief op sojamelk tegen het verstrijken van de termijn om een vordering in te stellen voor de Raad van State. Hieruit leidt verzoekster af dat er niet meer teruggekomen wordt op de bestreden beslissing;
2
Over de gegrondheid van het beroep
2.1.
Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, doordat de bestreden beslissing de vloeibare voedingsmiddelen op basis van soja onderwerpt aan het BTW-tarief van 21%, terwijl in het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 de voedingsmiddelen in rubriek X, 17, van de tabel A van de bijlage bij dit koninklijk besluit onderworpen worden aan het tarief van 6%; dat zij hierbij toelicht dat het verlaagde BTW-tarief van 6% specifiek is ingevoerd ten aanzien van leveringen van eerste levensbehoeften, dat die notie uitdrukkelijk opgenomen was in de oorspronkelijke tekst van artikel 37 van het BTW-Wetboek en dat het de wil van de wetgever was om alle voedingsmiddelen aan dit verlaagde tarief te onderwerpen, aangezien de aankoop van deze goederen 30% uitmaakt van een gemiddeld gezinsbudget; dat die redenering ook wordt gevolgd in het genoemde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970; dat in tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt voorgehouden sojamelk wel degelijk beschouwd moet worden als een voedingsmiddel en niet als een drank in de zin van rubriek X, 17, van tabel A van de bijlage bij het genoemde koninklijk besluit, gelet op de samenstelling, de voedingswaarde, de eigenschappen en de gebruiksmogelijkheden ervan; dat verzoekster te dezen uiteenzet dat sojamelk "net zoals andere voedingsmiddelen de voornaamste bouwstenen voor het lichaam, waaronder eiwitten en vetten (bevat)" en dat "hiertegenover de 'dranken' (frisdranken) (staan) die vaak alleen maar uit suikers bestaan"; dat "voedingsmiddelen worden gekenmerkt door de gezamenlijke aanwezigheid van eiwitten, vetten, koolhydraten, water, mineralen en voedingsvezels"; dat "de samenstelling varieert van produkt tot produkt, maar de verschillende bestanddelen (...) steeds samen aanwezig (zijn)" en dat "hierin voedingsmiddelen van dranken (verschillen)"; dat dranken volgens verzoekster immers enkel water bevatten waaraan onder de vorm van suikers koolhydraten worden toegevoegd en nooit eiwitten en vetten en dat de aanwezigheid van eiwitten en vetten "bijgevolg het demarcatiecriterium" is "om te bepalen wat als voedingsmiddel moet worden beschouwd"; dat sojamelk volgens verzoekster voldoet aan dit criterium; dat in tegenstelling tot dranken maar overeenkomstig de kwalificatie als voedingsmiddel, sojamelk niet gebruikt wordt als dorstlesser gelet op de samenstelling ervan en ook het hele jaar door gebruikt wordt en aldus niet seizoensgebonden is en dat soja tenslotte ook een "basisprodukt (vormt) voor de bereiding van andere voedingsmiddelen, waaronder puree, pudding, pannenkoeken, gebak, ijs, etc.";
2.2.
Overwegende dat de verwerende partij in onderhavige vordering op die argumentatie en uiteenzetting geen antwoord geeft;
2.3.
Overwegende dat de vraag is of het product sojamelk een product is voor menselijke consumptie die geen drank is in de zin van rubriek X, 17, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970; dat de verwerende partij in het opschrift van haar beslissing van 6 oktober 1997, nr. E.T. 84.818 ook de woorden "vloeibare voedingsproducten" gebruikt en derhalve zelf blijkt te aanvaarden dat voedingsmiddelen niet alleen vast maar ook vloeibaar kunnen zijn; dat de uiteenzetting van verzoekster voldoende overtuigingskracht bezit om aan te nemen dat sojamelk noch een genotsmiddel en noch een gezondheidsdrank is, doch een voedingsmiddel in de zin van een product voor menselijke consumptie die niet genoemd is in tabel A, rubriek X, 1 tot 16, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970; dat aan de vermelding "drank op basis van soja" zoals verzoekster haar product voorstelt geen andere betekenis mag gegeven worden dan een loutere voorlichting van de consument; dat het middel derhalve gegrond is; dat het gegrond bevinden van het eerste middel volstaat om verzoeksters vordering toe te wijzen,
B E S L U I T
Artikel 1.
Vernietigd wordt de beslissing van 20 april 1999, aan de NV ALPRO ter kennis gebracht op 22 april 1999, van de minister van Financiën "waarbij dranken op basis van plantaardige produkten zoals bijvoorbeeld soja onderworpen worden aan het normaal BTW-tarief van 21 pct en waarbij de beslissing van de Minister van Financiën van 14 december 1981 wordt ingetrokken met ingang van 1 mei 1999, zoals gewijzigd bij de beslissing van de Minister van Financiën van 29 april 1999 waarbij beslist wordt dat deze maatregel in werking treedt vanaf 1 juni 1999".
Artikel 2.
De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op veertienduizend frank, komen ten laste van de verwerende partij.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.