Stuiting van de verjaring · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 2 april 2009

Zoeken

Stuiting van de verjaringstuiting van de verjaring - de afstand van de gelopen tijd van verjaring - zelfstandige groeperingen van personen - vrijstelling van art. 44

https://juriel.be/nl/rechtspraak/stuiting-verjaring-afstand-gelopen-tijd-cassatie-brussel-2009-04-02-ecb0

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
2 april 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

538 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.04.2009, Zaak F.07.0070.F

Stuiting van de verjaring

De afstand van de gelopen tijd van verjaring

Zelfstandige groeperingen van personen

Vrijstelling van art. 44

Samenvatting

Uit artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde volgt dat de stuitende werking van de afstand van de verlopen tijd der verjaring zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten door het enkele feit van die afstand verkregen is, zonder dat hij gepaard moet gaan met de erkenning van de rechten van de schuldeiser.

Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, te vermelden dat de in artikel 44, § 2, 1°bis, van voornoemd wetboek bedoelde vrijstelling geldt ingeval de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, heeft de Koning zich ertoe beperkt, zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, een toepassingsvoorwaarde van die vrijstelling te regelen, aangezien uit die bepaling, en inzonderheid uit de daarin vervatte voorwaarde dat de betrokken groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die geen lid zijn.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.07.0070.F

A.B., naamloze vennootschap

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 15 maart 2007 gewezen door het

Hof van Beroep te Brussel.

Afdelingsvoozitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 2220 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 81 en 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,

zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999;

- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de

bodemrechter niet vermag ambtshalve betwistingen op te werpen die de partijen

hebben uitgesloten, zoals het is neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het

Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens

recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de

Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de

zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door

de eiseres aangevoerde middel betreffende de verjaring, zulks op de onderstaande

gronden:

"A. De afstand van de verlopen tijd der verjaring van 5 december 1996

(De eiseres) wijst erop dat haar bijzonder gevolmachtigde, F. M., de dag waarop die

afstand werd ondertekend, formeel verklaard heeft niet akkoord te gaan met de belasting,

hetgeen volgens (de eiseres) tevens blijkt uit het op 30 december 1996 verstuurde bericht

waarin zij die oneensheid meldde, en uit de brieven van 7 januari 1997, 20 februari 1997

en 26 maart 1997 die door haarzelf en haar raadslieden zijn verstuurd. Aangezien zij

nooit van plan is geweest de rechten te erkennen van degene tegen wie de verjaring liep,

kan de afstand van de verlopen tijd der verjaring, volgens (de eiseres) niet worden

beschouwd als een stuiting van de verjaring.

Het hof (van beroep) stelt vast dat de feiten waaruit de rechten zijn ontstaan die werden

opgenomen in (verweerders) regularisatieopgave van 14 november 1996 en in (het)

proces-verbaal van 28 februari 1997 zich hebben voorgedaan in de jaren 1992, 1993,

1994 en 1995 en dat F. M., die optrad als bijzonder gevolmachtigde van (de eiseres), op

5 december 1996 een afstand van de verlopen tijd der verjaring heeft ondertekend in de

zin van artikel 83, §2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Die afstand bevat geen enkel voorbehoud en, meer bepaald, geen enkel gegeven waaruit

zou kunnen worden opgemaakt dat (de eiseres) niet akkoord gaat met de aanspraken van

de belastingadministratie. Het is dus onjuist te stellen dat de bijzonder gevolmachtigde

van (de eiseres) het document heeft ondertekend 'met de verklaring dat zij het niet eens

was met de belasting' zoals (de eiseres) beweert (in) haar laatste conclusie.

De afstand bevat evenmin aanwijzingen als zou zij onder dwang zijn ondertekend.

Pas in een brief van 30 december 1996 (dus 25 dagen na de ondertekening van de afstand

van de verlopen tijd der verjaring) heeft (de eiseres) gemeld dat zij niet akkoord ging met

de aanspraken van de administratie.

Bovendien is een eerste aanwijzing van een zogenaamde dwang op M. bij het

ondertekenen van de afstand van de verlopen tijd der verjaring pas terug te vinden in de

gedinginleidende dagvaarding van 27 april 1998 waarin (de eiseres) vermeldde dat de

afstand is ondertekend 'op verzoek van de Bijzondere Belastinginspectie'.

Het hof (van beroep) deelt (verweerders) zienswijze dat M., die optrad als bijzonder

gevolmachtigde van (de eiseres), een vennootschap van internationaal formaat, die zelf

werd bijgestaan door 'de fiscaal directeur van de groep' die daarvoor van Parijs was

gekomen, en geadviseerd werd door afgevaardigden van de firma's 'Coopers & Lybrand'

en 'Price Waterhouse', zeker weet moest hebben van de draagwijdte van het document

dat hij ondertekende, aangezien hem bij brief van 14 november 1996 (dus nauwelijks een

goeie twee weken eerder), een regularisatieopgave was gestuurd voor onderzoek en

eventuele ondertekening.

Aldus komt het hof (van beroep) tot de slotsom dat de afstand van de verlopen tijd der

verjaring volstrekt geldig is en de door de wetgever in artikel 83, §2, van het Wetboek

van de belasting over de toegevoegde waarde beoogde uitwerking krijgt, namelijk dat die

afstand, ten aanzien van de gevolgen ervan, gelijkgesteld wordt met de in artikel 83, §1,

eerste lid, van dat wetboek bedoelde stuiting.

Aangezien het hof (van beroep) van oordeel is dat de afstand van de verlopen tijd der

verjaring de verjaring heeft gestuit binnen de eerste termijn van de vijf jaar, heeft het

geen zin te onderzoeken welke weerslag de betalingen van de litigieuze bedragen tijdens

diezelfde eerste termijn van vijf jaar hebben op de verjaring".

Grieven

(…)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 81 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals

het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, verjaart de

vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve

geldboeten door verloop va vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.

Overeenkomstig artikel 83 van dat wetboek, zoals het van kracht was ten tijde van de

feiten, wordt de verjaring, zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de

teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, gestuit op de

wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het

Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit,

wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring,

indien geen rechtsgeding hangend is.

Het tweede lid van dat artikel preciseert: "Afstand van de verlopen tijd der verjaring en

de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, §1, worden ten

aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting".

De wetgever heeft aldus verwezen naar het gemeen recht om de voorwaarden te bepalen

waarin de omschreven oorzaken een stuitend karakter hebben.

De stuiting van de verjaring impliceert per definitie echter, ofwel de wilsuiting van de

schuldeiser om zijn schuldvordering in te vorderen, ofwel een handeling van de

schuldenaar die de schulderkenning jegens zijn schuldeiser impliceert.

Zulks geldt ook in geval van afstand van de verlopen tijd der verjaring.

Bijgevolg geldt afstand slechts als stuiting van de verjaring voor zover de schuldenaar

van plan is geweest het recht van zijn schuldeiser te erkennen, zoals duidelijk blijkt uit het

onderling verband tussen de artikelen 2220 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan

het eerste betrekking heeft op de mogelijkheid om afstand te doen van de verkregen

verjaring en het tweede op de erkenning door de schuldenaar van het recht van degene

tegen wie de verjaring loopt.

Terwijl de afstand van de verjaring, waarvan artikel 2220 van het Burgerlijk Wetboek

gewag maakt, immers een handeling is waarbij een partij beslist geen gebruik te maken

van een verweermiddel - namelijk de verjaring die zij heeft verkregen -, houdt de afstand

van de verlopen tijd der verjaring geen afstand in van een verweermiddel dat gehanteerd

had kunnen worden, aangezien de verjaring, per definitie, nog niet is verkregen, maar is

zij in feite, de erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring aan het lopen

was. In dat opzicht is de afstand van de verlopen tijd der verjaring een verjaringstuitende

daad.

Bijgevolg is het niet voldoende vast te stellen dat de belastingschuldige een verklaring

"afstand van de verlopen tijd der verjaring" heeft ondertekend; er moet immers nog

worden vastgesteld dat hij, door dat document te ondertekenen ook de bedoeling heeft

gehad het recht van zijn schuldeiser te erkennen opdat er een stuitende werking aan kan

worden toegekend.

Hoewel het arrest in deze vaak vaststelt dat een document, "afstand van de verlopen tijd

der verjaring" genaamd, op 5 december 1996 werd ondertekend door de bijzonder

gevolmachtigde van de eiseres, die bij de ondertekening ervan geen enkel voorbehoud

had gemaakt, en dat dit stuk geen enkel gegeven bevatte waaruit zou kunnen blijken dat

de eiseres het oneens was met de aanspraken van de belastingadministratie en dat

genoemd stuk evenmin aanwijzingen bevatte als zou hij het onder dwang hebben

ondertekend, stelt het echter niet vast dat de eiseres aldus het recht van de verweerder

heeft willen erkennen. Wel integendeel, het arrest stelt vast dat de eiseres, per brief van

30 december 1996, gemeld heeft dat zij het oneens was met de aanspraken van de

administratie.

Gelet op de vaststellingen van het arrest waaruit geenszins blijkt dat de eiseres door

de "afstand van de verlopen tijd der verjaring" te ondertekenen de bedoeling zou hebben

gehad verweerders recht te erkennen en het daadwerkelijk zou hebben erkend, heeft het

arrest bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de afstand van de verlopen tijd der

verjaring binnen de eerste termijn van vijf jaar de vijfjarige verjaring had gestuit

(schending van de artikelen 2220, 2248 van het Burgerlijk Wetboek en 83 van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was

vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999) en, bijgevolg dat de verjaring te

gelegener tijd was gestuit (schending van artikel 81 van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de

wet van 15 maart 1999).

(…)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 81, 83, 89 en 90 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15

maart 1999;

- artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens

recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de

Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de

zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door

de eiseres aangevoerde middel betreffende de verjaring, op de onderstaande gronden:

"Het hof (van beroep) komt aldus tot de slotsom dat (de verweerder), door aan (de

eiseres) op 29 november 2001 een dwangbevel te betekenen, de verjaring heeft gestuit die

volgde op de verjaringstermijn die was ingegaan door de afstand van de verlopen tijd der

verjaring van 5 december 1996.

Betreffende de rechtsvordering die (de eiseres) heeft ingesteld bij dagvaarding van 23 en

27 april 1998

Steunend op het burgerlijk recht, de rechtsleer en de rechtspraak houdt (de eiseres)

staande dat de rechtsvordering de verjaring slechts stuit voor degene die ze instelt. Zij is

van oordeel dat de (verweerder) ten onrechte zegt dat de vordering tot teruggave die zij

heeft ingesteld eveneens de verjaring heeft gestuit van (verweerders) vordering tot

voldoening van de belasting, omdat de dagvaarding die van de schuldenaar zelf uitgaat,

als dusdanig geen enkele stuitende werking heeft op de verjaring van de vordering van de

Staat tot voldoening van de belasting.

Artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat ten tijde

van de feiten van kracht was, luidde als volgt: 'zowel ten aanzien van de voldoening als

ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve

geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij

de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op

dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste

stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is'.

Het hof (van beroep) is van oordeel dat de vermelding 'indien geen rechtsgeding hangend

is' in artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moet

worden begrepen in samenhang met artikel 89, tweede lid, van het Wetboek van de

belasting over de toegevoegde waarde luidens hetwelk 'de tenuitvoerlegging van het

dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met

redenen omkleed verzet met dagvaarding' en dat 'dat verzet bij exploot wordt betekend

aan de Staat, meer bepaald aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd'.

Voor de voldoening van de nog niet-betaalde belasting kan de Belgische Staat aan

zichzelf, op grond van het proces-verbaal van regularisatie dat bewijskracht heeft tot

bewijs van het tegendeel, een uitvoerbare titel toekennen die, inzake belasting over de

toegevoegde waarde, bestaat in het dwangbevel. Bijgevolg dient de administratie geen

rechtsvordering in te stellen tot voldoening van de verschuldigde belasting, en is het dus

uitzonderlijk dat zij het initiatief tot een rechtsvordering neemt ter voldoening van de

belasting.

De bewoordingen van artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde volgens welke, wanneer de verjaring gestuit is door een aan de

belastingschuldige ter kennis gebracht dwangbevel, een nieuwe verjaring, die op dezelfde

wijze kan worden gestuit, wordt verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige

verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is, doelen in elk geval, in die uitzondering

op de nieuwe lopende verjaringstermijn, op het verzet (betreffende de zaak zelf) tegen het

dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat door de belastingschuldige

wordt gedaan met dagvaarding voor de rechtbank die het gebruikelijke rechtscollege ter

zake is.

Dat verzet ontneemt immers, tijdens de loop van het geding, elke uitvoerbare kracht (het

stuit de tenuitvoerlegging) aan de titel (het dwangbevel) die de administratie zichzelf

heeft toegekend, zodat de administratie alleen enkele garanties kan verkrijgen door zich

te schikken naar artikel 92 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, en door zich te wenden tot de rechter in kort geding of door de toetsing van het

hof, in geval van beroep.

Aangezien de administratie niet langer het recht heeft om, tijdens de loop van het geding,

de verschuldigde bedragen in te vorderen, doordat op de door de wet omschreven wijze

regelmatig verzet is gedaan tegen haar titel, heeft het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde, terzelfder tijd en specifiek in die context, bepaald dat de nieuwe

verjaring vanaf de betekening van het dwangbevel niet liep of niet verkregen was (naar

gelang van de interpretaties maar zonder praktische gevolgen) zolang het rechtsgeding

liep over het verzet van de belastingschuldige tegen het dwangbevel.

Uit het bovenstaande vloeit zonder enige twijfel voort dat (verweerders) schuldvordering

te dezen niet verjaard was".

Grieven

Luidens artikel 81 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals

het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, verjaart de

vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve

geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.

Volgens artikel 83 van dat wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan

bij de wet van 15 maart 1999, wordt de verjaring, zowel ten aanzien van de voldoening

als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve

geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en

volgende van het Burgerlijk Wetboek, waarmee krachtens artikel 83, tweede lid van het

Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde, de afstand van de verlopen tijd der

verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel worden gelijkgesteld. Een nieuwe

verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar

na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Anders gezegd, een nieuwe verjaring is er het gevolg van, tenzij de verjaringstuitende

handeling een nieuw rechtsgeding heeft ingeleid.

In dat geval zal de verjaring niet lopen tegen degene van wie de stuiting uitgaat zolang

het geding niet beëindigd is.

Artikel 83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

bevestigt aldus het gemeen recht, krachtens hetwelk een dagvaarding in rechte de

verjaring stuit en die stuiting, in beginsel, duurt zolang het geding loopt.

Aangezien echter een rechtsgeding slechts ten gevolge van een gedinginleidende akte kan

worden ingeleid, volgt daaruit dat de woorden " indien geen rechtsgeding hangend is"

uit voornoemd artikel 83, eerste lid, niet op eender welk rechtsgeding slaan, maar enkel

op een geding dat is ingeleid door een dagvaarding of door een andere gedinginleidende

handeling die de verjaring heeft gestuit en waarvan de gevolgen blijven duren zolang het

geding loopt.

Bovendien valt uit artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek af te leiden dat de

dagvaarding slechts stuitende werking heeft ten voordele van degene die ze uitbrengt en

die, door die handeling de andere wil beletten de verjaring te verkrijgen. Hieruit volgt

dat die handeling noodzakelijkerwijs moet uitgaan van de partij die de andere wil

beletten de verjaring te verkrijgen, aangezien de stuiting van een verjaring niet kan

overgaan van de ene rechtsvordering op de andere.

De enige dagvaarding die in dit geval werd betekend en die dus een rechtsgeding heeft

ingeleid, is echter de dagvaarding die op 23 en 27 april 1998 aan de verweerder

betekend is op verzoek van de eiseres met toepassing van artikel 90 van het Wetboek van

de belasting over de toegevoegde waarde en die de teruggave van de belasting, de

interesten en de boeten beoogde.

Bijgevolg vermocht deze niet de verjaring te stuiten ten voordele van de administratie,

aangezien zij uitging van de partij ten voordele van wie de verjaring liep en die

bovendien voorafging aan de uitvaardiging van het dwangbevel, dat op 29 november

2001 aan de eiseres is betekend, waarbij de vordering tot teruggaaf zich trouwens

onderscheidt van het verzet tegen het dwangbevel, dat geregeld wordt in artikel 89 van

het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Zo ging ook het verzet tegen het dwangbevel, dat de eiseres overeenkomstig voornoemd

artikel 89, voor zoveel als nodig, in het kader van het rechtsgeding dat was ingeleid door

de voornoemde dagvaarding, had gedaan in de conclusie die zij op 30 oktober 2004 ter

griffie van het hof van beroep neerlegde, dus meer dan drie jaar na de betekening van het

dwangbevel, eveneens uit van de eiseres, zodat het evenmin de verjaring ten voordele van

de verweerder kon stuiten.

Bijgevolg kon de administratie zich op geen van beide handelingen beroepen om aan te

voeren dat de verjaring niet zou hebben gelopen tijdens het daaropvolgende geding en

zulks tot het was beëindigd.

Het geding dat werd ingeleid door het voornoemde verzet, dat op 30 oktober 2004 voor

zoveel als nodig was gedaan, kan trouwens, aangezien het meer dan drie jaar na de

betekening van het dwangbevel werd ingeleid, geenszins worden beschouwd als een

geding dat de stuitende werking heeft verlengd van de kennisgeving van het dwangbevel

van 29 november 2001, dat als zodanig geen enkel rechtsgeding heeft ingeleid.

Het arrest dat beslist dat verweerders schuldvordering niet verjaard was op grond dat

het verzet, tijdens de loop van het geding, de uitvoerbare kracht ontneemt aan de titel die

de administratie zichzelf heeft toegekend en dat de nieuwe verjaring vanaf de betekening

van het dwangbevel niet loopt of niet verkregen is zolang het rechtsgeding loopt dat

ingesteld was door het verzet van de belastingschuldige tegen het dwangbevel, terwijl uit

zijn vaststellingen blijkt dat de eiseres in feite een vordering tot teruggaaf had ingesteld

en zulks meer dan drie jaar voordat (lees: nadat) de administratie een op 29 november

2001 betekend dwangbevel uitvaardigde, verwart in de eerste plaats de vordering tot

voldoening met de vordering tot teruggaaf (schending van de artikelen 89 en 90 van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals ze van toepassing waren

vóór hun wijziging bij de wet van 15 maart 1999). Bovendien heeft het niet naar recht

kunnen beslissen dat de dagvaarding, die op 23 en 27 april 1998 aan de verweerder werd

betekend op verzoek van de eiseres en die, bijgevolg, niet uitging van degene die de

eiseres wenste te beletten de verjaring te verkrijgen, de verjaring van de vordering van de

administratie tot voldoening van de belasting heeft kunnen stuiten ten voordele van de

verweerder (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van

15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek) en evenmin dat de verjaring niet

meer tegen hem liep tijdens het rechtsgeding dat erop volgde (schending van de artikelen

83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het

van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, en 2244 van

het Burgerlijk Wetboek). Het heeft evenmin naar recht kunnen beslissen dat het verzet

tegen het dwangbevel dat de eiseres bij conclusie had gedaan bijna drie jaar na de

betekening van het dwangbevel op 29 november 2001, welk verzet geënt was op de

oorspronkelijke rechtsvordering van de eiseres, een stuitende werking had ten voordele

van de verweerder (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet

van 15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek) of dat de verjaring niet langer

zou hebben gelopen tegen de verweerders tijdens het daaropvolgende rechtsgeding

(schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart

1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek). Tot slot heeft het evenmin naar recht kunnen

beslissen dat de stuitende werking van de betekening van het dwangbevel ook zou gelden

voor het rechtsgeding dat bijna drie jaar nadien door de belastingschuldige tegen de

Staat werd ingeleid (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet

van 15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek). Bijgevolg heeft het arrest, dat

slechts de betekening van een dwangbevel op 29 november 2001 vermeldt, niet naar recht

kunnen beslissen dat de rechtsvordering van de verweerders niet verjaard was toen het

arrest werd uitgesproken (schending van artikel 81 van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de

wet van 15 maart 1999).

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 105, 108 en 159 van de Grondwet;

- artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de

vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van

de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens

recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de

Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de

zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door

de eiseres aangevoerde middel betreffende de onwettigheid van artikel 2 van het

koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van

de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige

groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, op grond van de

onderstaande redenen:

"Betreffende het argument dat de exclusiviteitsvoorwaarde strijdig is met de Belgische

bepalingen

(De eiseres) voert aan dat noch artikel 44, § 2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting

over de toegevoegde waarde, noch het koninklijk besluit nr. 43. van 5 juli 1991 met

betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten

aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende

diensten uitsluitend aan de leden mogen worden verleend. Enkel in de administratieve

circulaire nr. 3 van 9 mei 1996, die geen kracht van wet heeft en niet gold ten tijde van de

feiten, wordt die voorwaarde toegevoegd voor de vrijstelling bedoeld in artikel 44, §2,

1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Als artikel 2, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 43 in die zin moet worden

begrepen dat de diensten uitsluitend aan de leden van de groepering mogen worden

verleend, is het volgens (de eiseres) aangetast door bevoegdheidoverschrijding is

uitgevaardigd.

Het hof (van beroep) deelt echter de zienswijze van de eerste rechter volgens welke (de

eiseres) ten onrechte staande houdt dat de exclusiviteitsvoorwaarde slechts opgedoken is

in administratieve richtlijnen en dat de voornoemde circulaire nr. 3/96 geen enkele

grondslag vindt in het voornoemde koninklijk besluit nr. 43.

Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 bepaalt, enerzijds, dat de werkzaamheden

van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten, en niet in leveringen

van goederen, maar het preciseert, anderzijds - zoals door de eerste rechter terecht werd

beklemtoond -, zonder dat een splitsing van de begrippen mogelijk is, dat de diensten

rechtstreeks in het belang van de leden moeten worden verleend.

Hieruit volgt dat het bijwoord 'uitsluitend' dat betrekking heeft op 'bestaan in het

verrichten', dat zelf betrekking heeft op de verplichting van rechtstreekse dienstverlening

aan de leden, wel degelijk een tot de leden beperkt toepassingsveld impliceert.

Het hof (van beroep) sluit zich eveneens aan bij de beslissing van de eerste rechter dat de

Koning, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de bevoegd

heden die de wetgever hem verleend heeft te buiten is gegaan. Die voorwaarde is immers

in perfecte overeenstemming met de inhoud van de bepaling van intern recht".

De eerste rechter had, wat hem betreft, het volgende overwogen:

"7. De eiseres houdt echter ten onrechte staande dat de in punt 6 hierboven omschreven

exclusiviteitsvoorwaarde slechts opgedoken is in administratieve richtlijnen en dat de

voornoemde circulaire nr. 3/96, geen enkele grondslag vindt in het koninklijk besluit nr.

43, tenzij volgens een uitlegging van artikel 2 van dat besluit die niet zou stroken met de

bewoordingen en de grammaticale opbouw ervan.

Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43, dat hierboven onder punt 5 is weergegeven,

bepaalt weliswaar dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend moeten bestaan

in het verrichten van diensten, en niet in het leveren van goederen, maar preciseert

tegelijk, zonder dat een splitsing van de begrippen mogelijk is, dat de diensten

rechtstreeks in het belang van de leden moeten worden verleend, zodat het bijwoord

'uitsluitend' - dat betrekking heeft op 'bestaan in het verrichten', dat zelf betrekking heeft

op de verplichting van rechtstreekse dienstverlening aan de leden - wel degelijk een tot de

leden beperkt toepassingsveld impliceert.

(…)

8. De Koning is, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de

bevoegdheden die de wetgever hem verleend heeft te buiten gegaan.

Artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

verleende de Koning weliswaar enkel de bevoegdheid om de 'toepassingsvoorwaarden'

voor de vrijstelling te bepalen, waardoor Hij het toepassingsveld ervan niet mocht

beperken, maar zulks is geenszins het voorwerp van het koninklijk besluit nr. 43, dat

enkel een voorwaarde vermeldt die in perfecte overeenstemming met de inhoud van de

wetsbepaling van intern recht".

Grieven

Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene,

provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre ze met

de wetten overeenstemmen.

Overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet heeft de Koning geen andere macht dan die

welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd,

hem uitdrukkelijk toekennen.

Luidens artikel 108 van de Grondwet maakt de Koning de verordeningen en neemt hij de

besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te

mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.

Uit die grondwetsbepalingen volgt dat de Koning de draagwijdte van een wet niet vermag

uit te breiden of te beperken.

In casu bepaalt artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de

toegevoegde waarde dat van de belasting zijn vrijgesteld de diensten verleend aan hun

leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen

welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn,

wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, en dat

deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de

gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden;

de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling.

Krachtens die bepaling zijn de diensten door zelfstandige groeperingen van personen

verleend aan hun leden dus vrijgesteld.

Dat artikel bevat geen enkele exclusiviteitsvoorwaarde van de diensten ten gunste van de

leden. Het handelt immers enkel over hetgeen moet gebeuren met de diensten, door

zelfstandige groeperingen van personen verleend aan hun leden en over de wijze waarop

ze vrijgesteld worden, zonder te verbieden dat aan andere personen diensten worden

geleverd waarop hun eigen btw-regeling van toepassing is.

Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot

de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van

de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten te

preciseren dat de diensten verleend door de in artikel 1 bedoelde zelfstandige

groeperingen van personen aan hun leden, van de belasting zijn vrijgesteld op

voorwaarde dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het

verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, en dat deze alleen

een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of

waarvoor ze niet belastingplichtig zijn, heeft de Koning bijgevolg aan de in artikel 44, §2,

1°bis, bedoelde vrijstelling een voorwaarde toegevoegd die dat artikel niet bevat en heeft

hij aldus de inhoud van de voornoemde wetsbepaling gewijzigd door het

toepassingsgebied ervan te beperken.

Door te verklaren dat het "zich eveneens aansluit bij de beslissing van de eerste rechter

dat de Koning, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de

bevoegdheden die de wetgever hem verleend heeft te buiten is gegaan", en te oordelen

dat "die voorwaarde immers in perfecte overeenstemming is met de inhoud van de

bepaling van intern recht", schendt het arrest bijgevolg artikel 44, §2, 1°bis, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat geen enkele

exclusiviteitsvoorwaarde voor de diensten aan de leden bevat (schending van artikel 44,

§2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde) en heeft het

bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de Koning geenszins de hem verleende

bevoegdheden te buiten was gegaan (schending van de artikelen 105, 108 van de

Grondwet en 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde) en heeft het evenmin naar recht kunnen beslissen dat die bepaling in deze zaak

kon worden toegepast, behoudens onverenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het

Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de

zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie

van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van

belasting over de toegevoegde waarde (schending van de artikelen 159 van de Grondwet,

44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 2, 1°, van

het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk

van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige

groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(…)

Tweede onderdeel

Artikel 83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, zoals het van toepassing was op het geschil, bepaalt dat zowel ten aanzien

van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten

en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder

de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk

Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt

in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring,

indien geen rechtsgeding hangend is.

Luidens het tweede lid van die bepaling wordt afstand van de verlopen tijd der

verjaring ten aanzien van de gevolgen ervan gelijkgesteld met de in het vorige lid

bedoelde stuiting.

Uit die bepaling volgt dat de stuitende werking van die afstand verkregen is

gewoon door het feit dat deze gedaan is, zonder dat zij gepaard moet gaan met de

erkenning van de rechten van de schuldeiser.

Het onderdeel dat het tegenovergestelde aanvoert, faalt naar recht.

(…)

Tweede middel

Krachtens artikel 83, eerste en tweede lid, van het Wetboek van de belasting over

de toegevoegde waarde, stuit de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze

waarin artikel 85, §1, voorziet de verjaring ten aanzien van de voldoening van de

belasting en, zoals eerder gezegd, wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde

wijze kan worden gestuit, in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van

de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Artikel 89, tweede en derde lid, van dat wetboek bepaalt dat de tenuitvoerlegging

van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige

gedaan en met reden omkleed verzet.

Het arrest dat niet beslist dat de verjaring werd gestuit door de dagvaarding van de

eiseres tot teruggave van de belasting van 23 en 27 april 1998 of door het door

haar op 30 oktober 2004 tegen dat dwangbevel gedane verzet, en dat evenmin

beslist dat de verjaring gestuit werd tijdens het rechtsgeding dat op die

dagvaarding volgde, oordeelt dat die verjaring, die op 5 december 1996 voor het

eerst werd gestuit door de door de eiseres gedane afstand van de verlopen tijd der

verjaring, opnieuw is gestuit door het op 29 november 2001 betekende

dwangbevel.

Door te oordelen "dat de nieuwe verjaring niet liep of niet verkregen was (…)

tijdens het rechtsgeding dat op gang was gebracht door het door (de eiseres) tegen

het dwangbevel gedane verzet" verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing

dat de schuldvordering van de verweerder niet verjaard is op het ogenblik dat het

uitspraak doet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde

waarde, zoals het van toepassing was op het geschil, bepaalt dat van de belasting

zijn vrijgesteld de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen

van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is

vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct

nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun

leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven,

en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning

regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling.

Uit die bepaling, en inzonderheid uit de daarin vervatte voorwaarde dat de

betrokken groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van

hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de

dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan

personen die er geen deel van uitmaken.

Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43, van 5 juli 1991, met

betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde

waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun

leden verleende diensten, te vermelden dat de in voornoemd artikel 44, § 2, 1°bis,

bedoelde vrijstelling geldt ingeval de werkzaamheden van de groepering

uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de

leden zelf, heeft de Koning zich bijgevolg ertoe beperkt, zonder zijn

bevoegdheden te buiten te gaan, een toepassingsvoorwaarde van die vrijstelling te

regelen.

Door aldus te beslissen schendt het arrest geen enkele van de in het middel

aangewezen wettelijke bepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door

voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren

Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting

van 2 april 2009 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid

van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne

Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en

overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De voorzitter,

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 839 voorkomens
KB nr. 43 art. 27 voorkomens
WBTW art. 443 voorkomens
WBTW art. 813 voorkomens
WBTW art. 891 voorkomen

Rechtspraak

2

België

2

Hof van beroep te Antwerpen2015/AR/229820.09.2016

Zelfstandige groeperingen van personen, Vrijstelling van de belasting

Hof van beroep te Luik13.04.2016

Regularisatie-opgave in de ontwerpfase

Administratieve doctrine

1

Bekijk de 3 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8