Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.04.2009, Zaak F.07.0070.F
Stuiting van de verjaring
De afstand van de gelopen tijd van verjaring
Zelfstandige groeperingen van personen
Vrijstelling van art. 44
Samenvatting
Uit artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde volgt dat de stuitende werking van de afstand van de verlopen tijd der verjaring zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten door het enkele feit van die afstand verkregen is, zonder dat hij gepaard moet gaan met de erkenning van de rechten van de schuldeiser.
Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, te vermelden dat de in artikel 44, § 2, 1°bis, van voornoemd wetboek bedoelde vrijstelling geldt ingeval de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, heeft de Koning zich ertoe beperkt, zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, een toepassingsvoorwaarde van die vrijstelling te regelen, aangezien uit die bepaling, en inzonderheid uit de daarin vervatte voorwaarde dat de betrokken groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die geen lid zijn.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. F.07.0070.F
A.B., naamloze vennootschap
Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 15 maart 2007 gewezen door het
Hof van Beroep te Brussel.
Afdelingsvoozitter Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert drie middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 2220 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 81 en 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde,
zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999;
- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de
bodemrechter niet vermag ambtshalve betwistingen op te werpen die de partijen
hebben uitgesloten, zoals het is neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het
Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens
recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de
zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door
de eiseres aangevoerde middel betreffende de verjaring, zulks op de onderstaande
gronden:
"A. De afstand van de verlopen tijd der verjaring van 5 december 1996
(De eiseres) wijst erop dat haar bijzonder gevolmachtigde, F. M., de dag waarop die
afstand werd ondertekend, formeel verklaard heeft niet akkoord te gaan met de belasting,
hetgeen volgens (de eiseres) tevens blijkt uit het op 30 december 1996 verstuurde bericht
waarin zij die oneensheid meldde, en uit de brieven van 7 januari 1997, 20 februari 1997
en 26 maart 1997 die door haarzelf en haar raadslieden zijn verstuurd. Aangezien zij
nooit van plan is geweest de rechten te erkennen van degene tegen wie de verjaring liep,
kan de afstand van de verlopen tijd der verjaring, volgens (de eiseres) niet worden
beschouwd als een stuiting van de verjaring.
Het hof (van beroep) stelt vast dat de feiten waaruit de rechten zijn ontstaan die werden
opgenomen in (verweerders) regularisatieopgave van 14 november 1996 en in (het)
proces-verbaal van 28 februari 1997 zich hebben voorgedaan in de jaren 1992, 1993,
1994 en 1995 en dat F. M., die optrad als bijzonder gevolmachtigde van (de eiseres), op
5 december 1996 een afstand van de verlopen tijd der verjaring heeft ondertekend in de
zin van artikel 83, §2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Die afstand bevat geen enkel voorbehoud en, meer bepaald, geen enkel gegeven waaruit
zou kunnen worden opgemaakt dat (de eiseres) niet akkoord gaat met de aanspraken van
de belastingadministratie. Het is dus onjuist te stellen dat de bijzonder gevolmachtigde
van (de eiseres) het document heeft ondertekend 'met de verklaring dat zij het niet eens
was met de belasting' zoals (de eiseres) beweert (in) haar laatste conclusie.
De afstand bevat evenmin aanwijzingen als zou zij onder dwang zijn ondertekend.
Pas in een brief van 30 december 1996 (dus 25 dagen na de ondertekening van de afstand
van de verlopen tijd der verjaring) heeft (de eiseres) gemeld dat zij niet akkoord ging met
de aanspraken van de administratie.
Bovendien is een eerste aanwijzing van een zogenaamde dwang op M. bij het
ondertekenen van de afstand van de verlopen tijd der verjaring pas terug te vinden in de
gedinginleidende dagvaarding van 27 april 1998 waarin (de eiseres) vermeldde dat de
afstand is ondertekend 'op verzoek van de Bijzondere Belastinginspectie'.
Het hof (van beroep) deelt (verweerders) zienswijze dat M., die optrad als bijzonder
gevolmachtigde van (de eiseres), een vennootschap van internationaal formaat, die zelf
werd bijgestaan door 'de fiscaal directeur van de groep' die daarvoor van Parijs was
gekomen, en geadviseerd werd door afgevaardigden van de firma's 'Coopers & Lybrand'
en 'Price Waterhouse', zeker weet moest hebben van de draagwijdte van het document
dat hij ondertekende, aangezien hem bij brief van 14 november 1996 (dus nauwelijks een
goeie twee weken eerder), een regularisatieopgave was gestuurd voor onderzoek en
eventuele ondertekening.
Aldus komt het hof (van beroep) tot de slotsom dat de afstand van de verlopen tijd der
verjaring volstrekt geldig is en de door de wetgever in artikel 83, §2, van het Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde beoogde uitwerking krijgt, namelijk dat die
afstand, ten aanzien van de gevolgen ervan, gelijkgesteld wordt met de in artikel 83, §1,
eerste lid, van dat wetboek bedoelde stuiting.
Aangezien het hof (van beroep) van oordeel is dat de afstand van de verlopen tijd der
verjaring de verjaring heeft gestuit binnen de eerste termijn van de vijf jaar, heeft het
geen zin te onderzoeken welke weerslag de betalingen van de litigieuze bedragen tijdens
diezelfde eerste termijn van vijf jaar hebben op de verjaring".
Grieven
(…)
Tweede onderdeel
Luidens artikel 81 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals
het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, verjaart de
vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve
geldboeten door verloop va vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.
Overeenkomstig artikel 83 van dat wetboek, zoals het van kracht was ten tijde van de
feiten, wordt de verjaring, zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de
teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, gestuit op de
wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het
Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit,
wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring,
indien geen rechtsgeding hangend is.
Het tweede lid van dat artikel preciseert: "Afstand van de verlopen tijd der verjaring en
de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, §1, worden ten
aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting".
De wetgever heeft aldus verwezen naar het gemeen recht om de voorwaarden te bepalen
waarin de omschreven oorzaken een stuitend karakter hebben.
De stuiting van de verjaring impliceert per definitie echter, ofwel de wilsuiting van de
schuldeiser om zijn schuldvordering in te vorderen, ofwel een handeling van de
schuldenaar die de schulderkenning jegens zijn schuldeiser impliceert.
Zulks geldt ook in geval van afstand van de verlopen tijd der verjaring.
Bijgevolg geldt afstand slechts als stuiting van de verjaring voor zover de schuldenaar
van plan is geweest het recht van zijn schuldeiser te erkennen, zoals duidelijk blijkt uit het
onderling verband tussen de artikelen 2220 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan
het eerste betrekking heeft op de mogelijkheid om afstand te doen van de verkregen
verjaring en het tweede op de erkenning door de schuldenaar van het recht van degene
tegen wie de verjaring loopt.
Terwijl de afstand van de verjaring, waarvan artikel 2220 van het Burgerlijk Wetboek
gewag maakt, immers een handeling is waarbij een partij beslist geen gebruik te maken
van een verweermiddel - namelijk de verjaring die zij heeft verkregen -, houdt de afstand
van de verlopen tijd der verjaring geen afstand in van een verweermiddel dat gehanteerd
had kunnen worden, aangezien de verjaring, per definitie, nog niet is verkregen, maar is
zij in feite, de erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring aan het lopen
was. In dat opzicht is de afstand van de verlopen tijd der verjaring een verjaringstuitende
daad.
Bijgevolg is het niet voldoende vast te stellen dat de belastingschuldige een verklaring
"afstand van de verlopen tijd der verjaring" heeft ondertekend; er moet immers nog
worden vastgesteld dat hij, door dat document te ondertekenen ook de bedoeling heeft
gehad het recht van zijn schuldeiser te erkennen opdat er een stuitende werking aan kan
worden toegekend.
Hoewel het arrest in deze vaak vaststelt dat een document, "afstand van de verlopen tijd
der verjaring" genaamd, op 5 december 1996 werd ondertekend door de bijzonder
gevolmachtigde van de eiseres, die bij de ondertekening ervan geen enkel voorbehoud
had gemaakt, en dat dit stuk geen enkel gegeven bevatte waaruit zou kunnen blijken dat
de eiseres het oneens was met de aanspraken van de belastingadministratie en dat
genoemd stuk evenmin aanwijzingen bevatte als zou hij het onder dwang hebben
ondertekend, stelt het echter niet vast dat de eiseres aldus het recht van de verweerder
heeft willen erkennen. Wel integendeel, het arrest stelt vast dat de eiseres, per brief van
30 december 1996, gemeld heeft dat zij het oneens was met de aanspraken van de
administratie.
Gelet op de vaststellingen van het arrest waaruit geenszins blijkt dat de eiseres door
de "afstand van de verlopen tijd der verjaring" te ondertekenen de bedoeling zou hebben
gehad verweerders recht te erkennen en het daadwerkelijk zou hebben erkend, heeft het
arrest bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de afstand van de verlopen tijd der
verjaring binnen de eerste termijn van vijf jaar de vijfjarige verjaring had gestuit
(schending van de artikelen 2220, 2248 van het Burgerlijk Wetboek en 83 van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was
vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999) en, bijgevolg dat de verjaring te
gelegener tijd was gestuit (schending van artikel 81 van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de
wet van 15 maart 1999).
(…)
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 81, 83, 89 en 90 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15
maart 1999;
- artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens
recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de
zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door
de eiseres aangevoerde middel betreffende de verjaring, op de onderstaande gronden:
"Het hof (van beroep) komt aldus tot de slotsom dat (de verweerder), door aan (de
eiseres) op 29 november 2001 een dwangbevel te betekenen, de verjaring heeft gestuit die
volgde op de verjaringstermijn die was ingegaan door de afstand van de verlopen tijd der
verjaring van 5 december 1996.
Betreffende de rechtsvordering die (de eiseres) heeft ingesteld bij dagvaarding van 23 en
27 april 1998
Steunend op het burgerlijk recht, de rechtsleer en de rechtspraak houdt (de eiseres)
staande dat de rechtsvordering de verjaring slechts stuit voor degene die ze instelt. Zij is
van oordeel dat de (verweerder) ten onrechte zegt dat de vordering tot teruggave die zij
heeft ingesteld eveneens de verjaring heeft gestuit van (verweerders) vordering tot
voldoening van de belasting, omdat de dagvaarding die van de schuldenaar zelf uitgaat,
als dusdanig geen enkele stuitende werking heeft op de verjaring van de vordering van de
Staat tot voldoening van de belasting.
Artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat ten tijde
van de feiten van kracht was, luidde als volgt: 'zowel ten aanzien van de voldoening als
ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve
geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij
de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op
dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste
stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is'.
Het hof (van beroep) is van oordeel dat de vermelding 'indien geen rechtsgeding hangend
is' in artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde moet
worden begrepen in samenhang met artikel 89, tweede lid, van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde luidens hetwelk 'de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met
redenen omkleed verzet met dagvaarding' en dat 'dat verzet bij exploot wordt betekend
aan de Staat, meer bepaald aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd'.
Voor de voldoening van de nog niet-betaalde belasting kan de Belgische Staat aan
zichzelf, op grond van het proces-verbaal van regularisatie dat bewijskracht heeft tot
bewijs van het tegendeel, een uitvoerbare titel toekennen die, inzake belasting over de
toegevoegde waarde, bestaat in het dwangbevel. Bijgevolg dient de administratie geen
rechtsvordering in te stellen tot voldoening van de verschuldigde belasting, en is het dus
uitzonderlijk dat zij het initiatief tot een rechtsvordering neemt ter voldoening van de
belasting.
De bewoordingen van artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde volgens welke, wanneer de verjaring gestuit is door een aan de
belastingschuldige ter kennis gebracht dwangbevel, een nieuwe verjaring, die op dezelfde
wijze kan worden gestuit, wordt verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige
verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is, doelen in elk geval, in die uitzondering
op de nieuwe lopende verjaringstermijn, op het verzet (betreffende de zaak zelf) tegen het
dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat door de belastingschuldige
wordt gedaan met dagvaarding voor de rechtbank die het gebruikelijke rechtscollege ter
zake is.
Dat verzet ontneemt immers, tijdens de loop van het geding, elke uitvoerbare kracht (het
stuit de tenuitvoerlegging) aan de titel (het dwangbevel) die de administratie zichzelf
heeft toegekend, zodat de administratie alleen enkele garanties kan verkrijgen door zich
te schikken naar artikel 92 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, en door zich te wenden tot de rechter in kort geding of door de toetsing van het
hof, in geval van beroep.
Aangezien de administratie niet langer het recht heeft om, tijdens de loop van het geding,
de verschuldigde bedragen in te vorderen, doordat op de door de wet omschreven wijze
regelmatig verzet is gedaan tegen haar titel, heeft het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde, terzelfder tijd en specifiek in die context, bepaald dat de nieuwe
verjaring vanaf de betekening van het dwangbevel niet liep of niet verkregen was (naar
gelang van de interpretaties maar zonder praktische gevolgen) zolang het rechtsgeding
liep over het verzet van de belastingschuldige tegen het dwangbevel.
Uit het bovenstaande vloeit zonder enige twijfel voort dat (verweerders) schuldvordering
te dezen niet verjaard was".
Grieven
Luidens artikel 81 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals
het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, verjaart de
vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve
geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.
Volgens artikel 83 van dat wetboek, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan
bij de wet van 15 maart 1999, wordt de verjaring, zowel ten aanzien van de voldoening
als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve
geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en
volgende van het Burgerlijk Wetboek, waarmee krachtens artikel 83, tweede lid van het
Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde, de afstand van de verlopen tijd der
verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel worden gelijkgesteld. Een nieuwe
verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar
na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.
Anders gezegd, een nieuwe verjaring is er het gevolg van, tenzij de verjaringstuitende
handeling een nieuw rechtsgeding heeft ingeleid.
In dat geval zal de verjaring niet lopen tegen degene van wie de stuiting uitgaat zolang
het geding niet beëindigd is.
Artikel 83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
bevestigt aldus het gemeen recht, krachtens hetwelk een dagvaarding in rechte de
verjaring stuit en die stuiting, in beginsel, duurt zolang het geding loopt.
Aangezien echter een rechtsgeding slechts ten gevolge van een gedinginleidende akte kan
worden ingeleid, volgt daaruit dat de woorden " indien geen rechtsgeding hangend is"
uit voornoemd artikel 83, eerste lid, niet op eender welk rechtsgeding slaan, maar enkel
op een geding dat is ingeleid door een dagvaarding of door een andere gedinginleidende
handeling die de verjaring heeft gestuit en waarvan de gevolgen blijven duren zolang het
geding loopt.
Bovendien valt uit artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek af te leiden dat de
dagvaarding slechts stuitende werking heeft ten voordele van degene die ze uitbrengt en
die, door die handeling de andere wil beletten de verjaring te verkrijgen. Hieruit volgt
dat die handeling noodzakelijkerwijs moet uitgaan van de partij die de andere wil
beletten de verjaring te verkrijgen, aangezien de stuiting van een verjaring niet kan
overgaan van de ene rechtsvordering op de andere.
De enige dagvaarding die in dit geval werd betekend en die dus een rechtsgeding heeft
ingeleid, is echter de dagvaarding die op 23 en 27 april 1998 aan de verweerder
betekend is op verzoek van de eiseres met toepassing van artikel 90 van het Wetboek van
de belasting over de toegevoegde waarde en die de teruggave van de belasting, de
interesten en de boeten beoogde.
Bijgevolg vermocht deze niet de verjaring te stuiten ten voordele van de administratie,
aangezien zij uitging van de partij ten voordele van wie de verjaring liep en die
bovendien voorafging aan de uitvaardiging van het dwangbevel, dat op 29 november
2001 aan de eiseres is betekend, waarbij de vordering tot teruggaaf zich trouwens
onderscheidt van het verzet tegen het dwangbevel, dat geregeld wordt in artikel 89 van
het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Zo ging ook het verzet tegen het dwangbevel, dat de eiseres overeenkomstig voornoemd
artikel 89, voor zoveel als nodig, in het kader van het rechtsgeding dat was ingeleid door
de voornoemde dagvaarding, had gedaan in de conclusie die zij op 30 oktober 2004 ter
griffie van het hof van beroep neerlegde, dus meer dan drie jaar na de betekening van het
dwangbevel, eveneens uit van de eiseres, zodat het evenmin de verjaring ten voordele van
de verweerder kon stuiten.
Bijgevolg kon de administratie zich op geen van beide handelingen beroepen om aan te
voeren dat de verjaring niet zou hebben gelopen tijdens het daaropvolgende geding en
zulks tot het was beëindigd.
Het geding dat werd ingeleid door het voornoemde verzet, dat op 30 oktober 2004 voor
zoveel als nodig was gedaan, kan trouwens, aangezien het meer dan drie jaar na de
betekening van het dwangbevel werd ingeleid, geenszins worden beschouwd als een
geding dat de stuitende werking heeft verlengd van de kennisgeving van het dwangbevel
van 29 november 2001, dat als zodanig geen enkel rechtsgeding heeft ingeleid.
Het arrest dat beslist dat verweerders schuldvordering niet verjaard was op grond dat
het verzet, tijdens de loop van het geding, de uitvoerbare kracht ontneemt aan de titel die
de administratie zichzelf heeft toegekend en dat de nieuwe verjaring vanaf de betekening
van het dwangbevel niet loopt of niet verkregen is zolang het rechtsgeding loopt dat
ingesteld was door het verzet van de belastingschuldige tegen het dwangbevel, terwijl uit
zijn vaststellingen blijkt dat de eiseres in feite een vordering tot teruggaaf had ingesteld
en zulks meer dan drie jaar voordat (lees: nadat) de administratie een op 29 november
2001 betekend dwangbevel uitvaardigde, verwart in de eerste plaats de vordering tot
voldoening met de vordering tot teruggaaf (schending van de artikelen 89 en 90 van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals ze van toepassing waren
vóór hun wijziging bij de wet van 15 maart 1999). Bovendien heeft het niet naar recht
kunnen beslissen dat de dagvaarding, die op 23 en 27 april 1998 aan de verweerder werd
betekend op verzoek van de eiseres en die, bijgevolg, niet uitging van degene die de
eiseres wenste te beletten de verjaring te verkrijgen, de verjaring van de vordering van de
administratie tot voldoening van de belasting heeft kunnen stuiten ten voordele van de
verweerder (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van
15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek) en evenmin dat de verjaring niet
meer tegen hem liep tijdens het rechtsgeding dat erop volgde (schending van de artikelen
83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals het
van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, en 2244 van
het Burgerlijk Wetboek). Het heeft evenmin naar recht kunnen beslissen dat het verzet
tegen het dwangbevel dat de eiseres bij conclusie had gedaan bijna drie jaar na de
betekening van het dwangbevel op 29 november 2001, welk verzet geënt was op de
oorspronkelijke rechtsvordering van de eiseres, een stuitende werking had ten voordele
van de verweerder (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet
van 15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek) of dat de verjaring niet langer
zou hebben gelopen tegen de verweerders tijdens het daaropvolgende rechtsgeding
(schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart
1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek). Tot slot heeft het evenmin naar recht kunnen
beslissen dat de stuitende werking van de betekening van het dwangbevel ook zou gelden
voor het rechtsgeding dat bijna drie jaar nadien door de belastingschuldige tegen de
Staat werd ingeleid (schending van de artikelen 83 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet
van 15 maart 1999, en 2244 van het Burgerlijk Wetboek). Bijgevolg heeft het arrest, dat
slechts de betekening van een dwangbevel op 29 november 2001 vermeldt, niet naar recht
kunnen beslissen dat de rechtsvordering van de verweerders niet verjaard was toen het
arrest werd uitgesproken (schending van artikel 81 van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de
wet van 15 maart 1999).
Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 105, 108 en 159 van de Grondwet;
- artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
- artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de
vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van
de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten.
Aangevochten beslissingen
Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk maar stelt, alvorens
recht te doen over de zaak zelf, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de
zesde btw-richtlijn (nr. 77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 en verwerpt het door
de eiseres aangevoerde middel betreffende de onwettigheid van artikel 2 van het
koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van
de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige
groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, op grond van de
onderstaande redenen:
"Betreffende het argument dat de exclusiviteitsvoorwaarde strijdig is met de Belgische
bepalingen
(De eiseres) voert aan dat noch artikel 44, § 2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, noch het koninklijk besluit nr. 43. van 5 juli 1991 met
betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten
aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende
diensten uitsluitend aan de leden mogen worden verleend. Enkel in de administratieve
circulaire nr. 3 van 9 mei 1996, die geen kracht van wet heeft en niet gold ten tijde van de
feiten, wordt die voorwaarde toegevoegd voor de vrijstelling bedoeld in artikel 44, §2,
1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Als artikel 2, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 43 in die zin moet worden
begrepen dat de diensten uitsluitend aan de leden van de groepering mogen worden
verleend, is het volgens (de eiseres) aangetast door bevoegdheidoverschrijding is
uitgevaardigd.
Het hof (van beroep) deelt echter de zienswijze van de eerste rechter volgens welke (de
eiseres) ten onrechte staande houdt dat de exclusiviteitsvoorwaarde slechts opgedoken is
in administratieve richtlijnen en dat de voornoemde circulaire nr. 3/96 geen enkele
grondslag vindt in het voornoemde koninklijk besluit nr. 43.
Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 bepaalt, enerzijds, dat de werkzaamheden
van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten, en niet in leveringen
van goederen, maar het preciseert, anderzijds - zoals door de eerste rechter terecht werd
beklemtoond -, zonder dat een splitsing van de begrippen mogelijk is, dat de diensten
rechtstreeks in het belang van de leden moeten worden verleend.
Hieruit volgt dat het bijwoord 'uitsluitend' dat betrekking heeft op 'bestaan in het
verrichten', dat zelf betrekking heeft op de verplichting van rechtstreekse dienstverlening
aan de leden, wel degelijk een tot de leden beperkt toepassingsveld impliceert.
Het hof (van beroep) sluit zich eveneens aan bij de beslissing van de eerste rechter dat de
Koning, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de bevoegd
heden die de wetgever hem verleend heeft te buiten is gegaan. Die voorwaarde is immers
in perfecte overeenstemming met de inhoud van de bepaling van intern recht".
De eerste rechter had, wat hem betreft, het volgende overwogen:
"7. De eiseres houdt echter ten onrechte staande dat de in punt 6 hierboven omschreven
exclusiviteitsvoorwaarde slechts opgedoken is in administratieve richtlijnen en dat de
voornoemde circulaire nr. 3/96, geen enkele grondslag vindt in het koninklijk besluit nr.
43, tenzij volgens een uitlegging van artikel 2 van dat besluit die niet zou stroken met de
bewoordingen en de grammaticale opbouw ervan.
Artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43, dat hierboven onder punt 5 is weergegeven,
bepaalt weliswaar dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend moeten bestaan
in het verrichten van diensten, en niet in het leveren van goederen, maar preciseert
tegelijk, zonder dat een splitsing van de begrippen mogelijk is, dat de diensten
rechtstreeks in het belang van de leden moeten worden verleend, zodat het bijwoord
'uitsluitend' - dat betrekking heeft op 'bestaan in het verrichten', dat zelf betrekking heeft
op de verplichting van rechtstreekse dienstverlening aan de leden - wel degelijk een tot de
leden beperkt toepassingsveld impliceert.
(…)
8. De Koning is, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de
bevoegdheden die de wetgever hem verleend heeft te buiten gegaan.
Artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
verleende de Koning weliswaar enkel de bevoegdheid om de 'toepassingsvoorwaarden'
voor de vrijstelling te bepalen, waardoor Hij het toepassingsveld ervan niet mocht
beperken, maar zulks is geenszins het voorwerp van het koninklijk besluit nr. 43, dat
enkel een voorwaarde vermeldt die in perfecte overeenstemming met de inhoud van de
wetsbepaling van intern recht".
Grieven
Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene,
provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre ze met
de wetten overeenstemmen.
Overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet heeft de Koning geen andere macht dan die
welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd,
hem uitdrukkelijk toekennen.
Luidens artikel 108 van de Grondwet maakt de Koning de verordeningen en neemt hij de
besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te
mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.
Uit die grondwetsbepalingen volgt dat de Koning de draagwijdte van een wet niet vermag
uit te breiden of te beperken.
In casu bepaalt artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde dat van de belasting zijn vrijgesteld de diensten verleend aan hun
leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen
welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn,
wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, en dat
deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de
gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden;
de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling.
Krachtens die bepaling zijn de diensten door zelfstandige groeperingen van personen
verleend aan hun leden dus vrijgesteld.
Dat artikel bevat geen enkele exclusiviteitsvoorwaarde van de diensten ten gunste van de
leden. Het handelt immers enkel over hetgeen moet gebeuren met de diensten, door
zelfstandige groeperingen van personen verleend aan hun leden en over de wijze waarop
ze vrijgesteld worden, zonder te verbieden dat aan andere personen diensten worden
geleverd waarop hun eigen btw-regeling van toepassing is.
Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot
de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van
de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten te
preciseren dat de diensten verleend door de in artikel 1 bedoelde zelfstandige
groeperingen van personen aan hun leden, van de belasting zijn vrijgesteld op
voorwaarde dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het
verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, en dat deze alleen
een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of
waarvoor ze niet belastingplichtig zijn, heeft de Koning bijgevolg aan de in artikel 44, §2,
1°bis, bedoelde vrijstelling een voorwaarde toegevoegd die dat artikel niet bevat en heeft
hij aldus de inhoud van de voornoemde wetsbepaling gewijzigd door het
toepassingsgebied ervan te beperken.
Door te verklaren dat het "zich eveneens aansluit bij de beslissing van de eerste rechter
dat de Koning, bij het neerschrijven van die exclusiviteitsvoorwaarde, geenszins de
bevoegdheden die de wetgever hem verleend heeft te buiten is gegaan", en te oordelen
dat "die voorwaarde immers in perfecte overeenstemming is met de inhoud van de
bepaling van intern recht", schendt het arrest bijgevolg artikel 44, §2, 1°bis, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat geen enkele
exclusiviteitsvoorwaarde voor de diensten aan de leden bevat (schending van artikel 44,
§2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde) en heeft het
bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de Koning geenszins de hem verleende
bevoegdheden te buiten was gegaan (schending van de artikelen 105, 108 van de
Grondwet en 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde) en heeft het evenmin naar recht kunnen beslissen dat die bepaling in deze zaak
kon worden toegepast, behoudens onverenigbaarheid van artikel 44, §2, 1°bis, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met artikel 13, A, 1, f), van de
zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie
van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van
belasting over de toegevoegde waarde (schending van de artikelen 159 van de Grondwet,
44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 2, 1°, van
het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk
van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige
groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
(…)
Tweede onderdeel
Artikel 83, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals het van toepassing was op het geschil, bepaalt dat zowel ten aanzien
van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten
en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder
de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk
Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt
in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring,
indien geen rechtsgeding hangend is.
Luidens het tweede lid van die bepaling wordt afstand van de verlopen tijd der
verjaring ten aanzien van de gevolgen ervan gelijkgesteld met de in het vorige lid
bedoelde stuiting.
Uit die bepaling volgt dat de stuitende werking van die afstand verkregen is
gewoon door het feit dat deze gedaan is, zonder dat zij gepaard moet gaan met de
erkenning van de rechten van de schuldeiser.
Het onderdeel dat het tegenovergestelde aanvoert, faalt naar recht.
(…)
Tweede middel
Krachtens artikel 83, eerste en tweede lid, van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, stuit de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze
waarin artikel 85, §1, voorziet de verjaring ten aanzien van de voldoening van de
belasting en, zoals eerder gezegd, wordt een nieuwe verjaring, die op dezelfde
wijze kan worden gestuit, in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van
de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.
Artikel 89, tweede en derde lid, van dat wetboek bepaalt dat de tenuitvoerlegging
van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige
gedaan en met reden omkleed verzet.
Het arrest dat niet beslist dat de verjaring werd gestuit door de dagvaarding van de
eiseres tot teruggave van de belasting van 23 en 27 april 1998 of door het door
haar op 30 oktober 2004 tegen dat dwangbevel gedane verzet, en dat evenmin
beslist dat de verjaring gestuit werd tijdens het rechtsgeding dat op die
dagvaarding volgde, oordeelt dat die verjaring, die op 5 december 1996 voor het
eerst werd gestuit door de door de eiseres gedane afstand van de verlopen tijd der
verjaring, opnieuw is gestuit door het op 29 november 2001 betekende
dwangbevel.
Door te oordelen "dat de nieuwe verjaring niet liep of niet verkregen was (…)
tijdens het rechtsgeding dat op gang was gebracht door het door (de eiseres) tegen
het dwangbevel gedane verzet" verantwoordt het arrest naar recht zijn beslissing
dat de schuldvordering van de verweerder niet verjaard is op het ogenblik dat het
uitspraak doet.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Derde middel
Artikel 44, §2, 1°bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zoals het van toepassing was op het geschil, bepaalt dat van de belasting
zijn vrijgesteld de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen
van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is
vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct
nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun
leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven,
en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning
regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling.
Uit die bepaling, en inzonderheid uit de daarin vervatte voorwaarde dat de
betrokken groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van
hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de
dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan
personen die er geen deel van uitmaken.
Door in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 43, van 5 juli 1991, met
betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde
waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun
leden verleende diensten, te vermelden dat de in voornoemd artikel 44, § 2, 1°bis,
bedoelde vrijstelling geldt ingeval de werkzaamheden van de groepering
uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de
leden zelf, heeft de Koning zich bijgevolg ertoe beperkt, zonder zijn
bevoegdheden te buiten te gaan, een toepassingsvoorwaarde van die vrijstelling te
regelen.
Door aldus te beslissen schendt het arrest geen enkele van de in het middel
aangewezen wettelijke bepalingen.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door
voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren
Sylviane Velu, Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting
van 2 april 2009 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid
van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne
Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Ivan Verougstraete en
overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De voorzitter,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
2België
2Hof van beroep te Antwerpen2015/AR/229820.09.2016
Zelfstandige groeperingen van personen, Vrijstelling van de belasting
Hof van beroep te Luik13.04.2016