Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 20 juli 2011

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2011-07-20-afd0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
20 juli 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

99 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 20.07.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR nr. 09/779/A

1. D. E., restaurantuitbater, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder het nummer …, wonende te …, ….

2. H. J., restaurantuitbater, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder het nummer …, wonende te …, ….

3. D. V. D. E. EN H. J., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE ….

eisers,

vertegenwoordigd door mr. J. B., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, vertegenwoordigd door mevrouw de waarnemend e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 16.12.1997 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door F. H., rekenplichtige van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 17.11.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. V., hoofdcontroleur van het eerste controlekantoor van de BTW te Beringen, hiertoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 19.11.1997, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder D. V. op 04.12.1997;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies van eisers.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

De Vereniging D. E. en H. J. was als wegens de activiteit van uitbating van een koffiehuis-restaurant geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

De Vereniging D. E. en H. J. kocht onder meer dranken aan bij de NV H. A. S. te ….

De Vereniging D. E. en H. J. ressorteerden onder het eerste BTW­controlekantoor van Beringen. Op 09.07.1997 werd er door L. S., e.a. verificateur van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste controlekantoor van de BTW te Beringen een proces-verbaal opgesteld waarin de volgende vaststellingen werden opgenomen :

- uit inzage van het BTW-dossier van de Vereniging D. E. en H. J. bleek dat er een proces-verbaal van vaststellingen inzat aangaande een BTW­controle uitgeoefend bij de NV H. A. S. te …;

- aan dit proces-verbaal waren de volgende bijlagen gehecht :

a) een uittreksel uit het klantenbestand van de NV H. A. S. waarop 2 klantennummers staan vermeld nl. een oneven en een even klantennummer met betrekking tot de Vereniging D. E. en H. J., BTW­belastingplichtige-medecontractant van de NV H. A. S.;

b) een uittreksel van de leveringen van goederen door de NV H. A. S. met betrekking tot de periode van 01.09.1991 tot en met 27.01.1995 waarvoor door deze laatste vennootschap facturen werden opgesteld met vermelding van een "naam en een adres" van een al dan niet bestaande particulier welke volgens de administratie niet de bestemmeling van de goederen was, aangezien de overeenstemmende leveringen volgens het orderbestand plaatsvonden op het leveringsadres van D. E.; hierbij werd gebruik gemaakt van het even klantennummer toegekend aan de Vereniging D. E. en H. J.;

c) kopies van de facturen gericht aan de al dan niet bestaande particulieren waarvan sprake onder punt b;

d) kopies van de aan de belastingplichtige medecontractant gefactureerde leveringen; hierbij werd gebruikt gemaakt van het oneven klantennummer toegekend aan de Vereniging D. E. en H. J..

Vervolgens werd er op 25.11.1996 een controle uitgevoerd bij de Vereniging D. E. en H. J. voor de handelingen van 01.12.1992 tot 31.12.1994. Door middel van een vergelijking van de in de boekhouding van de belastingplichtige voorkomende aankoopfacturen en van leveringen van de NV H. A. S. (1) met de leveringen door deze laatste doch waarvan de overeenstemmende facturen waren gericht aan al dan niet bestaande particulieren (2) werden de volgende vaststellingen gedaan :

- zowel de facturen onder punt (1) als onder punt (2) vormen een in de tijd logische opeenvolging van leveringen;

- de facturen onder (1) en (2) bevatten leveringen van wijnen en dranken van dezelfde soorten.

De juistheid van deze aan al dan niet bestaande particulieren gerichte facturen doch waarvan de overeenstemmende leveringen plaatsvonden op het leveringsadres van D. G. E. werd door de belastingplichtige noch bevestigd, noch ontkend.

Op 09.07.1997 werd door L. S., e.a. verificateur van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste controlekantoor te Beringen, een proces-verbaal opgesteld lastens de Vereniging D. E. en H. J. waarbij werd gesteld dat er goederen werden aangekocht van de NV H. A. S. zonder dat deze leveringen van goederen gefactureerd werden. De verificateur berekende de meeromzet op basis van deze aankopen zonder factuur, te weten :

- voor 1992 : belastbare meeromzet 66.019 F x 3,37 = 222.484 F;

- voor 1993 : belastbare meeromzet 86.961 F x 3,365 = 292.624 F;

- voor 1994 : belastbare meeromzet 45.446 F x 3,55 = 161.333 F.

Dit resulteerde in een BTW-navordering als volgt begroot :

- BTW : 132.129 BEF (3.275,39 euro);

- wettelijke geldboete op grond van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting : tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting zijnde 264.258 BEF (6.550,78 euro);

- wettelijke intresten berekend overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1995 over de som van 132.000 BEF (3.272,19 euro).

Teneinde betaling te bekomen van voormelde bedragen werd op 17.17.1997 tegen de Vereniging D. E. en H. J., de heer D. E. en de heer H. J. een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 09.07.1997. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.11.1997, en met een bevel tot betaling van gerechtsdeurwaarder D. V. te … betekend op 04.12.1997.

In dit dwangbevel werden de hiernavolgende bedragen gevorderd :

- BTW : 132.129 BEF (3.275,39 euro);

- wettelijke geldboete op grond van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting : tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting zijnde 264.258 BEF (6.550,78 euro);

- wettelijke intresten berekend overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1995 over de som van 132.000 BEF (3.272,19 euro);

- wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel;

- de kosten van het exploot van betekening.

Eisers gingen bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel middels exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 16.12.1997.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Aangaande de verjaring

1. De artikelen 81, 82 en 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden sedert hun wijziging bij de wet van 8 augustus 1980 (BS 15 augustus 1980), alvorens zij respectievelijk werden gewijzigd door de artikelen 52, 53, 54, 55 en 56 van de wet van 15 maart 1999, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999 (zie hoofdstuk IV - art. 97 Inwerkingtreding Wet 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, BS 27 maart 1999).

Vermits in voorliggend geval de vordering tot voldoening van de BTW is ontstaan vóór 1 januari 1999, zijn de wetsbepalingen van artikelen 81 en 83 nog van toepassing.

De toepasselijke wetsartikelen luidden :

Art. 81 (oud) W.BTW.

"De vordering tot voldoening van de belasting, van de intrest en van de administratieve geldboete, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan".

Art. 83 (oud) W.BTW.

"Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het burgerlijk wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijfjaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze ais bedoeld in artikel 85, § 1, wordt ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoeld stuiting"

2. Ingevolge de akte van verzet van 16.12.1997 werd een rechtshandeling gesteld waarin art. 83 W.BTW voorziet en als dusdanig werd de verjaring gestuit (zie Cass., 16 oktober 2008, F.J.F., nr. 2009/53).

2.2. Wat betreft de bewijskracht van de vaststellingen van het proces-verbaal van 09.07.1997

1. De materiële vaststellingen die zijn gebeurd door L. S., e.a. verificateur van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste controlekantoor te Beringen, de hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 09.07.1997 de in artikel 59, § 1 in fine bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

2. De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen, onder meer door vermoedens.

3. Uit het proces-verbaal van 09.07.1997 blijkt dat de administratie zich beroept op een proces-verbaal van vaststellingen van 06.06.1996 aangaande een BTW­controle bij de NV H. A. S. waaruit zou blijken dat er leveringen van goederen hebben plaatsgevonden aan de Vereniging D. E. en H. J. zonder dat er hiervoor een factuur op naam van de Vereniging D. E. en H. J. werd uitgereikt. Hierbij zou gebruik gemaakt zijn van 2 klantennummers op naam van de Vereniging D. E. en H. J., een even en een oneven klantennummer.

Vervolgens heeft de administratie inzage genomen van het BTW-dossier van de Vereniging D. E. en H. J. en vastgesteld door middel van een vergelijking van de in de boekhouding van de belastingplichtige, de Vereniging D. E. en H. J., voorkomende aankoopfacturen en van leveringen van de NV H. A. S. (1) met de leveringen door deze laatste doch waarvan de overeenstemmende facturen waren gericht aan al dan niet bestaande particulieren (2) werden de volgende vaststellingen gedaan :

- zowel de facturen onder punt (1), als onder punt (2) vormen een in de tijd logische opeenvolging van leveringen;

- de facturen onder (1) en (2) bevatten leveringen van wijnen en dranken van dezelfde soorten.

Op basis van deze gegevens heeft de verificateur een meeromzet berekend en de daarop verschuldigde BTW begroot voor de jaren 1992, 1993 en 1994.

Rechtsgeldige vermoedens kunnen worden gebouwd op de gevonden interne stukken opgesteld door derden en op de verklaringen afgelegd door derden doch zij dienen te worden gecontroleerd op hun overeenstemming met de werkelijkheid.

Het wordt vooreerst niet betwist dat Vereniging D. E. en H. J. in de kwestieuze periodes regelmatig drank aankocht bij de NV H. A. S..

Uit nazicht van het proces-verbaal van 06.06.1996 opgesteld lastens de NV H. A. S. en de bijlagen blijkt vooreerst niet dat er 2 opeenvolgende klantennummers werden toegekend aan de Vereniging D. E. en H. J.. Het uittreksel van het klantenregister van de NV H. A. S. vermeldt slechts :

"… D. G. E. DHR CAFE RESTAURANT (...)

… kontant particulier"

Uit de in bijlage overlegde facturen opgesteld op naam van particulieren en met vermelding van klantnummer … blijkt niet dat het leveringsadres het adres van D. G. E. betrof. Andere gegevens waaruit zou blijken dat de goederen geleverd werden op het adres van D. G. E., zoals de zogenaamde "orderbestanden" werden niet aan de rechtbank overlegd.

De administratie steunt als feitelijk vermoeden op gegevens die afkomstig zijn van een andere belastingplichtige, doch overlegt niet aan de rechtbank de nodige stukken opdat de rechtbank de nodige controle zou kunnen uitoefenen en het werkelijke bestaan ervan vaststellen.

Het feit dat men zich steunt op beweringen opgenomen in een proces-verbaal lastens een andere belastingplichtige, maakt deze gegevens nog niet tot zekere en vaststaande feiten. Het blijven te verifiëren gegevens.

In de gegeven omstandigheden is het verzet tegen het dwangbevel dan ook gegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 09.07.1997 ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden dwangbevel van 09.07.1997 en zegt voor recht dat eisers de in het dwangbevel gevorderde BTW, geldboeten, intresten en kosten niet verschuldigd zijn.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze kosten als volgt in hoofde van eisers op :

- 68,12 euro dagvaardingskosten, en

- 1.210,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 20.07.2011, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 811 voorkomen
WBTW art. 821 voorkomen
WBTW art. 831 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8