Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent dd. 22.11.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent – 5e kamer - terechtzitting van 22-11-2005
Nr. 2003/AR/632
in de zaak van :
H. M., zelfstandige, wonende te …, …,
appellant,
niet verschijnend - arrest op tegenspraak (zaak vastgesteld bij toepassing van art.750, § 2 Ger.W.)
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, vertegenwoordigd door de e. a. Inspecteur, Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 ZOTTEGEM, G. Schockaertstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G. loco mr. V. A. E., advocaat te…, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
De appellant heeft tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 16 januari 2003, zesde kamer, waarbij het verzet van de appellant tegen het dwangbevel uitgevaardigd door W. H., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem op 5 januari 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. B., gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Oudenaarde op 11 januari 1999 en ter kennis gebracht op 14 januari 1999 geheel werd afgewezen. Volgens dit dwangbevel is de appellant samen met de andere vennoten en de Coöperatieve Vennootschap C. verschuldigd aan de geïntimeerde een bedrag van … BEF (… EUR) als geldboete ingevolge artikel 70, § 4 BTW-wetboek wegens het niet indienen van de aangifte voor het vierde kwartaal 1993 en het eerste kwartaal 1994, meer de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel ingevolge art. 91, § 4 BTW-Wet en de vervolgingskosten.
Het hoger beroep van de appellant strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en dienvolgens de oorspronkelijke eis van de appellant in te willigen, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.
Op zijn beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis dit alles met veroordeling van de appellant in de kosten.
Op de openbare terechtzitting van 27 september 2005 is de appellant niet verschenen, noch iemand voor hem. Door de Belgische Staat werd tegen de appellant vonnis als op tegenspraak gevorderd. Dit kan worden toegestaan.
Feitelijke gegevens
Op 23.11.1992 werd de coöperatieve vennootschap C. opgericht. De appellant is één der drie vennoten-oprichters.
De periodieke BTW-aangiften m.b.t. het vierde kwartaal 1993 en het eerste kwartaal 1994 werden niet ingediend door de CV C.. Dit leidde tot het opleggen van een boete van … BEF (… EUR) wegens het niet indienen van voornoemde aangiften.
Bij gebrek aan betaling werd een dwangbevel uitgevaardigd en per aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de coöperatieve vennootschap en aan elk van haar drie vennoten afzonderlijk, die volgens de geïntimeerde persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de coöperatieve vennootschap op grond van artikel 141, § 4 Venn.W. (oud).
De appellant stelde voor de eerste rechter niet gehouden te zijn tot betaling van deze BTW schuld omdat hij sinds begin 1993 geen vennoot meer was van de CV C.. Bovendien betwistte hij onbeperkt aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor deze BTW-boete. Tenslotte hield hij staande dat de vordering van de geïntimeerde verjaard was.
In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant afgewezen. De eerste rechter oordeelde dat geen relevant bewijs voorlag dat de appellant geen vennoot meer was en dat de appellant gehouden was tot betaling van de schuld omdat de CV C. een coöperatieve vennootschap was met onbeperkte aansprakelijkheid. Tenslotte werd de ingeroepen verjaring verworpen.
In zijn beroepsakte heeft de appellant zijn grieven hernomen (verjaring, geen vennoot meer, geen hoofdelijke gehoudenheid);
Beoordeling
1. Door de appellant wordt vooreerst aangevoerd dat de vordering van de administratie verjaard was. Volgens de appellant zou volgens art. 81bis BTW-Wet de verjaring zijn ingetreden op 20 januari 1998.
Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de vordering tot voldoening van de geldboeten is ontstaan vóór 1 januari 1999 zodat de oude wetsbepalingen van artikel 81 en 83 BTW-Wet nog van toepassing zijn. De vordering van de administratie blijft derhalve onder de oude regeling van de verjaring vallen hetzij door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop de vordering is ontstaan.
In concreto was de appellant gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften, hetgeen diende te gebeuren uiterlijk de twintigste van de maand volgend op ieder kalenderkwartaal (zie art. 53, eerste lid, 3° BTW-Wet en artikel 18, § 2, eerste lid K.B. nr. 1 van 29 december 1992). Aangezien de opgelegde boeten betrekking hebben op het vierde kwartaal 1993 en het eerste kwartaal 1994 moesten deze aangiften uiterlijk ingediend zijn tegen 20 januari 1994 en 20 april 1994.
Daaruit blijkt dat de vordering tot voldoening van de geldboeten ten vroegste is ontstaan op 20 januari 1994 zodat behoudens stuiting van de verjaring deze zou intreden op 21 januari 1999 (zie art. 81, 1ste BTW-Wet) Te dezen werd echter een dwangbevel betekend op 14 januari 1999, waardoor de verjaring werd gestuit (zie art. 85, § 2, 1° BTW-Wet) zodat de vordering van de geïntimeerde jegens de appellant niet is verjaard.
2. Door de appellant werd voorgehouden dat hij sedert begin 1993 geen vennoot meer was in de coöperatieve C.
Ingevolge art. 146, 2° Venn.W. hebben de vennoten het recht uit te treden. Dit recht mag evenwel slechts worden uitgeoefend tijdens de eerste maanden van het boekjaar.
De appellant houdt staande op 3 juli 1993 zijn ontslag te hebben aangeboden waarover zou zijn beslist op een algemene vergadering op 28 september 1993. Nu door de appellant geen stukken werden overgelegd kan het Hof deze gegevens niet toetsen. Met de eerste rechter moet worden vastgesteld dat door de appellant geen enkel sluitend bewijs wordt voorgelegd van zijn uittreding uit de vennootschap zoals het vennotenregister. Bovendien moet overeenkomstig het toen toepasselijke art. 147 Venn. W. de inschrijving gebeuren door het orgaan dat belast is met het bestuur en dit op grond van documenten met bewijskracht die gedagtekend en ondertekend zijn. Nu deze gegevens niet voorliggen is ook de uittreding uit de vennootschap niet aangetoond.
3. In een derde middel betwist de appellant hoofdelijk gehouden te zijn tot de schulden van de vennootschap. Naar luid van het toen toepasselijke art. 141, § 2 en 3 moeten de statuten uitdrukkelijk bepalen of de vennoten van de coöperatieve vennootschap beperkt of onbeperkt aansprakelijk zijn.
In tegenstelling tot wat de appellant voorhoudt hebben de vennoten zich onderling, solidair (= hoofdelijk) en ondeelbaar verbonden voor de schulden van de vennootschap (art. 7 van de statuten). Vennoten van een C.O.V.A. Zijn niet alleen op grond van de statuten maar tevens op grond van de wet persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap (art. 141, § 3 Venn.W.).
Te dezen hebben de statuten de hoofdelijkheid niet uitgesloten. Integendeel zijn de vennoten solidair verbonden. Nergens staat uitdrukkelijk bedongen dat de vennoten slechts instaan voor de schulden van de vennootschap ten belope van hun inbreng.
4. Voor het overige wordt de hoegrootheid van de boete op zich niet betwist.
Het hoger beroep is derhalve ongegrond.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt derhalve het bestreden vonnis.
Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep begroot als volgt :
- aan de zijde van de appellant :
* verzoekschrift hoger beroep …. EUR
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
- aan de zijde van de geïntimeerde :
* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op TWEEENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De Heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.