Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 16.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Beroep te Brussel - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2007/AR/2754
IN ZAKE VAN :
S. T. I. LTD, met exploitatiezetel te …, …, … (Ierland), voor de Belgische BTW geïdentificeerd onder het nummer BTW BE …, met aanstelling van F. N.V., … te …, als aansprakelijke vertegenwoordiger,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester V. R. loco D. C., advocaat te …, …,
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het Centraal BTW-Ontvangkantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Cantersteen 47 en van mevrouw Eerstaanwezend Inspecteur, Diensthoofd van het Centraal BTWkantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, Dienst Controle, waarvan de kantoren ; gevestigd zijn te 1000 Brussel, J. Stevensstraat, 7,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. D., advocaat te …, ….
EINDARREST - gegrond
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 mei 2007, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 12 oktober 2007.
FEITEN EN BESTREDEN VONNIS
Appellante vorderde voor de eerste rechter de kwijtschelding van de administratieve boete ten bedrage van … EUR ter aanzuivering van de betwiste boete, opgelegd bij beslissing van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit van 9 januari 2004.
De eerste rechter, na te hebben overwogen dat hij met volle rechtsmacht de betwiste boete kan toetsen, oordeelde dat de boete gepast is.
Hij verklaarde dienvolgens de vordering ontvankelijk doch ongegrond, en veroordeelde appellante tot de kosten.
GRIEVEN
Appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.
Zij vordert de kwijtschelding van de betwiste boete.
Zij vraagt aan het hof dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot teruggaaf van het ten onrechte overgeschreven BTW-tegoed van … EUR, vermeerderd met de overeenkomstige moratoriuminteresten sinds de aanwending van dit BTW-tegoed tot op datum van werkelijke terugbetaling.
Ook vraagt zij geïntimeerde te veroordelen in de kosten.
Geïntimeerde nodigt het hof uit de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen in de kosten.
BEOORDELING
1. De activiteiten van de groep S. in België omvatten het leveren en onderhouden van zgn. fout tolerante systemen (computers, e.d.). Deze servers dienen te blijven functioneren, zelfs indien bepaalde fouten, zoals stroompannes, interne defecten, enz. optreden.
Ten einde de ononderbroken werking van de computersystemen te waarborgen, houdt appellante een voorraad van reserve-onderdelen aan bij DHL Logistics in Zaventem.
Deze voorraad vormt een pool van reserve-onderdelen die door appellante kan worden aangesproken, indien zulks nodig blijkt bij de herstelling van computerservers bij klanten in Europa en daarbuiten.
Indien een onderdeel bij een klant niet naar behoren functioneert, wordt dit onderdeel door appellante [...] vervangen door een ander onderdeel in het kader van het algemeen onderhoudscontract. Hiertoe wordt het oude, niet functionerende onderdeel naar DHL verzonden om te worden gecontroleerd. DHL verzendt de niet functionerende, maar nog herstelbare goederen naar de Verenigde Staten. De niet herstelbare goederen worden vernietigd bij DHL. Tevens wordt er een nieuw of gerepareerd onderdeel vanuit de opslagplaats van DHL in Zaventem verzonden naar de betreffende klant om aldaar te worden gemonteerd in de te herstellen computerserver of netwerk.
In het kader van deze door appellante verstrekte onderhoudsdiensten zijn verschillende S. vennootschappen betrokken. Bovendien is 4e groep S. sedert enkele jaren haar activiteiten in Europa aan het herschikken, waarbij sommige contracten binnen de groep aan andere vennootschappen werden overgedragen.
Tot deze herstructurering behoorde de overdracht aan appellante van de onderhoudscontracten met de klanten en de levering van de reserveonderdelen.
Begin 2003 nam appellante de onderhoudscontracten met de klanten over van S. T. I. S.P.R.L.
De pool reserveonderdelen - die gebruikt werden bij het onderhoud van de systemen, waren aanvankelijk eigendom van S. C. I. en nadien S. T. N.V.
Met ingang van 1 maart 2002 werd besloten om deze voorraad voortaan aan te houden op van appellante. Bijgevolg diende zij in te staan voor de overeenkomstige invoer en uitvoer van deze reserveonderdelen van en de Verenigde Staten.
Teneinde deze activiteiten te kunnen overnemen, diende appellante op 27 januari 2003 haar aangifte van aanvang van werkzaamheid in bij het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen met de mededeling dat onmiddellijk na de toekenning van het BTW-nummer een vergunning tot verlegging van heffing bij invoer zou worden aangevraagd.
Deze registratie werd echter aanvankelijk geweigerd door dit BTWkantoor, omdat appellante niet onmiddellijk het bewijs van activiteit kon voorleggen.
Bijgevolg kon appellante·niet onmiddellijk beschikken over de noodzakelijke vergunning tot verlegging van heffing van de BTW bij invoer.
Bij het doorvoeren van de geplande herstructureringen ontbraken daarnaast voldoende duidelijke instructies en mededelingen over de overname door appellante naar DHL toe, die de voorraad materieel bijhield, en naar de douaneagenten toe.
Zo werden de kantoren van S. T. N.V., die voorheen eigenares was de voorraad reserveonderdelen, de facto gesloten vooraleer de voorraad overgedragen werd aan appellante.
Voorgaande reorganisatiemoeilijkheden en het niet onmiddellijk kunnen bekomen van een BTW-nummer in hoofde van appellante met de overeenkomstige vergunning, leidde ertoe dat er goederen werden ingevoerd op de verkeerd geadresseerde en zodoende met de verkeerde vergunning tot verlegging van heffing.
Sinds appellante in maart 2002 de onderhoudscontracten met de klanten overnam van S. T. I. S.P.R.L., dienden de in- en uitvoeren voortaan immers te gebeuren op naam van appellante.
Wegens de voorlopige weigering van toekenning door de administratie van het BTW-identificatienummer en de overeenkomstige vergunning ET 14000, kon appellante geen verlegging van heffing de invoer-BTW toepassen en stuitte appellante op bijzondere en praktische problemen met of bij haar douane-expediteur in België.
Vermits het op peil houden van de voorraad van reserveonderdelen echter kritiek was voor de volledige activiteit van de S., werd gedurende een periode ten onrechte het BTWidentificatienummer aangewend van S. T. N.V. (en de bijhorende vergunning ET 14000) van welke vennootschap appellante in maart deze voorraad had overgenomen.
De aldus verrichte invoeren werden niet opgenomen in de periodieke BTW-aangiftes van S. T. N.V. omwille van het feit dat deze logischerwijze op naam van S. T. l. (appellante) dienden te worden opgenomen.
Op 5 juni 2003 - nog voor appellante haar Belgische BTWidentificatienummer had ontvangen - verzocht appellante op schriftelijke wijze aan de administratie - via Ernst & Young Tax Consultants - de mogelijkheden te onderzoeken om deze toestand op de meest praktische wijze te regulariseren zonder dat de Schatkist hierbij enige schade zou ondervinden.
Na diverse besprekingen werden in samenspraak met de administratie aldus praktische regelingen getroffen die het appelante uiteindelijk mogelijk maakten om - na het bekomen van haar vergunning - haar activiteiten van in- en uitvoer van reserveonderdelen op de fiscaal-juridisch correcte wijze aan te geven.
Op grond van de administratieve beslissing ET 105.196 van 9 januari 2004 werd toegelaten dat de foutieve aangiften voor het gebruik waarop de verleggingregeling werd toegepast, niet verbeterd of vervangen dienden te worden.
Appellante legde in uitvoering van diezelfde beslissing de foutieve aangiften voor verbruik waarvoor de BTW effectief aan de douane werd voldaan, voor aan het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, die de aangepaste melding aanbracht op naam van de werkelijk geadresseerde, zijnde appellante (i.p.v. S. T. N.V.).
Appellante kon vervolgens met toelating van de administratie haar recht op aftrek uitoefenen op grond van de aldus verbeterde aangiften ten verbruik.
Appellante diende verder het totaalbedrag van de BTW waarvoor de verleggingregeling ingeroepen werd (… EUR) in rooster 61 aan te brengen van de eerstvolgende periodieke BTWaangifte na de beslissing van de administratie van 9 januari 2004.
De administratie eiste echter niet dat appellante vooreerst alle betreffende (originele) invoerdocumenten overlegde, zodat van de reconciliëringen van de invoer, waarvoor op dat ogenblik nog geen originele invoerdocumenten voorhanden waren (totale waarde van verschuldigde BTW : … EUR), kon worden afgezien. Deze BTW werd dan ook nadien geregulariseerd met de periodieke BTW-aangifte voor de maand maart 2004.
De administratie meende dat vastgestelde overtredingen een administratieve boete opvorderbaar maakten van … EUR, d.i. 5 % van de verschuldigde BTW.
Appellante is, gelet op de bijzondere omstandigheden waarin zij zich bevond en het spontaan karakter van haar aanvraag tot regularisatie, voor enige controle vanwege de administratie, niet akkoord met de oplegging van deze boete.
2. De betwiste boete wordt in de beslissing van de AOIF van 9 januari 2004 als volgt gemotiveerd : "Het vermelden van een verkeerde geadresseerde op de aangifte voor het verbruik is een overtreding waarover, overeenkomstig artikel 70, § 3 van het BTW-wetboek en Tabel I, 3, B, gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, een boete is verschuldigd gelijk aan de helft van de wegens invoer verschuldigde BTW. Gelet op de bijzondere omstandigheden die de zaak omringen werd beslist dat die boete wordt verminderd tot 5 pct. van de verschuldigde BTW, hetzij … EUR. Dit is de boete die normaliter wordt opgelegd voor de overtredingen in verband met het ten onrechte inroepen van de verleggingregeling bij invoer (cfr. Tabel G, VIII, 5, A van voornoemd KB 41). De verbeurde boete kan niet kwijtgescholden worden op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41. De spontane rechtzetting door de belastingplichtige van de begane overtredingen, houdt in dat deze laatste overeenkomstig de ter zake geldende regels, de foutieve documenten laat annuleren en vervangt door nieuwe aangiften met betaling van de BTW aan de ontvanger der douane, wat in deze niet is gebeurd".
Artikel 70, § 3 W.BTW bepaalt dat wanneer het invoerdocument dat krachtens artikel 52 moet worden overgelegd, onjuiste vermeldingen bevat onder meer ten aanzien van de naam of het adres van degenen op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, een geldboete dient te worden opgelegd gelijk aan het dubbel van die belasting zonder dat ze minder mag bedragen dan … EUR.
Het koninklijk besluit nr. 41: van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde verwijst in artikel 1, 4°, dat het bedrag bepaalt van de proportionele fiscale geldboeten voor overtredingen beoogd in artikel 70, § 3 W.BTW, naar tabel I van de bijlage, meer bepaald naar het vermelde in rubriek 3, die de boete vaststelt op 50 % van de op de handeling verschuldigde belasting zonder dat ze minder dan … EUR mag bedragen, tenzij het gaat over toevallige overtredingen.
3. Appellante vordert de kwijtschelding voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41, naar luid "waarvan volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie".
Appellante roept hiertoe volgende omstandigheden in : het spontane karakter van de rechtzetting, de volledige rechtzetting zonder schade voor de Schatkist, de bijzondere omstandigheden zoals de reorganisatiemoeilijkheden en de aanvankelijke weigering van het toekennen van een BTW-identificatienummer en haar goede trouw.
4. In de mate appellante het spontane karakter van de rechtzetting inroept, beroept zij zich op artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41.
In die mate is enkel de vraag aan de orde of appellante voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41.
Aangezien de rechter de mogelijkheid moet hebben na te gaan om de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen (vgl. Cass. 5 februari 1999, Arr. Cass. 1999, 142), dient het hof na te gaan of appellante voldoet aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te maken op de kwijtschelding bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41.
Het is derhalve ten onrechte dat geïntimeerde, zonder te betwisten dat het de rechter toegelaten is te beslissen over de wettelijkheid van een opgelegde boete, stelt dat de rechter in geen geval het bedrag van de boete verminderen beneden het wettelijk minimum.
5. De eerste rechter oordeelde dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 41, op grond dat "in casu er geen sprake (is) van een spontane regularisatie voor enige tussenkomst van de administratie. Door de brief van 6 juni 2003 vraagt (appellante) aan de administratie om een praktische oplossing omdat zij om economische redenen de BTW-wetgeving niet kan toepassen. De wijze van regularisatie werd bepaald in samenwerking met de BTW-administratie.
Indien het een spontane rechtzetting door de belastingplichtige zou betreffen van de begane overtredingen houdt dit in dat deze laatste, overeenkomstig de ter zake geldende regels, de foutieve documenten moet laten annuleren en vervangen door de nieuwe aangifte met betaling van de BTW aan de ontvanger der douane, wat in deze niet is gebeurde”.
De eerste rechter hield aldus ten onrechte geen rekening met het feit dat de administratie de onregelmatigheden niet zelf heeft vastgesteld door haar tussenkomst.
Het is appellante die de onregelmatigheden spontaan meldde, vooraleer de administratie zelf de onregelmatigheden heeft vastgesteld door haar tussenkomst.
De eerste rechter voegde daarenboven een voorwaarde aan de tekst van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 toe, wanneer hij oordeelde dat de toestand moet worden rechtgezet zonder tussenkomst van de administratie.
Appellante wijst er terecht op dat de tekst van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 geen voorwaarde stelt op welke wijze de rechtzetting dient te gebeuren.
De in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 bedoelde tussenkomst van de administratie slaat enkel op het stellen van onderzoeksdaden door de administratie, die hierdoor de onregelmatigheden vaststelt.
Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 41 staat er niet aan in de weg dat de schuldenaar, na de spontane aangifte, de rechtzetting doorvoert met de hulp, d.i. met de tussenkomst, van de administratie.
Tenslotte betwist geïntimeerde verkeerdelijk de goede trouw van appellante. De AOIF herleidde immers de boete tot 5 % "gelet op de bijzondere omstandigheden die de zaak omringen" (beslissing van 9 januari 2004). De eerste rechter overwoog terecht dat de administratie aldus rekening hield met de goede trouw van appellante.
Het hoger beroep is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,
Hervormt het bestreden vonnis, zegt voor recht dat de betwiste geldboete dient te worden kwijtgescholden,
Veroordeelt geïntimeerde tot teruggaaf van het ten onrechte ingehouden BTW-tegoed van … EUR EUR ter aanzuivering van de betwiste boete, vermeerderd met de overeenkomstige moratoriuminteresten tegen de rentevoet in burgerlijke zaken te rekenen vanaf de datum van de in gebreke stelling of dagvaarding,
Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR. en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van … EUR, :en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesptoken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 16 juni 2011 alwaar aanwezig waren en zitting namen :
- J. V., raadsheer dd. Voorzitter,
- P. V., raadsheer
- R. T., plaatsvervangend raadsheer,
- C. D. N., griffier.
C. D. N. R. T.
P. V. J. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.