Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 10.06.2025
[ Gunstig arrest ]
BTW – Restaurant – Drank – Niet-aangegeven omzet
Samenvatting
Niet beschikbaar
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 10.06.2025
2019/AF/462
X., ON …, met maatschappelijke zetel te …,
appellante,
vertegenwoordigd door Mr. V.F. (BRUSSEL) loco Mr. M.C., advocaat te …,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, ON …, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO CENTRUM LEUVEN, EXPERTISE 2, met burelen te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. B.C. loco Mr. G.E., advocaat te ….
Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder :
het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 13 september 2019, waarvan geen betekeningsakte voorligt;
het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 10 december 2019;
de conclusies en syntheseconclusies van appellante, neergelegd ter griffie op 30 oktober 2020 en 28 juni 2021;
de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 19 juni 2020, 16 februari 2021 en 26 oktober 2021;
de stukken van appellante, neergelegd ter terechtzitting op 20 mei 2025; - de stukken van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 28 oktober 2021.
1. Relevante feiten en voorgaanden
Appellante is een btw-belastingplichtige en baat een restaurant uit onder de benaming `X.
In 2017 vond een btw-controle plaats voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015.
Op 23 november 2017 werd een proces-verbaal opgesteld en werden de volgende bedragen
van appellante gevorderd (stuk 6 van geïntimeerde):
39.191,09 euro BTW
7.830,00 euro geldboete (20%)
te vermeerderen met interesten vanaf 21 januari 2016.
Op 13 maart 2018 vaardigde geïntimeerde een btw-dwangbevel uit met als nummer 500/1897/34501 dat uitvoerbaar werd verklaard op 19 maart 2018 (stuk 7 van geïntimeerde).
2. Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 april 2018 stelde appellante een vordering in rechte in tegen dit btw-dwangbevel.
Appellante verzocht de rechtbank om:
het betwiste btw-dwangbevel te vernietigen;
de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigd gedeelte
vermeerderd met interesten;
de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten.
Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.
In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de betaling van de gerechtskosten.
De rechtbank oordeelde dat de btw-vordering niet verjaard was en dat gelet op het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 WBTW vermoed wordt dat de dranken die door appellante werden aangekocht ook door haar werden verkocht/geleverd zodoende dat daarop btw verschuldigd is. Volgens de rechtbank leverde appellante het tegenbewijs niet dat de door haar aangegeven omzet uit de verkopen van dranken correct is, en net zo min dat de gecorrigeerde omzet uit de verkopen van dranken zoals berekend door geïntimeerde niet kan worden aangenomen. Volgens de rechtbank heeft geïntimeerde de verschuldigde btw op gemotiveerde en onderbouwde wijze berekend.
Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.
3. Procedure voor het hof van beroep
Appellante verzoekt het hof om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van appellante gegrond te verklaren, dienvolgens:
het betwiste btw-dwangbevel alsook alle erbij horende uitvoeringsmaatregelen te annuleren;
de terugbetaling te bevelen van elk bedrag dat ten onrechte zou zijn betaald vermeerderd met interesten;
de Belgische Staat te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.600,00 euro per aanleg; in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie.
Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:
het rechtszekerheidsbeginsel dient toegepast te worden, de boekhouding werd op eenzelfde wijze gevoerd voor de verschillende boekjaren;
geïntimeerde toont niet aan dat de boekhouding van appellante niet bewijskrachtig is; geïntimeerde baseert zich op vermoedens die niet zijn bewezen, er is sprake van willekeur, geïntimeerde heeft geen rekening gehouden met de bijzondere uitbatingsomstandigheden van appellante, de verklaringen van klanten en de diefstal van dranken, de administratie is willekeurig te werk gegaan door zich enkel te baseren op de aankoop van dranken en hierbij te veronderstellen dat al die dranken in dat jaar verkocht werden.
Ter terechtzitting op 20 mei 2025 heeft appellante afstand gedaan van haar verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag.
Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.250,00 euro.
Geïntimeerde voert hiertoe de volgende middelen aan:
de omzetverhoging is berekend op basis van het wettelijk vermoeden van artikel 64 WBTW, om de omzet te bepalen werd vertrokken van de geboekte aankoopfacturen en de gehanteerde prijslijst, dit zijn bekende feiten, wat betreft het aantal consumpties per verpakking werd toepassing gemaakt van de forfaitaire grondslagen inzake btw zoals deze werden vastgesteld voor caféhouders; dat er gratis dranken worden verstrekt, wordt aanvaard door geïntimeerde, maar bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens heeft geïntimeerde zelf het aantal gratis dranken redelijk geraamd, geïntimeerde heeft zich heel coulant opgesteld met realiteitszin en inlevingsgevoel voor de activiteiten binnen de horecasector; de btw-boete werd regelmatig bepaald op 20% van de verschuldigde btw en de nalatigheidsinteresten zijn van rechtswege verschuldigd;
appellante toont niet aan dat er sprake zou zijn van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel;
er is geen noodzaak om een prejudiciële vraag te stellen;
in casu werd geen feitelijk vermoeden toegepast maar een weerlegbaar wettelijk vermoeden overeenkomstig artikel 64, §1 WBTW, appellante faalt in de op haar rustende bewijslast van het tegendeel;
appellante beperkt zich tot loutere beweringen wat betreft de beweerde diefstallen van drank.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerde. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.
4.2. Eerste middel van appellante : inzake het rechtszekerheidsbeginsel
Appellante voert aan dat zij zich kan beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel 'dat de rechter toelaat om de betwiste aanslag ten laste van appellante voor het aanslagjaar 2016 nietig te verklaren op basis van een boekhouding die op dezelfde wijze werd gevoerd als in het aanslagjaar 2015'. Tevens stelt appellante dat 'men niet de reden en de juridische rechtvaardiging ziet volgens dewelke touter het feit dat het jaar 2014 het eerste boekjaar van appellante was, althans volgens de rechter in eerste aanleg, de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan de toepasbaarheid in fiscale zaken erkend is door zowel nationale als internationale rechtbanken en meer bepaald door het Hof van Justitie van de Europese Unie, zou kunnen verhinderen'.
Indien het hof dit standpunt niet zou volgen, verzocht appellante om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Ter terechtzitting van 20 mei 2025 heeft appellante afstand gedaan van dit verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag.
Terecht voert geïntimeerde aan dat appellante niet aantoont waar of door wat het rechtszekerheidsbeginsel in casu zou geschonden zijn en dat het in onderhavige betwisting niet gaat over laanslagjaren 2015 en 2016' maar over de kalenderjaren 2014 en 2015.
De kalenderjaren 2014 en 2015 werden in 2017 gelijktijdig gecontroleerd en de controle van het kalenderjaar 2014 kan geen gerechtvaardigde verwachtingen scheppen m.b.t. de boekhouding en btw-aangiften voor het kalenderjaar 2015.
Het hof oordeelt dat appellante geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel concreet aantoont. Er is zodoende ook geen enkele reden om een prejudiciële vraag te stellen, waar appellante ook niet meer op aandringt. Het hoger beroep op dit middel is ongegrond.
4.3. Tweede middel van appellante : inzake de bewijskracht van de boekhouding
Standpunt appellante
Volgens appellante is het voldoende dat de overgelegde boeken en documenten een coherent geheel vormen aan de hand waarvan de belastbare inkomsten met voldoende zekerheid kunnen vastgesteld worden, dat de geschriften gesteund zijn op bewijskrachtige stukken en dat de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenkomen. Het is de btw-administratie die moet bewijzen dat de boekhouding en btw-aangifte niet bewijskrachtig zijn, dit is zeker het geval indien de belastingadministratie een beroep doet op de 'aanslagtermijn van 7 jaar' zoals in casu.
De taxatieambtenaar heeft zich enkel gesteund op de wijzigingen inzake de aankoop van dranken om vast te stellen dat er, volgens hem, een tekort zou zijn in de winstmarges, een tekort dat naar zijn oordeel aan de 'bijzondere aanslag op geheime commissielonen' zou moeten worden onderworpen. Dit druist in tegen de wet aangezien tal van attesten van klanten aantonen dat er gedurende de eerste bedrijfsjaren veel drank werd aangeboden, ten titel van reclame en om klanten aan te trekken en dat deze maatregelen hebben geleid tot een aanzienlijke stijging van het zakencijfer. Het margeverschil aangehouden door de administratie houdt geen rekening met de werkelijkheid van de commerciële exploitatie van appellante. Tevens werd gewezen op het feit dat de dranken werden opgeslagen op een plaats waar er gemakkelijk diefstal kon gepleegd worden. Volgens appellante blijkt uit het geheel van deze elementen dat de vermoedens aangewend door geïntimeerde niet ter zake doen en niet gesteund zijn op elementen die geacht worden bekende feiten te zijn in de zin van het bewijs door vermoedens.
Standpunt geïntimeerde
Geïntimeerde voert aan dat hij toepassing heeft gemaakt van het (weerlegbaar) wettelijk vermoeden van artikel 64 WBTW en niet van enig feitelijk vermoeden, dat hij heeft aanvaard dat er gratis dranken werden verstrekt en dat dit in acht werd genomen bij de bepaling van de gecorrigeerde omzet, maar dat, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens en bij gebrek aan enig voorstel van appellante, geïntimeerde zelf het aantal gratis dranken redelijk heeft geraamd. Appellante toont de concrete invloed van beweerde diefstallen op de omzet niet aan. Het tegenbewijs wordt door appellante niet geleverd.
Beoordeling
Vooreerst stelt het hof vast dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat geïntimeerde toepassing heeft gemaakt van het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 WBTW.
Overeenkomstig dit wettelijk vermoeden wordt vermoed dat de dranken die door appellante werden aangekocht ook door haar werden verkocht of geleverd, zodat de btw verschuldigd is. Appellante kan evenwel het tegenbewijs leveren. Geïntimeerde heeft bij de berekening van de gecorrigeerde omzet zich gebaseerd op de gegevens van de boekhouding van appellante, met name de aankoopfacturen, de voorraadwijzigingen en de door appellante gehanteerde prijslijst. Op geen enkele manier weerlegt appellante deze gegevens van haar eigen boekhouding.
Bij de toepassing van dit wettelijk vermoeden heeft geïntimeerde rekening gehouden met 'gratis verstrekte dranken'. Appellante legt geen enkel tegenbewijs voor dat deze raming door geïntimeerde niet kan weerhouden worden of legt zelf geen cijfers, op basis van objectieve en controleerbare stukken, voor die een eigen berekening zouden kunnen onderbouwen.
Het hoger beroep van appellante op dit middel is ongegrond.
4.4. Derde middel van appellante : inzake de toepassing van een vermoeden
In tegenstelling tot hetgeen appellante tracht te laten uitschijnen, betreft het in onderhavige betwisting geen toepassing van een feitelijk vermoeden, maar van een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden. De uitvoerige verwijzingen door appellante naar rechtspraak inzake feitelijke vermoedens of inzake inkomstenbelasting zijn dan ook niet relevant.
De rechtbank oordeelde terecht dat geïntimeerde de verschuldigde btw op gemotiveerde en onderbouwde wijze heeft berekend. Geïntimeerde heeft het wettelijk vermoeden immers gebaseerd op basis van eigen gegevens van appellante, o.a. de geboekte aankoopfacturen van drank. Van enige willekeur is geen sprake. Er werd door appellante niets bijgehouden aangaande het verstrekken van gratis dranken of enige beweerde diefstal van dranken. Het louter voorleggen van verklaringen van klanten dat zij een gratis drankje hebben gekregen bij appellante, bevestigt louter het feit dat er gratis dranken werden verstrekt, hetgeen ook aanvaard wordt door geïntimeerde, maar weerlegt op geen enkele manier de gemotiveerde berekeningen gedaan door geïntimeerde.
4.5. Besluit
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat geïntimeerde de verschuldigde btw op gemotiveerde en onderbouwde wijze heeft berekend en dat appellante het tegenbewijs niet levert. Wat betreft de boete van 20% oordeelt het hof dat de opgelegde geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.
4.6. Gerechtskosten
Appellante, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld to worden tot betaling van de gerechtskosten. De bijzondere bijdrage betaald door appellante blijft ten haren laste.
Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 2791 Wb.Reg.).
Ter terechtzitting verklaarde partijen zich akkoord over het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.924,42 euro (schaal 40.000,01 tot 60.000,00 euro).
Derhalve worden de kosten van de procedure vereffend zoals hierna uiteen gezet.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellante tot de betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, door geïntimeerde begroot op en door het hof vereffend op 3.924,42 euro.
Het hof laat de bijzondere bijdrage voor het begrotingsfonds ten laste van appellante.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 10 JUNI 2025
Waar aanwezig waren:
A.B., raadsheer
J.V., griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.