Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.10.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste aanleg te Gent – zesde fiscale kamer – openbare terechtzitting van 18 oktober 2010
Rolnummer AR 02/1450/A
In de zaak van :
NV C. C. A. R., met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,
eiseres,
voor wie optreedt mr. W. V., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Directeur van de Administratie ,van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Controlecentrum 3, met kantoren te 1000 Brussel, Finance Tower, Kruidtuinlaan 45 bus 3355.
verweerder,
voor wie optreedt mr. P. V., advocaat te …, …,
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2010 waarna de debatten werden gesloten werd en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende exploot van 8 april 2002 (ingediend ter griffie op 15 april 2002), de conclusies van de partijen en het stukkenbundel van verweerder.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekte er aanvankelijk toe het lastens haar uitgevaardigde dwangbevel van 14 februari 2002, tot invordering van enerzijds een bedrag van … EUR als belasting over de toegevoegde waarde en anderzijds een bedrag van … EUR als geldboete, meer de interesten en vervolgingskosten. te horen vernietigen bij gebrek aan motivering, tevens de hierin opgelegde boete onwettig te horen verklaren bij gebrek aan motivering en verweerder dienvolgens te veroordelen tot (1) terugbetaling van de ten onrechte geïnde belastingen, vermeerderd met de moratoriuminteresten en (2) betaling van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … EUR.
3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL
3.1. Het dwangbevel van 14 februari 2002, voorwerp van de vordering, berust op een proces-verbaal van de diensten van verweerder waarin werd geargumenteerd dat de facturen, uitgeschreven door de heer V. T. ten aanzien van eiseres in de jaren 1998 tot 2001, overeenstemmend met een bedrag aan BTW van … EUR, betrekking hadden op werken in onroerende staat, zoals beoogd in artikel 20, § 2 van het KB nr. 1, ingevolge waarvan op deze facturen geen BTW diende te worden aangerekend en eiseres derhalve zelf de heffing had moeten voldoen conform artikel 20, § 4 van datzelfde KB nr. 1.
Bij gebrek aan terugstorting van de door V. T. aangerekende BTW was eiseres krachtens artikel 51bis W.BTW hoofdelijk gehouden tot voldoening hiervan, aldus verweerder.
In het proces-verbaal werd tot slot gesteld dat eiseres ten onrechte de BTW had afgetrokken in haar periodieke BTW-aangiften.
Bij exploot van 8 april 2002, ingediend ter griffie van deze rechtbank op 15 april 2002, heeft eiseres verzet aangetekend tegen dit dwangbevel, met dagvaarding van verweerder voor deze rechtbank.
3.2. Eiseres verklaart thans integraal akkoord te kunnen gaan met de in het dwangbevel nagevorderde BTW-schuld van … EUR.
Betreffende de administratieve geldboete zijn partijen het eens om deze te herleiden tot 50 %, hetzij een bedrag van … EUR.
In hun akkoordconclusie, ter griffie ingediend op 19 augustus 2010, stellen partijen tevens dat overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW nalatigheidsinteresten van 0,8 % per maand verschuldigd zijn op de nagevorderde BTW-schuld vanaf 21 augustus 2001 , onverminderd het recht aan de zijde van eiseres om hiervoor vrijstelling te vragen aan de bevoegde gewestelijke directeur.
Verder wordt gewezen op artikel 91, § 4 W.BTW op grond waarvan met betrekking tot de administratieve geldboete de regels inzake moratoire interesten gelden zoals in burgerlijke. zaken, opnieuw onverminderd het recht aan de zijde van eiseres om hiervoor vrijstelling te vragen aan de bevoegde gewestelijke directeur.
De partijen verklaren zich tot slot akkoord om elk hun eigen kosten te dragen.
4. BEOORDELING
De partijen zijn, wat de grond van de zaak en de kosten betreft, tot een akkoord gekomen. Het voormelde akkoord komt de rechtbank in feite en in rechte als juist en rechtmatig over. Niets staat derhalve de onderhavige bekrachtiging ervan bij vonnis in de weg.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijd1ge conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en verleent de partijen akte van hun hierboven vermelde akkoord.
Veroordeelt de NV C. C. A. R. dienvolgens tot betaling van de in het dwangbevel van 14 februari 2002 nagevorderde BTW-schuld van … EUR (… oude Belgische franken), te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten van 0,8 % per maand verschuldigd vanaf 21 augustus 2001 (berekend op de verschuldigde BTW afgerond op het lager duizendtal in oude Belgische franken, d.w.z. … oude Belgische franken, tot 31 december 2001 en vanaf 1 januari 2002 op het tiental euro naar beneden. d.w.z. … EUR), onverminderd het recht aan de zijde van de NV C. C. A. R. om in toepassing van artikel 84bis W.BTW vrijstelling van nalatigheidsinteresten te vragen aan de bevoegde gewestelijke directeur.
Beveelt de herleiding van de administratieve' geldboete van 200 % tot 500 % en veroordeelt de NV C. C. A. R. derhalve tot betaling van een geldboete van … EUR, te verhogen met de moratoire interest zoals van toepassing in burgerlijke zaken te rekenen vanaf de kennisgeving van het dwangbevel, onverminderd het recht aan de zijde van de NV C. C. A. R. om in toepassing van artikel 84bis W.BTW vrijstelling van moratoire interesten te vragen aan de bevoegde. gewestelijke directeur.
Veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling aan de NV C. C. A. R. van het eventueel te veel geïnde bedrag van de bij onderhavig vonnis bepaalde administratieve geldboete, te verhogen met de moratoire interesten zoals van toepassing inzake-burgerlijke zaken te rekenen vanaf de datum van inning.
Zegt voor recht dat elk van de partijen de eigen gerechtskosten draagt.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van ·de rechtbank van. eerste aanleg te Gent, op achttien oktober tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :
mevrouw A. D. C., rechter. voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. A. D. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.