Rechtbank van eerste aanleg, 18 december 2000 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 18 december 2000

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg, 18 december 2000Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-oudenaarde-2000-12-18-4dc6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
18 december 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

82 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 18.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Algemene rol nr. : 98/399/A

Ten verzoeke van :

M. W., invalide, wonende te …, …, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder nummer … en houder van het BTW-nummer …;

eiser,

bij exploot van gerechtsdeurwaarder V. J. te … d.d. 29 april 1998; hebbende als raadsman Mtr. J. V. A., advocaat te …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4;

verweerder,

hebbende als raadsman Mtr. G. D. L., advocaat te …;

De Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

De rechtbank hoorde partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.

Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 februari 1999, waarbij de procedure opgeschort werd tot na de definitieve afwikkeling van het verzet van de firma H., hangende voor deze rechtbank.

Verweerder stelt thans dat deze firma intussen in faling verklaard werd bij vonnis van 12 juli 1999 en dat haar verzet voornamelijk betrekking had op de omvang van de opgelegde boetes en niet op de grond van de zaak.

Verder zou de BVBA H. N., dewelke de activiteiten van de NV D. H. vanaf 1995 overnam, de haar opgelegde zeer hoge boetes wel voldaan hebben.

Hij verwijst verder naar recente rechtspraak. waaruit zou blijken dat er op heden niet langer rekening gehouden werd met het verzet van de leverancier.

Eiser antwoordt niet meer op deze conclusies en met verweerder moet thans vast­ gesteld worden dat er geen verdere redenen zijn om de procedure op te schorten.

Aldus kan slechts vastgesteld worden dat omtrent de grond van de zaak reeds uitvoerig gemotiveerd werd en er kan om de reeds dan aangehaalde redenen niet anders beslist worden dan tot de afwijzing van de eis.

Eiser dient de kosten te dragen, in hoofde van verweerder slechts te begroten op de rechtsplegingsvergoeding. daar waar de betekeningskosten van het bestreden dwangbevel op zich geen uitstaans hebben met huidige procedure.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak

Wijst de eis af als ongegrond en veroordeelt eiser tot de kosten, in hoofde van verweerder begroot op 8.400 F rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op achttien december 2000.

Aanwezig :

De heer A. S., Ondervoorzitter, voorzitter der kamer;

Mevrouw M. M. T., griffier;

M. M. T. A. S.

Door de FOD bijgevoegde beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Algemene rol nr. 98/399/A

Ten verzoeke van :

M. W., invalide, wonende te …, …, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder nummer … en houder van het BTW-nummer …;

eiser,

bij exploot van gerechtsdeurwaarder V. J. te … d.d. 29 april 1998; hebbende als raadsman Mtr. J. V. A., advocaat te …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4;

verweerder,

hebbende als raadsman Mtr. G. D. L., advocaat te …;


De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken·werd nageleefd.

De rechtbank hoorde partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.

Het inleidend exploot strekt tot nietigverklaring van een dwangbevel van 30 maart 1998 voor een totale som van 1.131.846 F aan BTW-rechten, interesten en boetes.

Het dwangbevel is gesteund op een PV van 31 oktober 1997 waarbij eiser geconfronteerd werd met het feit dat zijn leverancier, naast gefactureerde leveringen, parallelle of "zwarte" verkopingen zou hebben verricht.

Eiser stelt vooreerst dat het dwangbevel ab initio nietig zou zijn, daar waar het werd uitgevaardigd door de eerst-aanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor, titulatuur dewelke niet voorzien is in het BTW-Wetboek.

Deze bevoegdheid zou uitsluitend toekomen aan de ontvanger.

Verweerder verwijst echter terecht naar artikel 85 BTW-Wetboek, waarbij bepaald wordt dat het dwangbevel kan worden uitgevaardigd door de "met de invordering belaste ambtenaar" na visering en uitvoerbaarverklaring door de gewestelijke directeur of de "door hem aangewezen ambtenaar".

Nergens is derhalve bepaald dat een en ander door de ontvanger en enkel door hem zou kunnen gebeuren.

Verweerder verwijst overigens terecht naar het KB van 6 juli 1997 waarbij de nieuwe graden in de BTW-administratie werden opgericht en deze van ontvanger geschrapt.

Er zijn verder geen werkelijk formele vormvereisten en de stelling van eiser snijdt geen hout.

Verder betwist eiser de door verweerder gehanteerde bewijsvoering en hij stelt nooit niet-officiële aankopen gedaan te hebben bij zijn drankenleverancier.

Het PV van 31 oktober 1997 zou slechts gebaseerd zijn op loutere veronderstellingen en niet op vaststellingen.

De leverancier zou zijn naam nooit genoemd hebben en hij zou niets geweten hebben van de frauduleuze praktijken, daar waar hij steeds contant betaalde wat geleverd werd en hij slechts achteraf de factuur kreeg.

De leveringsnota's zouden door hem bewaard zijn, dit totdat hij van de administratie na controle toelating gekregen had om ze weg te doen.

Aldus zou verweerder geen argumenten kunnen halen uit de afwezigheid van deze leveringsnota's.

Verder zou een eventueel strafdossier lastens een derde partij niet kunnen aangewend worden tegen hem.

Het is duidelijk dat de vervolging van eiser steunt op het PV van de hoofdcontroleur en de bestuursassistent verbonden aan de BTW-Administratie en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie te Gent.

Alle argumentatie van eiser omtrent een strafbundel vervalt en er kan niet ontkend worden dat de opstellers van het PV over de nodige bevoegdheid beschikten en dat hun vaststellingen in principe een bijzondere bewijswaarde hebben.

Het is verder duidelijk dat de administratie zich, conform de bepalingen van het BTW-Wetboek, mag steunen op vermoedens en ook het Hof van Cassatie huldigt geenszins het absolute principe dat bij derden gevonden documenten niet tegen de belastingplichtige kunnen aangewend worden.

Het volstaat daartoe te verwijzen naar de door verweerder aangehaalde en door ons overgenomen rechtspraak.

De door eiser aangehaalde rechtsleer en rechtspraak weegt niet op tegen de overwegende rechtspraak tot in het hoogste hof, dewelke de visie van verweerder ondersteunt.

Er zijn overigens, naar ons oordeel, voldoende bijkomende elementen, dewelke zouden kunnen wijzen op de niet officiële aankopen door eiser.

Er is het feit dat vele andere afnemers reeds een akkoord sloten en derhalve de feiten toegaven.

Er is ook het feit dat ook eiser dit, via zijn eerste en later gedesavoueerde raadsman, aanvankelijk ook wou doen.

Er zijn de toch wel vrij ernstige navorderingen als gevolg van vroegere controles, dewelke niet zomaar kunnen afgedaan worden als het logische en onvermijdelijke gevolg van controles, waarbij steeds iets zou moeten toegegeven worden.

Eiser kan ook niet ontkennen een wekelijkse afnemer geweest te zijn en er zijn de door verweerder opgeworpen eigenaardigheden terzake biersoorten, chocomelk, leeggoed aan particulieren e.d.m.

Dit alles verschaft een aantal vermoedens die de tegenstelbaarheid van vaststellingen bij derden kunnen meebrengen.

Verweerder steunt zich echter uiteraard voornamelijk up de bekentenissen van de zaakvoerder van de drankenleverancier.

Eiser legt stukken voor waaruit blijkt dat deze in verzet is tegen de hem opgelegde bijkomende rechten en boetes en o.a. zijn niet getekende bekentenissen betwist.

Het is duidelijk dat de uiteindelijke beslissing omtrent dit verzet repercussies heeft op huidige zaak en dat de eventuele gegrondheid van dit verzet ook het bewijs hier en de overeenstemmende vermoedens zou kunnen aantasten.

Het lijkt ons derhalve aangewezen dat hoe dan ook de afloop van die procedure zou afgewacht worden teneinde te vermijden dat er bepaalde tegenstrijdige of misschien onbillijke beslissingen zouden tussenkomen.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de eis ontvankelijk.

Schort huidige procedure op tot na de definitieve afwikkeling van het verzet, door de firma H. ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde op 21 april 1998 bij exploot van 1 april 1998.

Reserveert de kosten.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op acht februari 1900 negenennegentig.

Aanwezig :

De heer A. S., Ondervoorzitter, voorzitter der kamer;

Mevrouw M. M. T., griffier;

M. M. T. A. S.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8