Recht op aftrek, Verwerping van het recht op aftrek · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Bergen 5 november 2020

Zoeken
Tekst in het Frans

Recht op aftrek, Verwerping van het recht op aftrek

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verwerping-diensten-onderaanneming-rechtbank-bergen-2020-11-05-85cd

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Bergen
Datum
5 november 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

118 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen d.d. 05.11.2020

WF 703-15-19/016712

[Gunstig voor de Belgische Staat]

BTW – Recht op aftrek – Verwerping van het recht op aftrek – Diensten – Onderaanneming – Facturen – Bewijs van de echtheid van de handelingen

Wettelijke bepalingen

Artikel 45 van het Btw-Wetboek

Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

De belastingplichtige heeft als activiteit het ontwerpen, vervaardigen en montage van tijdelijke stands. De oprichter en zaakvoerder heeft een vennootschap naar Engels recht opgericht met zetel in Londen. Volgens de eiseres-belastingplichtige was de oprichting van een Engelse onderneming noodzakelijk om internationale contracten te verkrijgen. Zij heeft verhuurde ook apparatuur aan belastingplichtige. De Engelse vennootschap bedrijf factureerde zijn diensten. De administratie weigerde de aftrek die op deze facturen werd aangerekend.

In de onderhavige zaak stelt de rechtbank vast dat :

- de eiser-belastingplichtige en de Engelse vennootschap worden geleid door één en dezelfde persoon en hebben geen ander personeel;

- het ontwerp, de fabricage, de montage en de demontage van de beursstands gebeurden in eerste instantie door een natuurlijk persoon en vervolgens door eiseres;

- in de ingediende dossiers werden geen documenten aangetroffen die aantonen dat er nieuwe klanten zijn verkregen dankzij de Engelse vennootschap;

- er lijkt geen materiaal gepasseerd te zijn door het land van het hoofdkantoor van de Engelse vennootschap, integendeel, al het materiaal wordt in België opgeslagen;

- de facturen worden allemaal opgesteld op het einde van het jaar, zonder vermelding van de werf waarop ze betrekking hebben, vermelden de huur van verschillende uitrustingen zonder vermelding van een uurtarief of details;

- de taakverdeling tussen eiseres en de Engelse vennootschap is niet duidelijk; het is niet mogelijk om te bepalen wie uiteindelijk het benodigde materiaal voor de productie en montage van de beursstands aankoopt;

- er is geen overeenkomst gesloten tussen de Engelse vennootschap en eiseres en er is geen enkele bestelbon opgesteld.

Uit het voorgaande volgt dat de administratie terecht de aftrek van de btw op de betwiste facturen heeft geweigerd omdat eiseres de echtheid van de gefactureerde handelen niet kan aantonen.

Opmerkingen

Uit artikel 45, §1 WBTW volgt dat het recht op aftrek afhankelijk is van de werkelijkheid van de op de facturen vermelde leveringen van goederen of diensten.

De aftrek van de belasting kan pas worden uitgeoefend op het moment dat de in rekening gebrachte belasting opeisbaar is geworden. Als er geen werkelijke handeling heeft plaatsgevonden, heeft het belastbare feit zich nooit voorgedaan en heeft de in rekening gebrachte belasting nooit een recht op aftrek doen ontstaan.

Uit de vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie volgt dat degene die om aftrek van BTW verzoekt, zal moeten aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan (cf. inzonderheid EHVJ, 14 januari 1955, C-268/83, ROMPELMAN, nr. 24; EHVJ, 18 juli 2013, C-78/12, Evita-K, punt 37; EHVJ, 27 september 2007, C-184/05, Twoh International, punt 35; EHVJ, 15 september 2016, C-516/14, BARLIS 06, nr. 46; EHVJ, 12 september 2018, C-69/17, SIEMENS, nr. 37-39).

Belastingplichtige moest dus aantonen dat hij de op de betrokken facturen vermelde goederen en diensten heeft ontvangen, quod non. Hij verwijst enkel naar eenzijdig opgestelde documenten.

Integendeel, het is de Administratie die vaststelde dat de aan de belastingplichtige verzonden facturen niet overeenstemden met geen enkele werkelijke handeling.

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance du Hainaut, Division de Mons Section civile, Trente-sixième chambre

Rôle : 19/718/A ET 20/794/A

Date du prononcé LE 5 NOVEMBRE 2020

En cause de:

M.P., société anonyme dont le siège social est situé à ..., bce 0429...., Demanderesse, Représentée par Maître ...,

Contre:

L'ETAT BELGE, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, AGFISC CENTRE PME DE CHARLEROI, dont les bureaux sont à 6000 Charleroi, Petite rue, 4, Défendeur, Représenté par ..., conseiller (impôt des sociétés) et par ..., conseiller (TVA).

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues ; Le Tribunal prononce le jugement suivant:

Vu en chaque cause les pièces de procédure dont:

✓ La requête;

✓ La fixation de la cause sur base de l'article 747 du code judiciaire ;

✓ Les conclusions et les dossiers des parties.

Entendu les parties à l'audience du 7 octobre 2020 à laquelle les débats furent clos et la cause prise en délibéré.

Il convient de joindre les causes inscrites sous les numéros de rôle général 19/718/A et 20/794/A en raison de leur connexité.

Les faits et l'objet du litige

Alain Mathieu exerce l'activité de conception,de fabrication et de montage de stands éphémères. Il déclare exercer seul cette profession en se chargeant de tout de A à Z.

Il a commencé sa profession en personne physique. Ensuite il a créé la société M.P., la demanderesse. La demanderesse fut constituée· en 1986 sous forme de société coopérative d'abord et de société anonyme ensuite .

Au cours de l'année 2003, Alain Mathieu a constitué la société de droit anglais S.M.E.. Cette société a son siège social à Londres.

Selon la demanderesse, la création d'une société anglaise était nécessaire pour décrocher les contrats internationaux.

La demanderesse explique qu'en pratique la situation est la suivante

✓ S.M.E. décroche les contrats;

✓ La demanderesse fabrique et transporte le stand sur le lieu d'exposition;

✓ S.M.E. monte et démonte le stand;

✓ La demanderesse ramène le stand en Belgique dans l'entrepôt qu'elle détient à Marcinelle, rue Vitale Françoisse;

✓ La demanderesse achète les fournitures et le petit matériel;

✓ S.M.E. achète les éléments pérennes qu'elle loue à la demanderesse;

✓ Si S.M.E. ne peut fournir la demanderesse, celle-ci s'adresse à des tierces personnes•

Si bien qu'il existe un courant de facturation entre la demanderesse et S.M.E..

L'administration refuse la déduction des factures d'entrées établies par S.M.E. au cours des années 2015 et 2016.

Il s'agit des factures suivantes :

Date de la facture Montant en€

18.12.2015 7.515,00

20.12.2015 10.359,00

21.12.2015 4.958,00

21.12.2015 9.580,00

22.12.2015 7.094,00

22.12.2015 3.168,00

29.12.2015 8.009,65

29.12.2015 7.559,20

29.12.2015 4.821,00

02.12.2016 4.320,00

03.12.2016 6.293,00

05.12.2016 7.280,00

09.12.2016 4.485,00

10.12.2016 7.040,00

14.12.2016 6.690,00

18.12.2016 7.840,00

20.12.2016 9.820,00

22.12.2016 9.985,00

22.12.2016 5.460,00

27.12.2016 5.510,00

27.12.2016 1.642,00

28.12.2016 521,00

29.12.2016 1.401,00

Total

Année 2015 : 63.063,85

Année 2016 : 78.557,00

La procédure de rectification des revenus fut suivie en matière d'impôt des sociétés. Le montant des factures fut repris en dépenses non admises outre un accroissement d'impôt de 50% en raison de l'intention d'éluder l'impôt, première infraction.

La demanderesse n'a pas répondu aux avis de rectification.

Les cotisations furent enrôlées comme suit:

Par décision du 4 décembre 2019, la réclamation contre ces cotisation.s fut rejetée.

La demanderesse sollicite l'annulation de ces cotisations et la condamnation du défendeur aux dépens (R.G., 20/794/A).

En matière de TVA, l'administration a refusé la déduction de la TVA afférente à des factures prérappelées, soit un montant de 29.740,38€.

Un procès-verbal fut établi le 22 novembre 2018.

La contrainte n°500/2044/52330 fut établie le 28 novembre 2018 et fut visée et rendue exécutoire le 29 novembre 2018 à concurrence de:

A titre de TVA 29.740,38€

A titre d'amendes 2.970,00€

Outre les intérêts au taux légal depuis le 21 janvier 2017.

La demanderesse sollicite l'annulation de cette contrainte et la condamnation du défendeur aux dépens (R.G 19/718/A).

Discussion

Tout contribuable doit être en mesure de prouver la réalité des prestations qui lui sont facturées, tant en matière de TVA que d'impôts sur les revenus.

En l'espèce, le tribunal constate que:

La demanderesse et S.M.E. sont dirigées par une seule et même personne, Alain Mathieu, et ne disposent pas d'autre personnel;

La conception, la fabrication, le montage et le démontage des stands d'exposition furent assurés au départ par Alain Mathieu en personne physique puis via la demanderesse ;

La création de S.M.E. est justifiée, selon la demanderesse, par la nécessité de rechercher la clientèle : aucune pièce des dossiers déposés ne permet cependant de considérer que de nouveaux clients ont été décrochés grâce à S.M.E.; il n'est pas démontré que la méthode de travail d'Alain Mathieu a changé en pratique avec la création de S.M.E.;

Aucun matériel ne semble passer par l'Angleterre où est établie S.M.E. : au contraire tout le matériel est entreposé à Marcinelle, rue Vitale Françoisse dans les locaux de la demanderesse ;

Les factures sont toutes établies en fin d'année, ne mentionnent pas le chantier auquel elles se rapportent, mentionnent la location de divers matériels sans mentionner aucun taux horaire ni aucuns détails ;

Le tribunal ne comprend pas le partage des tâches entre la demanderesse et S.M.E. : qui en définitive achète le matériel nécessaire à la fabrication et au montage des stands d'exposition ?

Aucune convention ne fut conclue entre S.M.E. et la demanderesse ; aucun bon de commande n'est produit.

Il résulte de ce qui précède, que c'est à bon droit que l'administration a refusé la déduction des factures litigieuses et de la TVA y afférente car la demanderesse ne prouve pas la réalité des prestations facturées.

En conséquence, la demande n'est pas fondée.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

Le Tribunal,

Statuant contradictoirement et en premier ressort,

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 dont il a été fait application ;

Donnant acte aux parties de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes conclusions plus amples ou contraires ;

Joint les causes inscrites sous les numéros de rôle général 19/718/A et 20/794/A en raison de leur connexité ;

Déclare les demandes recevables mais non fondées,

Constate que l'Etat belge n'a droit à aucune indemnité de procédure car il n'est pas assisté d'un avocat.

Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de justice de Mons, province de Hainaut, les jour, mois et an que dessus, par la trente-sixième chambre fiscale du tribunal susdit où siégeaient

Brigitte Gribomont, vice-présidente, Véronique Marras, greffier délégué.

Signatures

Aangehaalde teksten

6

Vergelijkbare beslissingen

8