Recht op aftrek, proportionele geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 24/1114/A 29 januari 2026

Zoeken

Recht op aftrek, proportionele geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde - recht op aftrek - proportionele geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-proportionele-geldboete-btw-rechtbank-2026-01-29-3972

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Rolnummer
24/1114/A
Datum
29 januari 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

125 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afd. Hasselt d.d. 29.01.2026 (24/1114/A)

FIN 55290889-01

Belasting over toegevoegde waarde – recht op aftrek – proportionele geldboete- uitstel van de tenuitvoerlegging van de geldboete

Samenvatting

Samenvatting niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG

Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk

11A kamer

Vonnis

29.01.2026

24/1114/A

24/1114/A

INZAKE

J.D., L.D. en J.D., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van E.K.E BV, afgekort "E.K.E.", KBO …, met zetel te … …, … …, hiertoe aangesteld bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt dd. 13.10.2022.

- eisers -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door mr. FORIER JIRTE, advocaat te 3500 Hasselt, Luikersteenweg 187

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

- verweerder -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw B.V., financieel deskundige, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 20 juni 2024.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Alle partijen hebben conclusies en een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 15 januari 2026 waarop namens eisers en verweerder werd gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41- werd nageleefd.

II. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

E.K.E. bv (afgekort EKE) was btw-belastingplichtige.

E.KE bracht de btw op door haar betaalde facturen voor goederen en diensten in aftrek.

Het ging onder meer om facturen opgesteld door C. Belgium nv (verder genoemd: C.). De facturen maken melding van "Pacman" en van "Cagnotte".

Volgens eisers verkocht EKE voorgesorteerde eieren aan C. in het kader van een "Pacman"-contact (een type van contract dat C. sloot met haar leveranciers). Volgens eisers is er wegens de volatiliteit van de markt en van de prijs van eieren in het contract geopteerd voor een vaste (meestal te hoge) prijs die gefactureerd werd aan C., om zo de onmiddellijke liquiditeit van EKE te vrijwaren. Dit zou dus een soort voorschot zijn. Nadien volgde een afrekening die C. zelf opstelde. De correctie die volgde uit deze afrekening gebeurde dan via een factuur opgesteld door C. gericht aan haar leverancier (in dit geval EKE). Dit werd het "cagnottesysteem" genoemd.

EKE werd failliet verklaard op 13 oktober 2022. Eisers werden aangesteld als curatoren.

De belastingadministratie voerde een controle uit over de btw, eerst voor het jaar 2020 en later ook voor de periode van 1 januari 2022 tot 30 september 2022.

Dit leidde tot een regularisatieopgave, waar eisers niet mee akkoord gingen. Vervolgens stelde de belastingadministratie een proces-verbaal van regularisatie op. In dit proces-verbaal werd gesteld dat de btw-aftrek opgenomen in rooster 59 van juli, augustus en september 2022 niet werd aanvaard omdat de vereiste documenten (facturen) niet werden voorgelegd. Volgens de administratie leidde dit tot 126.251,14 euro aan verschuldigde btw en 12.620,00 euro aan geldboete.

De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 8 november 2023.

Eisers dienden een bezwaar in en bezorgden facturen aan de belastingadministratie. In een beslissing van 19 april 2024 werd het bezwaar deels toegekend. Dit leidde er volgens de administratie toe dat er nog 80.967,47 euro btw verschuldigd was en 8.090,00 euro proportionele geldboete.

III. DE VORDERINGEN

Eisers in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van EKE vragen om:

- de beslissing d.d. 19 maart 2024 waartegen beroep werd aangetekend middels onderhavige procedure te vernietigen en, opnieuw recht doende, het bezwaar van eisers ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren voor het bedrag van 126.153,01 EUR btw;

- te zeggen voor recht dat er compensatie verleend wordt tussen het nog verschuldigde btw- bedrag van de gefailleerde vennootschap en het bedrag van 110,73 EUR btw;

- de beslissing tot het opleggen van een geldboete geheel te vernietigen, minstens de geldboete in haar geheel kwijt te schelden;

- ondergeschikt, de geldboete geheel met uitstel op te leggen;

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

- het verzoekschrift ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- derhalve voor recht te zeggen dat de bedragen zoals opgenomen onder artikelnummer 500.2789.04476, geconcretiseerd in het innings- en invorderingsregister d.d. 09.11.2023, herleid naar:

•€ 80.942,11 als btw;

•€ 112,18 btw als compensatie;

•€ 8.090,00 als geldboete;

verschuldigd zijn.

- eisers te veroordelen tot de kosten van het geding.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eisers wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen.

De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1. Algemeen

Het recht op aftrek kan slechts worden uitgeoefend wanneer degene die de btw-aftrek vraagt, heeft aangetoond dat aan de voorwaarden om van die aftrek te genieten werden voldaan. De bewijslast rust dus op degene die een recht op aftrek wil uitoefenen, in dit geval eisers.

Uit artikel 45 §1 Btw-Wetboek volgt dat de belastingplichtige de btw maar in aftrek kan brengen in de mate dat hij de betrokken goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van btw-belaste handelingen (of andere handelingen die recht op btw-aftrek toestaan zoals nader opgesomd in artikel 45 §1).

Het recht op aftrek van voorbelasting geldt dus enkel voor goederen en diensten bestemd voor de btw-activiteit van de belastingplichtige.

Er moet een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaan tussen de gemaakte kost en de aan de btw onderworpen uitgeoefende activiteit

Eisers moeten dus aantonen dat de goederen en de diensten waarvan de btw-aftrek wordt gevraagd, voldoende bijdragen tot de belaste activiteit van EKE. Er moet voldoende verband aangetoond zijn tussen de uitgaven en de belastbare activiteit.

Zuiver formele gebreken in de facturen sluiten op zich niet uit dat eisers toch dit bewijs leveren. Maar dit bewijs moet dan wel effectief geleverd zijn.

2. De facturen van C. Belgium

Eisers stellen in hun conclusie dat de facturen van C. geen betrekking hebben op een levering van eieren aan EKE, maar wel op een dienstverlening geleverd door C., namelijk het opstellen van de (latere) afrekening inzake de (eerdere) levering van eieren door EKE aan C.. Eisers verwijzen ook naar het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aantonen dat er een recht op aftrek is.

De overeenkomst "Pacman" waar de facturen op gebaseerd zouden zijn, werd nooit voorgelegd. De exacte draagwijdte van de overeenkomst en van de wederzijdse verbintenissen is dus niet aangetoond.

De stelling dat de facturen van C. zijn opgesteld voor een dienstverlening door C. strookt niet met de gegeven uitleg over het "cagnotte" systeem. Dat laatste komt erop neer dat C. geen dienst verleende aan EKE maar wel dat er achteraf een correctie werd toegepast op de oorspronkelijke prijs/het voorschot aangerekend door EKE. Als er een dergelijke correctie moet gebeuren, is het niet aan de klant (C.) om een factuur op te stellen maar wel aan de leverancier (EKE) om een verbeterend stuk op te stellen conform artikel 79 §1Btw-Wetboek. De door C. aangerekende bedragen zijn ook veel te hoog om een vergoeding te kunnen zijn voor louter de voorgehouden geleverde dienst. Zeker bij gebrek aan voorlegging van een onderliggende overeenkomst.

Volgens het "cagnotte" systeem zouden de facturen neerkomen op een correctie van de prijzen voor levering van eieren aangerekend door EKE. Op dergelijke leveringen is echter het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing terwijl in de betrokken facturen 21% btw werd aangerekend.

De vermeldingen in de facturen zijn onvoldoende duidelijk om een recht op aftrek aan te tonen. Ook de nadien door eisers voorgelegde stukken (berekeningen) tonen dit niet aan. De rechtbank verwijst naar de diverse opmerkingen van de Belgische staat op deze stukken en sluit zich daarbij aan.

De vermeldingen op een bepaalde factuur (noodfonds voor vogelgriep) of in een tussentijds gegeven uitleg voor het "cagnottesysteem", verwezen bovendien onder meer ook naar schadegevallen/schadevergoeding.

Dit valt mogelijk buiten de btw.

Dat C. de betrokken btw normaal gezien heeft doorgestort, toont geen recht op aftrek van EKE aan.

De vordering van eisers is op dit punt ongegrond.

3. De facturen van Lumen bv (tuinonderhoud)

De rechtbank verwijst naar het standpunt van de Belgische staat en sluit zich daarbij aan.

Er blijkt niet dat de betrokken facturen effectief betrekking hebben op werken uitgevoerd op het terrein rond het pand gelegen aan de ….

De vordering van eisers is op dit punt ongegrond.

4. De factuur van Kunsthoek bv

Het gaat om een werk van een persoon die in de media werd beschreven als een artiest. Het werk werd gefactureerd als kunst, reden waarom er een verlaagd tarief werd toegepast en er dus een laag bedrag aan btw verschuldigd was. Maar de prijs zelf was wel aanzienlijk.

Er blijkt dus niet dat het gaat om louter decoratie (en niet om een belegging).

Bovendien blijkt niet dat het betrokken kunstwerk aanwezig is geweest op de maatschappelijke zetel van EKE.

Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de belastingadministratie toegelaten is om bijkomende argumenten aan te halen in de loop van de procedure bij de rechtbank.

De belastingadministratie kan na het opstellen van een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, immers nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoeren ter ondersteuning van wat in het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (vergelijk Cass. 15 februari 2013, F.11.0150.N).

Een gelijkaardig principe geldt overigens ook in het kader van de inkomstenbelasting (vergelijk o.a. Cass. 23 november 2023, F.20.0153.N, Cass. 25 september 2020, F.18.0003.N en Cass. 11 mei 2018, F.16.0139.F), waarbij de rechtbank er ook op wijst dat fiscaal recht van openbare orde is.

De belastingadministratie stelde van in het begin dat het recht op aftrek moet worden verworpen. Zij kan ter ondersteuning van die stelling later nog bijkomende argumenten inroepen.

De vordering van eisers is op dit punt ongegrond.

5.De factuur van BG T.

Eiseres stelt dat haar stuk 8 het juiste stuk is.

Er blijkt niet waarop dit document concreet juist betrekking heeft. Er blijkt dus ook niet dat het gaat om de levering van een dienst die aan eiseres een recht op aftrek geeft.

De vordering van eisers is op dit punt ongegrond.

6.De factuur van BLM E.

De rechtbank verwijst naar het akkoord van de Belgische staat met verrekening zoals vermeld in de syntheseconclusie van de Belgische staat.

De vordering van eisers is op dit punt in die zin gegrond.

7.De facturen van M. en F.

Eisers betwisten de rechtzettingen met betrekking tot deze facturen niet.

8. De boete

In zoverre artikel 70 Btw-Wetboek aan de rechtbank niet toelaat om een uitstel te verlenen, het in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet (vergelijk GwH 21 februari 2013, 13/2013 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020).

Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om artikel 70 Btw-Wetboek toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vergelijk GwH 21 februari 2013, nr. 13/2013; GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020; Cass. 20 juni 2013 F.11.0007.F en Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F en vergelijk ook i.v.m. de inkomstenbelasting Cass. 13 november 2015, F.14.0119.F).

Wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er een reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen indien de wet in die maatregel had voorzien, dan bestaat het passend herstel in de weigering tot toepassing van de wetsbepaling die de geldboete oplegt (vergelijk Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F).

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval een reden is om uitstel te verlenen voor het gedeelte van de geldboete dat betrekking heeft op de facturen van C. indien de wet in die maatregel had voorzien.

Uit de voorgelegde stukken kan worden afgeleid dat het systeem van "cagnotte" door C. niet alleen werd toegepast voor EKE maar ook voor andere leveranciers. Het is aannemelijk dat het op vraag van een grote onderneming als C. is geweest dat er gekozen is voor dit systeem. Bovendien is aannemelijk dat de betrokken btw door een onderneming als C. is betaald.

In de mate de boete gebaseerd is op de btw vermeld in de facturen van C., wordt de boete dus vernietigd wegens de schending van artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

De vordering van eisers is in die zin gegrond.

In de mate de boete gebaseerd is op de btw vermeld in de overige facturen, blijkt niet dat de boete onevenredig hoog is met de begane inbreuken en is er evenmin een reden om uitstel te verlenen mocht de wet dit hebben toegestaan. De overige boete blijft dus behouden.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eisers werden voor het merendeel in het ongelijk gesteld. Het faillissement moet de kosten van de procedure betalen.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eisers ontvankelijk maar slechts deels gegrond.

De rechtbank vernietigt de geldboete in de mate ze gebaseerd is op de btw vermeld in de facturen van C. Belgium en de rechtbank bepaalt dat de geldboete voor het overige behouden blijft.

De rechtbank bepaalt dat de volgende bedragen zoals opgenomen onder artikelnummer …, geconcretiseerd in het innings- en invorderingsregister d.d. 09.11.2023, herleid naar:

- € 80.942,11 als btw;

- € 112,18 btw als compensatie;

verschuldigd zijn.

De rechtbank verklaart de vordering van eisers voor het overige ongegrond.

De rechtbank veroordeelt het faillissement van EKE tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor de Belgische staat vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 29 januari 2026 alwaar zetelden:

De heer R. MOMMEYER, alleenzetelend rechter,

Mevrouw G. BRUSSELAERS, griffier.

Nota van de FOD Financiën

Nota van de administratie

Referentie: FIN

55290889-01

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 791 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8