Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 7 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Bergen17.09.2015
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België11.05.2017
De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 11.05.2017 (C.16.0088.F)
WF 014-15-10/001187
[gemengd]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Misbruik
Wetgeving
Artikelen 1, § 10, 2 en 45, § 1 van het Btw-Wetboek
Samenvatting
I. Aan de procedure voorafgaande feiten
1. Een stad heeft een erfpachtrecht op een gerenoveerd sportcomplex opgericht ten voordele van haar autonoom gemeentebedrijf. Vervolgens richt het gemeentebedrijf op deze zelfde goederen een vruchtgebruik op, met toepassing van btw, ten voordele van een vzw. In dit verband heeft de vzw er zich toe verbonden de voetbalmatchen van de voetbalclub van de stad te organiseren uit hoofde van een overeenkomst.
De vzw is van mening dat zij de btw die haar werd aangerekend op de oprichting van het vruchtgebruik in haar voordeel in aftrek kon brengen en dit in de mate dat zij haar infrastuctuur ter beschikking stelt voor de voetbalclub in ruil voor dienstprestaties door deze club en aan haar gefactureerd met btw (en dus volgens haar , ook in haar hoofde aftrekbaar).
De Belgische staat is van mening dat, door het stadion terbeschikking te stellen van de club zonder tegenprestatie, is de vzw een gedeeltelijke belastingplichtige, met als gevolg een beperkt recht op aftrek. Bijgevolg, is zij eveneens een gemengde belastingplichtige in de mate dat zij diens
ten verleend die vrijgesteld zijn door artikel 44 WBTW.
2. De Rechtbank van eerste aanleg heeft zich in haar vonnis van 5 april 2011 uitgesproken in het voordeel van de Belgische staat (behalve inzake vraag over de facturatie van diensten van de voetbalclub, punt waarop de beslissing in beroep werd herwerkt).
Het hof van beroep van Bergen heeft zich in haar eindarrest van 17 september 2017 (2011/RG/1042) volledig in het voordeel van de Belgische Staat uitgesproken. Zij is van mening dat de stad een complexe juridische constructie heeft opgezet met als enig doel de belasting in aftrek te kunnen brengen, misbruik dat geen recht op aftrek toelaat.
Het hof van beroep beslist bovendien dat de belastingen op de diensten gefactureerd door de club aan de vzw niet aftrekbaar zijn in de mate dat de dienstenovereenkomst berust op een voorwerp dat onmogelijk is en op een onbestaande juridische oorzaak, gekende omstandigheden of waarvan de vzw weet had moeten hebben.
De voorziening in cassatie werd ingediend door de vzw tegen het arrest van de het hof van beroep te bergen van 17 september 2015. Voor het Hof van Cassatie gaat de discussie voornamelijk over de toepassingsvoorwaarden van de anti-rechtsmisbruikbepaling.
II. Samenvatting van het arrest
1. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat het hof van beroep niet heeft vastgesteld in hoeverre het door het autonome gemeentebedrijf verkregen belastingvoordeel door de aftrek van de btw op de constructies in strijd zou zijn met de doelstellingen van de btw-wetgeving en of er een misbruik bedoeld in artikel 1, § 10 WBTW zou zijn in de zin dat het hoofddoel het verkrijgen van dit voordeel zou zijn, wat de verwerping van het recht op aftrek dat geëist wordt door de VZW voor de verwerving van het vruchtgebruik rechtvaardigt.
2. Het Hof van Cassatie spreekt zich enkel uit over het eerste onderdeel van het eerste middel en over de drie onderdelen van het tweede middel. Enkel het eerste onderdeel van het eerste middel is ontvankelijk verklaard (het tweede onderdeel werd niet onderzocht omdat ze niet kan leiden tot een ruimere cassatie) en rechtvaardigt een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest van het hof van beroep.
Het tweede middel gericht tegen het aspect van het arrest van het hof van beroep met betrekking tot de verwerping van de aftrek van de belasting op de facturen van dienstverrichtingen door de club is verworpen. Het dwangbevel is derhalve wat dat betreft definitief geldig verklaard.
Opmerkingen
Het bestreden arrest van het hof van beroep werd gepubliceerd op Fisconetplus.
Ingevolge de gedeeltelijke vernietiging van dat arrest, is de zaak verwezen naar het hof van beroep te Luik.
Volgens het arrest van het Hof van Cassatie is het loutere bestaan van een complexe juridische constructie niet voldoende om misbruik vast te stellen en om het verwerpen van de btw-aftrek te rechtvaardigen.
Dit arrest doet geen afbreuk aan het onderzoek van de gratis terbeschikkingstelling van infrastructuren vanuit het oogpunt van de verwerping van het recht op aftrek op grond van de artikelen 2 en 45, § 1 van het Btw-Wetboek.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Arrêt de la Cour de Cassation
dd. 11.05.2017
(C.16.0088.F)
I. F. M., association sans but lucratif en liquidation, dont le siège est établi à …, …, demanderesse en cassation, représentée par Maître J. O., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, oû il est fait élection de domicile,
contre
ÊTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation, représenté par Maître G. de F., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, oû il est fait élection de domicile.
I. La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 17 septembre 2015 par la cour d'appel de Mons.
Le 21 avril 2017, Ie premier avocat général André Henkes a déposé des conclusions au greffe.
Le président de section M. R. a fait rapport et Ie premier avocat général A. H. a été entendu en ses conclusions.
II. Les moyens de cassation
Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente deux moyens.
III. La décision de la Cour
Sur le premier moyen :
Quant à la première branche :
En vertu de l'article 1er, § 10, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, il y a pratique abusive lorsque les opérations effectuées ont pour résultat l'obtention d'un avantage fiscal dont l'octroi est contraire à l'objectif poursuivi par ce code et les arrêtés pris pour son exécution et que leur but essentiel est l'obtention de cet avantage.
Pour déclarer non fondée l'opposition de la demanderesse à la contrainte lui refusant la déduction de la taxe ayant grevé l'acquisition d'un droit d'usufruit sur le stade rénové, l'arrêt attaqué considère que « l'ensemble des pièces déposées au dossier de la procédure accrédite la thèse administrative selon laquelle la Ville de Mons (par le biais de sa régie communale) prit en charge les travaux de rénovation et tenta de récupérer la taxe sur la valeur ajoutée par un montage juridique complexe impliquant une succession d'actes juridiques décrits dans les arrêts précédents, lui permettant ainsi de récupérer la taxe qu'elle n'aurait jamais pu récupérer dans le cadre d'une simple opération immobilière, se rendant ainsi coupable d'une véritable pratique abusive » et que «la constitution d'un droit d'emphytéose par la Ville de Mons au profit de la régie communale autonome de Mons, suivie de la constitution d'un droit d'usu:fruit par cette dernière au profit de [la demanderesse] qui met enfin elle-même les infrastructures à la disposition de la s.a. R.A.E.C, est un montage fiscal complexe destiné exclusivement à récupérer la taxe sur la valeur ajoutée sur les travaux de constmction du nouveau stade de football pris en charge par les autorités de la Ville de Mons et sa régie communale ».
Ni par ces considérations ni par aucune autre, l'arrêt ne précise que l' avantage fiscal consistant, pour la régie communale, à pouvoir déduire les taxes ayant grevé les travaux de construction de l'ancien stade de football est, suivant les termes de l' article 1er, § 10, précité, contraire à l'objectif poursuivi par le code et les arrêtés pris pour son exécution.
Il ne justifie dès lors pas légalement sa décision d'y voir une pratique abusive et de rejeter, sur cette base, la déduction par la demanderesse de la taxe que la régie communale lui a facturée pour la constitution en sa faveur du droit d'usufruit sur ledit stade.
Le moyen, en cette branche, est fondé.
Sur le second moyen :
Quant à la première branche :
Contrairement à la lecture qu'en donne le moyen, en cette branche, l'arrêt ne lit pas dans la convention du 13 juin 2005 que la demanderesse a cédé à la société anonyme R.A.E.C. un droit d'organiser des matchs de football mais déduit de la considération selon laquelle « [la demanderesse], n' étant ni affiliée à l'Union royale belge de football ni détentrice du matricule.44, n' était pas titulaire du droit d'organiser les matchs du club de football de la s.a. R.A.E.C. », que celle-ci ne pouvait céder à la s.a. R.A.E.C., par la convention du 13 juin 2005 précitée, le droit de réaliser les prestations nécessaires à l' organisation des matchs de football de ladite société dès lors que « personne ne [peut] céder plus de droits qu'il n'en possède lui-même ».
Le moyen, en cette branche, manque en fait.
Quant à la deuxième branche :
L' arrêt attaqué considère, pour refuser à la demanderesse le droit de déduire la taxe sur la valeur ajoutée sur les prestations de sponsoring qu'elle a payée à la s.a. R.A.E.C., que la demanderesse « dépose une dizaine de factures de sponsoring émises en 2006 durant l'année contrölée mais ne justifie pas toujours le motif entraînant le paiement de sommes à [la demanderesse] par la s.a. R.A.E.C. pour des prestations de services rémunératrices de la s.a. R.A.E.C. tendant à la prospection d'acteurs économiques désireux, par leurs concours fmanciers, de bénéficier de prestations destinées à améliorer leur notoriété' ».
Il suit de ces énonciations que l'arrêt considère, par une appréciation en fait, que les factures produites par la demanderesse ne constituent pas la preuve de la cause des paiements précités.
Le moyen, qui, en cette branche, revient à critiquer cette appréciation en fait du juge d' appel, est irrecevable.
Quant à Ia troisième branche :
Les motifs vainement critiqués par la deuxième branche du moyen suffisent à fonder la décision de l'arrêt quant au refus de déductibilité de la taxe payée sur les prestations de sponsoring.
Le moyen, qui, en cette branche, ne saurait entraîner la cassation, est irrecevable à défaut d'intérêt.
Sur les autres griefs :
Il n'y a pas lieu d'examiner la seconde branche du premier moyen, quine saurait entraîner une cassation plus étendue.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
La Cour
Casse l'arrêt attaqué en tant qu'il statue sur la déduction de la taxe sur la valeur ajoutée ayant grevé l'acquisition par la demanderesse de l'usufruit des constructions et des terrains ;
Rejette le pourvoi pour le surplus;
Ordonne que mention du présent arrêt sera faite en marge de l'arrêt partiellement cassé ;
Réserve les dépens pour qu'il soit statué sur ceux-ci par le Juge du fond;
Renvoie la cause, ainsi limitée, devant la cour d' appel de Liège.
Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, ou siégeaient le président de section M. R., les conseillers D. B., M. L., S. G. et A. J., et prononcé en audience publique du onze mai deux mille dix-sept par le président de section M. R., en présence du premier avocat général A. H., avec l'assistance du greffier P. D. W..
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Luik15.01.2020