De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 07.10.2021
WF 702-15-19/004829
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Gemengde belastingplichtige – Organisatie van shows – Berekening van het algemeen verhoudingsgetal – Aankoopbon – Rechtszekerheid – Gewettigd vertrouwen – Oorzakelijk verband – Legaliteitsbeginsel – Bestuurshandeling – Beginsel van het gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid – Oorzakelijk verband tussen het ‘vertrouwenwekkend feit’ en de handelswijze van de belastingplichtige – Verminderde proportionele geldboetes – Geen repressief karakter in de zin van artikel 6 EVRM – Boete van schadeloosstellende aard - Gerechtelijke procedure – Vorm van de conclusies – Onderwerp van de vordering
Wettelijke bepalingen
Artikel 44, § 2, 9°, 45 en 46 WBTW
Artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
Feiten
Eiseres is een gemengde belastingplichtige voor de btw: zij verricht diensten die aan de btw zijn onderworpen (organisatie van shows) en die bijgevolg recht geven op aftrek van de voorbelasting alsook vrijgestelde diensten (met toepassing van artikel 44, § 2, 9°, WBTW).
Het geschil betreft de vaststelling van het percentage van het verhoudingsgetal voor de aftrek van btw.
De vordering zoals geformuleerd in de conclusies is onnauwkeurig. Het is de Belgische Staat die de gevolgde procedure bepaalt, de betrokken uitvoerende titel vaststelt en aanvaardt om de vordering te lezen als betrekking hebbend op deze titel en het onderliggende proces-verbaal tot regularisatie.
Samenvatting van het vonnis
Wat de procedure betreft, moet het precieze onderwerp van het geschil, dat niet duidelijk wordt omschreven in het dictum van de conclusies, worden beoordeeld in het licht van de motivering ervan.
Zoals de Belgische Staat stelt, betwist eiseres in het algemeen het percentage van het verhoudingsgetal van het recht op aftrek, maar wordt dit slechts voor één jaar (van de drie jaren waarop het inningsregister betrekking heeft) gemotiveerd. De Belgische Staat concludeert terecht dat alleen de hoofdsom met betrekking tot dat jaar wordt betwist.
Wat het recht op aftrek betreft, is de argumentatie van eiseres gebaseerd op de analyse van twee uitgaande facturen waarvoor zij de vrijstelling van btw voor de betrokken ontvangsten betwist.
Wat de eerste factuur betreft, beroept eiseres zich enkel op het feit dat deze factuur identiek is aan een andere factuur die wordt aanvaard als een factuur die niet-vrijgestelde inkomsten genereert. Het beginsel van rechtszekerheid zou worden geschonden.
In feite motiveert eiseres de vergelijking niet tussen de verkoop van een show (onder verwijzing naar niet-gefactureerde publiciteit/ de vermelding "aangeboden" op de factuur) en een complexe handeling die ook een deel sponsoring bevat, tot het punt dat zij enig gewettigd vertrouwen wekt.
Bovendien plaatst de rechtbank de mogelijke toepassingen van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel (in de veronderstelling dat dit beginsel zelfs voorrang heeft op het legaliteitsbeginsel) in het juiste perspectief.
Het vertrouwensbeginsel is vergelijkbaar met de invoering van het begrip “aansprakelijkheid” en veronderstelt derhalve een oorzakelijk verband tussen het “vertrouwenwekkend feit” en de handelswijze van de belastingplichtige dat aan de bron van het geschil ligt.
Dit is niet het geval wanneer de foutieve bestuurshandeling volgt op handelingen van de belastingplichtige wiens fiscale gevolgen worden betwist. In dit geval houdt het schuldveroorzakend feit geen verband met - de al dan niet onjuiste - kwalificatie die de administratie aan een andere factuur heeft gegeven ingevolge een op een later tijdstip uitvoerde controle en de vaststelling van opeenvolgende handelingen.
De tweede factuur betreft de verkoop van tickets voor een voorstelling aan een vzw die de verdeling van deze plaatsen verzekert. Volgens eiseres is de verkoop van deze tickets aan de vzw niet vrijgesteld aangezien de vzw verantwoordelijk is voor de distributie ervan.
Zij baseert haar middel op een vergelijking met aankoopbonnen op basis van een administratieve commentaar die het geval illustreert van een aankoopbon voor de aankoop van een boek in een specifieke boekhandel. De rechtbank benadrukt dat deze vergelijking niet opgaat, aangezien de "bon" voor de aankoop van een boek overeenkomt met een aan btw onderworpen handeling - de aankoop van een boek - terwijl de tussenkomst van de vzw leidt tot de verkoop van een van btw vrijgestelde voorstelling.
Wat de boetes van 10% betreft, beroept eiseres zich op het strafrechtelijke karakter van deze boetes en meer bepaald op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat het gebrek aan een wettelijk systeem inzake opschorting van geldboetes bestraft. Zij lijkt uit deze rechtspraak ofwel de kwijtschelding van de boete ofwel de opschorting ervan af te leiden; zij beroept zich op de omstandigheden waarin de epidemie die het land treft, de kunstensector heeft ondergedompeld.
De rechtbank verduidelijkt dat het strafrechtelijke karakter van een administratieve geldboete deels een feitenkwestie is die moet worden opgelost door zowel rekening te houden met het percentage van de proportionele geldboete als met het precieze bedrag waartoe dat percentage leidt, zonder dat er sprake is van een plafond.
In het onderhavige geval kan de rechter een geldboete van 10 %, die in totaal 1 780 EUR bedraagt, niet als een geldboete van strafrechtelijke aard beschouwen.
Bovendien is dit tarief niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien de activiteiten van eiseres zeer duidelijk gemengd waren, zij hiervan niet onwetend kon zijn en zij een bijzonder overmatige aftrek van de belasting heeft toegepast op de inkomende handelingen. Bovendien moest hetzelfde probleem later opnieuw worden opgelost door middel van een regularisatieopgave.
Daarom zou er geen reden zijn geweest om een uitstel te overwegen indien de wetteksten in een dergelijk mechanisme hadden voorzien. Het feit dat de wetgeving in onderhavige zaak niet in een eventueel uitstel voorziet, is aanvechtbaar, maar kan alleen tot nietigverklaring van de geldboete leiden indien uit de debatten blijkt dat er redenen zouden zijn geweest om een dergelijk uitstel te overwegen.
Wat het verzoek om schadevergoeding betreft, blijkt dat het niet begrijpelijk is. De rechtbank merkt op dat de btw-schuld in het proces-verbaal tot regularisatie overeenkomt met het bedrag in het inningsregister. Eiseres verklaart dat zij niet op deze vordering staat.
Opmerking
Tegenpartij heeft berust in het vonnis.
Strafrechtelijk karakter van de geldboete
Met betrekking tot de opgelegde proportionele geldboete die is verminderd tot 10%, moet worden opgemerkt dat de rechter van oordeel is dat het strafrechtelijke karakter van een bestuurlijke boete deels een feitelijke kwestie is die moet worden opgelost door zowel rekening te houden met het percentage van een proportionele boete als met het precieze bedrag waartoe dit percentage leidt, zonder dat er sprake is van een plafond. Gelet op het toegepaste percentage en het opgelopen bedrag zal het Gerecht het strafrechtelijke karakter van de boete in casu niet aanvaarden.
De betwiste boete vormt een vergoeding voor de schade die is veroorzaakt door de niet-nakoming van de fiscale verplichtingen, en is geen straf.
In verschillende andere rechterlijke beslissingen is reeds geoordeeld dat de lage btw-boetes die in verhouding tot de betwiste bedragen in een geschil, een schadeloosstellend karakter hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de sancties die van toepassing zijn in het burgerlijk en handelsrecht. Ze hebben dus geen penaal of afschrikkend karakter in de zin van artikel 6 EVRM (zie met name Burg. Brussel, 1 maart 2012, RG 2003/2657; Burg. Brussel, 3 oktober 2012, GS 2007/9036/A, gepubliceerd op Fisconetplus; zie ook Burg. Brussel, 25 februari 2009, GS 2003/15621 en 2006/986/A; Burg. Brussel, 25 februari 2009, GS 2006/1553 en 6176/A; Burg. Brussel, 12 september 2012, GS 2009/708/A; Burg. Brussel, 8 mei 2013, GS 2011/7615/A; Bergen 18 juni 2014, 2013/RG/260; Burg. Brussel, 26 april 2014, GS 2009/8553/A).
Dit standpunt is in overeenstemming met het standpunt van de Belgische staat. Het wordt echter niet gevolgd door de meerderheid van de rechtspraak.
Interne commentaar
(Enkel toegankelijk voor de ambtenaren)
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance francophone de Bruxelles, Section Civile, 32ème chambre, Affaires civiles
Jugement contradictoire définitif du 7 octobre 2021
Rôle : 19/7663/A
TVA
EN CAUSEDE:
L'asbl. ASC, BCE62...70, avenue de la Liberté, 91 à 1080 Bruxelles, partie demanderesse, représentée par l'avocat …
CONTRE:
L'ÉTAT BELGE, SPF Finances, Centre PME Bruxelles II, dont les bureaux sont situés bld. du Jardin Botanique, 50 /3408 à 1000 Bruxelles, partie défenderesse, ayant comparu en personne, à l'intervention de Monsieur X, Attaché
Cause prise en délibéré Ie 30 septembre 2021,
Vu les pièces de la procédure, et notamment
- la requête contradictoire, et annexes, déposées au greffe le 24 décembre 2019;
- I'ordonnance rendue sur pied de l'aiticle 747 CJ;
- les ultimes conclusions déposées les 18 décembre 2020 (pour la portie demanderesse) et 23 décembre 2020 (pour la partie défenderesse).
Entendu les parties comparaissant à l'audience publique du 30 septembre 2021
La Procédure.
La demanderesse est assujettie à la Tva pour une activité d'organisation de spectacles ; les parties conviennent qu'elle livre des prestations soumises à TVA (et justifiant déduction des taxes payées en amont, par application de l 'article 45 CTva) mais aussi des prestations exemptées (par application de l 'article 44 §2-9° CTva ).
Le litige pointe sur Ie taux de déduction des taxes en amont que ce statut mixte suscite, dans Ie cadre d'une proratisation des déductions ; il porte aussi sur les amendes réclamées.
La demande telle que formulée en conclusions se révèle procéduralement imprécise, dès lors qu'elle vise à faire annuler une décision administrative sur réclamation et annuler des « cotisations » non précisées ; telle que formulée en conclusions, la demande tend en effet à entendre
" Dire la présente requête recevable et fondée;
A titre principal : y faire droit et mettre à néant la décision litigieuse ; ordonner Ie dégrèvement ou l'annulation des cotisations querellées;
condamner l'État à la restitution de toutes sommes indûment perçues, aux intérêts
moratoires et aux dépens liquidés à la somme de 1.080-€
A titre subsidiaire : accorder à la concluante Ie sursis pour les amendes proportionnelles »
C'est l'État qui précise la procédure suivie, détermine Ie titre exécutoire qui est en jeu et accepte de lire la demande comme visant ce titre et le PV de régularisation qui Ie sous-tend :
- un PV du 26 novembre 2018 constate que la demanderesse est subsidiée par Ie ministre de la culture flamand et la Cocof bruxelloise - ce qui justifiera de voir dans la demanderesse un 'organisme reconnu par l 'autorité compétente 'au sens de l 'article 44 §2-9° ;
- un PV de régularisation établi Ie même jour proratise au taux de 10 % la Tva déductible, avec amende proportionnelle de 10 % - soit pour l'année 2016 en particulier un montant de recettes exemptées de 57.676,49 €sur un total de 63.993, 72 €;
- enfin, la dette reçut son titre exécutoire par sa mention au registre de perception et recouvrement (forme nouvelle de l 'ancienne contrainte) Ie 26 juillet 2019, sous la référence 500.2045.43973.
Discussion quant au principal.
1- L'objet exact du litige, mal déterminé par Ie dispositif des conclusions de la demanderesse, doit s'apprécier à la lumière de leur motifs.
Ainsi, comme Je précise l'État, il apparaît que si la demanderesse conteste de manière générale Ie taux de proratisation de 10 % (et requiert la prise en compte d'un faux de 30%), cette demande n'est étayée que par un argumentaire lié à l'année 2016.
L'État conclut donc à bon droit que Je principal porté au registre de perception pour les années 2017 (6.627,01 €) et 2018 (103,73 €) n'est pas contesté, mais uniquement Ie principal portant sur les opérations en 2016 (11.159,89 €)
2- L'argumentaire de la partie demanderesse tient dans !'analyse de deux factures de sortie, dont elle conteste qu'elle couvrent des recettes exemptées, ce qui modifie le taux de proratisation pour Ie voir porté à 30 %
2-1. Facture 2016-01 du 22 juin 2016, à l'adresse de la société Lapperre et, relativement à un festival de musique de Mozart, portant sur :
" - 100 places VIP
- logo sur tous les supports visuels + pub dans le programme : offert
.... tva 6 % »
A cet égard, la demanderesse se borne à invoquer Ie fait que cette facturation serait identique à la facture 2016-03 adrnise comme générant une recette non exemptée : en ce que celle-ci est prise en compte et pas celle-là, Ie principe de sécurité serait violé.
L'État répond à juste titre que la facture -03 n' est pas comparable à la facture litigieuse dès lors que son libellé est Ie suivant :
« SPONSORING avec pour échange :
- 10 places en 1ère catégorie
- publicité A4 dans le programme du festival
- logo sur tous supports visuels
... tva 21 % ,,
De fait, la demanderesse ne justifie pas la comparaison qu'elle fait entre la vente de places de spectacle (avec référence à de la publicité non facturée) et une opération complexe comportant un volet de sponsorisation, au point de susciter une quelconque confiance légitime.
Au surplus, il y a lieu de remettre dans une juste perspective les applications possibles du principe de confiance légitime et de sécurité juridique (à Le supposer même s 'appliquer par priorité sur Ie principe de légalité)
Le principe de légitime confiance s'apparente à la mise en reuvre de la notion de responsabilité (amenant le destinataire d'un acte administratif trompeur à voir Ie dommage consistant dans le décalage entre les effets espérés pour ses propres actes et l 'application correcte de la loi, réparé en nature en donnant à ses actes l'effet suggéré par / 'acte administratif dont question) et postule dès lors un tien causa! entre !'acte générateur de confiance et Ie comportement du contribuable qui est source de litige.
Ce n'est pas Ie cas si l'acte administratif erroné est postérieur aux faits et gestes du contribuable dont les conséquences fiscales sont litigieuses.
En l'occurrence, Ie fait générateur de la dette (une facturation en 2016) est étranger à la qualification, erronée ou non, donnée par l'administration à une autre facture, lors d'un contrôle et de l'établissement d'actes consécutifs, opérés en 2018.
2-2. Facture 2016-02 du 13 juillet 2016, à l'adresse de l'asbl VisitBrussels et, relativement à un festival de musique, portant Ie vocable Billeterie et les mentions suivantes
- Arsène BID 3198
- Arsène BID 3197
- BO 2016 Amadeus 002
- BO 2016 Amadeus 001
Selon la demanderesse, puisque c'est l'asbl VisitBrussels qui assure la distribution des places de spectacle, la vente à cette association ne serait pas exemptée.
Elle fonde son moyen sur une comparaison avec des bons d'achat, en indiquant:
« Suivant les commentaires administratifs : « En cas de bons d'achat à usage unique, il y a une certitude : l'identité du fournisseur ou prestataire de service, ainsi que le bien ou le service contre lequel ces bons peuvent être échangés, et partant, le taux de TVA applicable. Tel est par exemple le cas d'un bon qui permet d'acheter un livre dans une librairie bien précise. »
Force est de constater que la tva devait trouver à s'appliquer. La position du concluante est donc conforme à la législation fiscale. »
La comparaison est peu judicieuse puisque Ie 'bon' pour acheter un livre, correspond à une opération -l'achat d'un livre- soumise à la taxe, alors que l'intervention de l'asbl VisitBrussels aboutit bel et bien à une vente de place de spectacle exemptée.
Discussion quant aux amendes au taux de 10 %
1- La demanderesse indique expressément que ce point n'est pas limité aux opérations de l'année 2016 (pour lesquelles l'amende de JO % correspond à 1.116 €) ; il faut en déduire qu' il porte aussi sur l' amende de 10 % frappant les taxes dues pour 2017 et 2018, soit 663 € et 10 € d'amendes - soit un total d'amendes de 1780- € par le jeu d'un arrondi à la baisse.
La demanderesse invoque un caractère pénal qui caractériserait ces amendes et plus spécialement la jurisprudence de la cour constitutionnelle sanctionnant !'absence légale de mécanisme de sursis en la matière.
Elle semble déduire de cette jurisprudence soit l'annulation de !'amende, soit l'obtention d'un sursis dès lors que Ie juge a l'obligation de combler la lacune légale dénoncée ; elle invoque alors les conditions dans lesquelles l'épidémie frappant Ie pays a pJongé Ie secteur artistique.
2- Le caractère pénal d'une amende administrative est partiellement une question de fait qui doit se résoudre à la fois par la prise en compte du taux d'une amende proportionnelle mais aussi par Ie montant précis auquel ce taux aboutit, sans être plafonné.
En I'occurrence, Ie tribunal ne peut voir dans une amende au taux de 10 % aboutissant au total de l.780 € une amende à caractère pénal.
3- Surabondamment, ce taux ne viole en rien Ie principe de proportionnalité, dès lors que les activités de la demanderesse étaient plus que manifesternent rnixtes, qu'elle ne pouvait l'ignorer et qu'elle procéda cependant à une déduction très excessive des taxes sur opérations d'entrée.
L'État souligne en outre que deux contrôles ultérieurs ont encore dû être opérés pour voir le même problème réglé, après relevé de régularisation.
Pour ces mêmes raisons, même si les textes réglementaires avaient institué un mécanisme de sursis, cette rnesure ne se justifiait pas et il n'y a pas lieu d'annuler les arnendes en raison de la carence dénoncée par la cour constitutionnelle ; en effet, Ie fait qui la législation ne prévoie en l'espèce aucun sursis possible est contestable , mais ne peut susciter l'annulation de !'amende que si les débats révèlent qu'il y aurait eu matière à envisager pareil sursis.
Discussion quant à la compensation.
La partie demanderesse dénonce Ie fait que l'État n'aurait pas « repris » la compensation telle que proposée dans son relevé de régularisation de manière initiale ; une demande (non mentionnée au dispositif est dès lors la suivante : « il conviendrait d'en tenir compte dans le décompte des sommes dues par la requérante »
Il appert que le PV de régularisation du 6 novembre 2018 mentionne une dette Tva de 17.890,63 € majorés de 1.780 € d'amendes et que l'extrait du registre de Perception porte exactement sur les mêmes montants.
Cette demande n'est pas compréhensible, nonobstant quoi, l'État a pris sur lui de fournir en pages 10 et 11 l'historique du compte courant de la demanderesse, qui n'appelle pas de commentaire; à notre audience, la partie demanderesse expose ne pas persister dans ce chef de demande.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
LE TRIBUNAL,
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire ;
Statuant contradictoirement et écartant toutes conclusions contraires,
Déclare la demande recevable, mais non fondée;
En déboute la partie demanderesse, la condamne aux dépens, liquidés à« 0 » euro dans Ie chef de l'État, et lui délaisse la charge de la cotisation au« Fond de participation de l'aide juridique ».
Ainsi jugé et prononcé à l'audience publique de la 32ème chambre du Tribunal de première instance Francophone de Bruxelles, Ie 7 octobre 2021
ou étaient présents et siégeaient : …
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.