Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 27.01.2023 (Rolnr. 21/3823/A)
[ Gunstig vonnis ]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Fictieve facturen
Wettelijke bepalingen
Art. 45,§ 1 en artikel 60,§ 5 WBTW
Artikel 5,§ 1, 5° en 6° van het Koninklijk Besluit nr. 1
Samenvatting van het vonnis
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de economische activiteit van overige posterijen en koeriers.
Bij een controle werd vastgesteld dat de aankoopfacturen van onderaannemers, waarop het recht op aftrek werd uitgeoefend, niet voldeden aan zowel de formele als aan de materiële vereisten en aldus niet bewijskrachtig waren. Het recht op aftrek werd verworpen en de inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal dat werd betekend. De belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Bij verzoekschrift stelde de belastingplichtige zijn vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg tegen de voornoemde belastingschuld. De rechtbank oordeelde dat de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk maar ongegrond was.
Tegen dit vonnis heeft de belastingplichtige hoger beroep ingesteld.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 27.01.2023
(Rolnr. 21/3823/A)
Inzake:
1.H.R.
wonende te …, RRN: …
2.G.A.
wonende te …, RRN: …
eisers
- vertegenwoordigd ter zitting door meester S.D., advocaat, met kantoor te …
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen 767, met correspondentieadres 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, KBO : 0308.357.159
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door T.F., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 2 september 2021, ingeschreven op 2
september 2021,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 5
november 2021,
- de besluiten van verweerder.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 december 2022.
1. Procedurele voorgaanden en vorderingen van partijen
De betwisting heeft betrekking op de aanslag in de personenbelasting gevestigd in hoofde van eisers voor het aanslagjaar 2018 met kohierartikel …, voor een te betalen bedrag van 27.492,96 euro.
Eisers dienden een aangifte in de personenbelasting in. Op basis van de gegevens en inlichtingen van de aangifte werd een aanvankelijke aanslag gevestigd (kohierartikel … (stukken 383-410 van verweerder). In 2019 vond een fiscale controle plaats (stukken 411-412 van verweerder).
Op 28 september 2020 verzond de belastingadministratie een bericht van wijziging aan eisers en deelde haar voornemen mede om een bedrag van 46.360,00 euro te verwerpen als fiscaal aftrekbare beroepskosten. Tevens werd een belastingverhoging van 10% aangekondigd (stukken 431-434 van verweerder). Namens eisers werd hun niet akkoord met de inhoud van dit bericht medegedeeld (stukken 435-436 van verweerder). In de kennisgeving van beslissing tot taxatie d.d. 23 november 2020 bleef de belastingadministratie bij haar standpunt (stukken 437-440 van verweerder) en de betwiste aanslag werd gevestigd.
Namens eisers werd een bezwaarschrift ingediend, maar in de administratieve beslissing d.d. 26 augustus 2021 werd het bezwaar afgewezen (stukken 24-228 van verweerder).
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2 september 2021 maakten eisers de zaak ter betwisting van vermelde aanslag aanhangig bij deze rechtbank.
Eisers verzoeken de rechtbank om de betwiste aanslag te vernietigen en te ontheffen, verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde belastingen vermeerderd met de wettelijke moratoriuminteresten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding begroot op 2.600,00 euro. Ter terechtzitting vorderen eisers de vanaf 1 november 2022 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
De Belgische Staat verzoekt de rechtbank om de vordering van eisers ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eisers te veroordelen tot de kosten van het geding.
2. Toelaatbaarheid
De toelaatbaarheid van de vordering van eisers wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de toelaatbaarheid.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van eisers toelaatbaar is.
3. Beoordeling
Betreffende de facturen van beweerde onderaannemers
Verweerder betwist de werkelijkheid van prestaties geleverd door beweerde onderaannemers, i.e. de vennootschappen J. Bv, S. Bv en M. Bv. Volgens verweerder zijn de facturen niet gedetailleerd en worden er door eisers geen verantwoordingsstukken of betalingsbewijzen voorgelegd.
Eiser stelt dat hij actief was als pakketbezorger van POSTNL PAKKETTEN BELGIE Nv en verantwoordelijk was voor de verdeling van pakjes binnen de hem toegewezen transportlijnen rond het depot Vilvoorde. Eiser stelt dat hij beroep deed op reservechauffeurs van o.a. J., S. EN M. Volgens eisers hebben de betwiste facturen betrekking op werkelijk geleverde prestaties, werden deze betaald (cash) en zijn eisers het slachtoffer van fraudeurs in het systeem van POSTNL. Eisers verwijzen naar diverse dagplanningen en het feit dat deze personen gekend en goedgekeurd werden door POSTNL. Eisers stellen dat voldaan werd aan alle voorwaarden van artikel 49 WIB 92.
Krachtens art. 49 WIB 92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
De bewijslast van het bedrag, de werkelijkheid en het beroepskarakter van de kosten Iigt bij de belastingplichtige. Eisers dienen aan te tonen dat de kosten waarvan zij de aftrek vragen, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties (vergelijk Cass. 18 januari 2013, F.12.0025.N; Cass. 15 oktober 2015, F.14.0161.N).
De rechtbank oordeelt dat gelet op de vaststellingen van de administratie, eisers niet voldoen aan de op hen rustende bewijslast en de vordering van eisers aldus ongegrond is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de volgende elementen:
- de betwiste facturen zijn niet gedetailleerd (geen vermelding welke pakketten of zelfs helemaal geen omschrijving, geen detail van prijs, geen data waarop de prestaties zouden zijn verricht,...stukken 413-428 van verweerder);
- de antwoorden en documenten bekomen van POSTNL (stukken 243-382 van verweerder);
er wordt geen overeenkomst of enige briefwisseling met de onderaannemer voorgelegd;
- eisers beweren dat de facturen cash werden betaald, evenwel kunnen er geen ontvangstbewijzen worden voorgelegd en beschikt eiser niet over een kasboek;
- de vaststellingen gedaan door verweerder aangaande de vermeide beweerde onderaannemers (o.a. betreft een bouwonderneming, gebruik van het verkeerde adres, geen BTW-klantenlistings of eiser werd niet vermeld op de BTW-klantenlisting, geen btw-aangifte, faling,... ).
De rechtbank stelt vast dat eisers geen afdoende stukken voorleggen die de aard, de omvang en de werkelijkheid van de beweerde prestaties aantonen en zich beperken tot loutere beweringen, het zijn eisers die de ontvangen facturen hebben aanvaard en de kosten in aftrek hebben genomen.
4. Gerechtskosten
Eisers dienen als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman
dient geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eisers toelaatbaar maar ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op zevenentwintig januari tweeduizend drieëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:
A. B., rechter
N. D., griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.