Recht op aftrek van Btw, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 20 mei 2008

Zoeken

Recht op aftrek van Btw, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-strafbepaling-administratieve-rechtbank-brussel-2008-05-20-cf3c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
20 mei 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 20.05.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste Kamer

2004/9977/A

In zake van :

De heer F. T., wonende te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. K. loco Mr. S. S., advocaat te …, … (ref : …).

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, met kantoren te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51.

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : …).

In deze zaak, in beraad genomen op 22 april 2008, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het exploot d.d. 22 juli 2004 van het ambt van gerechtsdeunvaarder D. met standplaats te …, houdende dagvaarding van verweerster om te verschijnen voor deze rechtbank.

• de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 3 juli 2006 en op 15 januari 2008.

• de conclusie en aanvullende conclusie van eiser, neergelegd ter griffie respectievelijk op 27 juli 2007 en op 15 februari 2008.

• het bundel met stavingstukken van verweerster, neergelegd ter zitting d.d. 22 april 2008.

• het bundel met stavingstukken van eiseres, neergelegd ter griffie d.d. 4 april 2008.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna de zaak werd in beraad genomen.


1. FEITEN

Eiser is als belastingplichtige van de belasting over de toegevoegde waarde geregistreerd onder het BTW-nummer BE … voor zijn activiteit van garagehouder en handelaar in tweedehandsvoertuigen.

In 1993 werd een gerechtelijk strafonderzoek geopend lastens de heer R. P. wegens mogelijke belastingontduiking onder de vorm van een zogenaamd BTW-carrousel. Samen met de heer P. werden nog 28 andere betrokkenen vervolgd, waaronder eiser.

Bij vonnis van de 49e kamer van deze rechtbank d.d. 26 oktober 2000 werd eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met uitstel en een geldboete van 100.000 BEF. Hij werd onder meer schuldig bevonden - als mededader - aan de uitgifte van valse facturen, met name een factuur nummer … d.d. 27 december 1990, een factuur nummer … d.d. 27 februari 1997 en een factuur nummer … d.d. 15 februari 1992. Tegen het vonnis werd blijkbaar geen hoger beroep ingesteld.

Na hiertoe machtiging te hebben gekregen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, heeft de administratie reeds voordien inzage genomen van het strafdossier en van de in beslag genomen boekhouding van eiseres.

De vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 8 maart 1995, blijkens hetwelk eiser een bedrag van 2.754.125 BEF verschuldigd bleef aan belasting, 5.508.250 BEF ten titel van administratieve geldboete en de interesten.

Op grond van dit proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd op 27 september 1995. geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 september 1995 en aan eiser ter kennis gebracht op 18 oktober 1995 en op 13 maart 2000.

Bij exploot d.d. 22 juli 2004 heeft eiser hiertegen verzet aangetekend.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het dwangbevel d.d. 27 september 1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 september 1995, te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de hierin vermelde bedragen niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde wenst eiser de administratieve geldboete te horen kwijtschelden, minstens 'gevoelig te horen verminderen’.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Recht op aftrek

Overeenkomstig artikel 45, § 1 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (hierna : W.BTW) mag de belastingplichtige de door hem verschuldigde belasting verminderen met de belasting die wordt geheven op de goederen en diensten die aan hemzelf worden geleverd met het oog op het verrichten van belastbare handelingen of van handelingen die zijn vrijgesteld van belasting op grond van de artikelen 39 tot 43 van hetzelfde wetboek.

Artikel 10 W.BTW omschrijft een levering van een goed als de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.

Het kwestieuze dwangbevel betreft de belasting die eiser in aftrek heeft gebracht wegens de beweerde levering van zeven voertuigen. Deze leveringen werden in de boekhouding van eiser gestaafd aan de hand van volgende facturen :

• Factuur … d.d. 27 december 1990 van leverancier A. met betrekking tot een voertuig van het merk Mitsubishi voor de prijs van 160.000 BEF, vermeerderd met 40.000 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 17 oktober 1991 van leverancier J. met betrekking tot een voertuig van het merk Saab voor de prijs van 1.0070.000 BEF, vermeerderd met 267.000 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 19 november 1991 van leverancier J. met betrekking tot een voertuig van het merk Audi voor de prijs van 365.000 BEF, vermeerderd met 91.250 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 25 februari 1992 van leverancier J. met betrekking tot een voertuig van het merk Bentley voor de prijs van 4.160.000 BEF, vermeerderd met 1.372.800 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 27 februari 1992 van leverancier J. met betrekking tot een voertuig van het merk Volkswagen voor de prijs van 140.000 BEF, vermeerderd met 35.000 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 17 maart 1992 van leverancier E. met betrekking tot een voertuig van het merk Rolls Royce voor de prijs van 1.630.000 BEF, vermeerderd met 537.900 BEF BTW.

• Factuur … d.d. 3 april 1992 van leverancier A. Z. met betrekking tot een voertuig van het merk Mercedes voor de prijs van 2.065.000 BEF, vermeerderd met 409.675 BEF BTW.

Eiser ontkent niet dat deze voertuigen hem niet werden geleverd in de zin van artikel 10 W.BTW waardoor er strikt genomen geen recht op aftrek van voorbelasting kon worden uitgeoefend.

Evenwel verwijst hij naar de uitspraak van het Hof van Justitie d.d. 12 januari 2006, waarin het hof voor recht verklaarde :

Handelingen (…) die niet zelf het voorwerp van fraude met belasting over de toegevoegde waarde zijn, vormen leveringen van goederen door een als zodanig handelende belastingplichtige en een economische activiteit in de zin van de artikelen 2, punt 1, 4 en 5, lid 1, van de Zesde richtlijn (…), voor zover zij voldoen aan de objectieve criteria waarop voormelde begrippen zijn gegrond onafhankelijk van het oogmerk van een andere ondernemer dan de betrokken belastingplichtige die deel uitmaakt van dezelfde keten van leveringen en/of de eventuele frauduleuze aard, waarvan deze belastingplichtige geen weet had en geen weet kon hebben, van een andere handeling uit deze keten, die voorafgaat aan of volgt op de door voormelde belastingplichtige verrichte handeling. Het recht van een belastingplichtige die dergelijke handelingen verricht op aftrek van de voorbelasting, kan niet worden aangetast door het feit dat er in de keten van leveringen waarvan deze handelingen deel uitmaken, zonder dat deze belastingplichtige dit weet of kan weten, ten aanzien van een andere handeling die voorafgaat aan of volgt op de door laatstgenoemde verrichte handeling fraude met belasting over de toegevoegde waarde is of wordt gepleegd (H.v.J., 12 januari 2006, zaaknummers C-35403, C-355/03 en C-484/03, www.curia.europas.eu ).

Het feit dat een levering deel uitmaakt van een geheel van leveringen dat omschreven wordt als een BTW-caroussel, is bijgevolg onvoldoende om het recht op aftrek van de voorbelasting te weigeren. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie is bijkomend vereist dat de administratie aantoont dat hetzij de handeling zelf frauduleus van aard was, hetzij dat de belastingplichtige weet had of minstens weet kon hebben van voorafgaandelijke of navolgende fraude door andere ondernemers.

Volgens eiser blijkt zijn goede trouw uit het vonnis van de correctionele rechtbank alhier. Met name verwijst hij naar de overwegingen van dit vonnis waarin vastgesteld wordt dat :

• eiser de moed heeft gehad zijn vergissingen te erkennen.

• hij zich waarschijnlijk heeft laten gebruiken door de beklaagde L..

• het niet uitgesloten is dat hij zich de omvang van de fraude waarin hij is tussengekomen, niet onmiddellijk heeft gerealiseerd.

• zijn rol zeer beperkt was en betrekking had op minder dan 10 operaties.

• de tussenkomst van eiser eerder het gevolg was van onvoorzichtigheid of naïviteit dan een bewuste intentie deel te nemen aan een BTW-caroussel waarvan hij wellicht het mechanisme niet kende.

Eiser schijnt evenwel voorbij te gaan aan het feit dat hij, ondanks een gedeeltelijke vrijspraak, desalniettemin werd schuldig bevonden aan valsheid in geschriften en inbreuken op het W.BTW, met name voor wat betreft de valse facturen met betrekking tot de zogenaamde aankoop van de hoger vermelde Mitsubishi, de BentIey en de Volkswagen. Vermits van deze drie verrichten vaststaat dat ze frauduleus waren, kan eiser zich per definitie niet steunen op de rechtspraak van het Hof van Justitie.

De overige facturen worden in het vonnis niet met name aangeduid zodat mag aangenomen worden dat de strafrechter hierover geen uitspraak heeft gedaan. De door eiser geciteerde overwegingen kaderen in de motivering van de strafmaat en hebben derhalve eerder betrekking op de persoonlijkheid van de beklaagde dan op de ten laste gelegde feiten.

Het terugvorderen van de door eiser ten onrechte afgetrokken voorbelasting met betrekking tot 7 gefactureerde verrichtingen is trouwens geenszins tegenstrijdig met de vaststelling door de strafrechter dat eiser bij “minder dan 10” frauduleuze verrichten betrokken was.

Bovendien, zelfs al zou eiser zijn vrijgesproken op strafgebied, belet dit niet dat thans vaststaat dat de leveringen niet hebben plaatsgevonden én dat eiser hiervan kennis had, minstens kennis moest gehad hebben. Dit blijkt met name uit de vaststellingen in het proces-verbaal van 8 maart 1995, die onder meer gesteund zijn op verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd ten aanzien van de verbalisanten in het kader van het strafonderzoek en die hij tot op heden nooit heeft herroepen.

Zo verklaarde hij met betrekking tot de levering van de Rolls Royce dat hij het voertuig nooit gezien heeft, dat hem gevraagd werd de aankoopfactuur op te nemen in de boekhouding, dat hij de verkoopfactuur niet zelf heeft opgesteld doch dat deze hem ter ondertekening werd voorgelegd. dat er geen reële betalingen zijn gebeurd en dat hij tenslotte een 'commissie' ontving van 15 tot 30.000 BEF voor zijn tussenkomst. Een haast identiek scenario deed zich voor met betrekking tot de Audi, de Saab en de Mercedes.

Uit deze verklaringen blijkt met een absolute zekerheid dat eiser wist dat de leveringen fictief waren, en dus diende hij te weten dat hij met betrekking tot de desbetreffende facturen geen recht op aftrek kon uitoefenen. Daarenboven staat meteen ook vast dat de boeking van de vier leveringen zelf frauduleus van opzet was, zodat ook hier de aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie geen toepassing vindt.

Het middel is ongegrond.

3.2. Administratieve geldboete

3.2.1. Eiser is van oordeel dat de geldboete hem ten onrechte werd opgelegd, minstens dat deze onvoldoende werd gemotiveerd.

Overeenkomstig artikel 70, § 1bis W.BTW wordt aan ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van die belasting.

Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 30 januari 1987 nummer 40 betreffende de vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale boeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de schalen voor de proportionele vermindering van de boete niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Het proces-verbaal van 8 maart 1995 verwijst naar deze bepalingen en stelt dat een geldboete wordt opgelegd wegens onrechtmatig in aftrek brengen van de belasting, gelijk aan het dubbele van de onrechtmatige aftrek. Bovendien wordt hier onmiddellijk aan toegevoegd dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing is nu de overtreding in onderhavige zaak begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Eerder in het proces-verbaal worden de verklaringen die de verschillende betrokkenen hebben afgelegd ten aanzien van de verbalisanten uitvoerig geciteerd. De conclusies die de opsteller uit deze verklaringen heeft getrokken, worden weergegeven op de pagina's 22 en 23. Hier wordt de nadruk gelegd op het fictieve karakter van de verrichtingen en de geboekte betalingen. Van eiser wordt gezegd dat hij aanvaard heeft 'mee te spelen in een facturenspel' met het oog op persoonlijk geldgewin.

Bijgevolg werd de beslissing om aan eiser een administratieve geldboete op te leggen van 200 %, op rechtsgeldige wijze gemotiveerd.

3.2.2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld (Cass. 24 januari 2002, www.cass;be , 20020124-10).

Het bewust gebruik maken van valse stukken met het oog op de ontduiking van belasting is een bijzonder ernstige inbreuk die bestraft dient te worden met een maatregel met een voldoende ontradend karakter, De opgelegde administratieve boete is dan ook geenszins onredelijk in verhouding tot de inbreuk.

De opgelegde boete wijkt niet af van de in vergelijkbare gevallen doorgaans opgelegde boetes. In het geval van ontduiking van de belasting beschikt de administratie immers niet over een rechtsgrond om de wettelijk voorgeschreven administratieve geldboete te herleiden.

Tot slot was aan eiser, op het ogenblik van het uitvaardigen en zelfs op het tijdstip van het ter kennis brengen van het dwangbevel, voorafgaandelijk nog geen andere straf opgelegd.

Bijgevolg is er geen enkele reden om over te gaan tot vermindering van de opgelegde geldboete.

De vordering is derhalve ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot betaling van de gedingkosten, begroot op € 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 20 mei 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H.; rechter;

Mevrouw I D., griffier.

I. D. P. H

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8