Recht op aftrek, Bewijs, Intracommunautaire levering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 5 mei 2020

Zoeken

Recht op aftrek, Bewijs, Intracommunautaire levering

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijs-omzet-intracommunautaire-rechtbank-2020-05-2cb3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
5 mei 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 05.05.2020

WF 709-15-18/057142

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Bewijs - Omzet – Intracommunautaire levering

Wettelijke bepalingen

Artikelen 39bis, 1ste lid, 45, §1 en 59, §1, WBTW

Art 1, §2 - KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Eiseres is ingeschreven als btw-belastingplichtige voor de activiteit van boekhouder. Na controle bij eiseres werden verschillende overtredingen opgenomen in een proces-verbaal. Op basis hiervan werd er een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard in 2017, waarna eiseres de nietigverklaring vorderde van dit dwangbevel voor de rechtbank van eerste aanleg.

2) Het vonnis in eerste aanleg

* Recht op aftrek

Voor een aantal in het proces-verbaal opgenomen handelingen legt eisers geen regelmatige facturen voor. Voor andere handelingen wordt door eiseres geen factuur voorgelegd.

De administratie is derhalve van mening dat eiseres de op haar rustende bewijslast voor uitoefening van het recht op aftrek niet inlost.

De rechtbank acht het recht op aftrek met betrekking tot deze handelingen dan ook niet bewezen.

Voor andere handelingen, opgenomen in het proces-verbaal, bewijst eiseres niet dat de diensten of goederen waarop de btw-aftrek betrekking heeft, bestemd zijn of gebruikt worden voor de doeleinden van haar economische activiteit. De hieromtrent gedane beweringen door eiseres zijn niet verifieerbaar.

Ook voor deze handelingen acht de rechtbank het recht op aftrek dan ook niet bewezen.

* Intracommunautaire levering

Eiseres beweert dat zij een partij goederen verkocht. Een veilinghuis zou de intracommunautaire levering hebben uitgevoerd. Eiseres dient bij gevolg te bewijzen dat de toepassingsvoorwaarden van de vrijstellingsregeling conform artikel 39bis, eerste lid, 1° van het WBTW voldaan zijn. Zij brengt echter geen enkel stuk bij.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er Belgische btw verschuldigd is over de handeling in kwestie.

* Niet aangegeven omzet

In het proces-verbaal werd vastgesteld dat de totalen van de belastbare handelingen en/of de verschuldigde bedragen wiskundig onjuist waren of verkeerd werden overgedragen naar de respectievelijke roosters van de btw-aangiften. Er werd bijgevolg een te laag btw-bedrag aangegeven door eiseres.

Eiseres betwist deze doorgevoerde correctie inhoudelijk niet.

De rechtbank kwam dan ook tot het besluit dat de gehele vordering van eiseres ongegrond is.

Opmerking

Eiseres berust in het vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6E BURGERLIJKE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING, 5 MEI 2020

A.R. 18/3791/A

IN DE ZAAK VAN:

M.M.T. bvba, met zetel te ..., ondernemingsnummer 0439.... , Eiseres, vertegenwoordigd door meester ..., advocaat met kantoor te ...,

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, KBO nr. 0252.796.351, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum AALST, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4. Verweerder, voor wie optreedt ..., attaché bij een fiscaal bestuur?

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. Rechtspleging

De rechtbank nam ter gelegenheid van de openbare terechtzitting van 24 maart 2020 kennis van de briefwisseling van partijen, waaruit blijkt dat zij, in het kader van de preventiemaatregelen tegen de verspreiding van het Covid-19 virus, opteerden om niet te verschijnen ter terechtzitting. Zij verzochten de rechtbank om de zaak in beraad te nemen op grond van de neergelegde conclusies en stukken. De rechtbank ging in op het verzoek van partijen, sloot het debat en nam de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. Feiten, voorwerp en vorderingen van partijen

2.1.

Eiseres is geïdentificeerd als btw-plichtige onder het btw-registratienummer 0439.... voor de activiteiten van boekhouder.

Ingevolge een btw-controle in juni 2017 werd lastens eiseres op 17 november 2017 een dwangbevel uitgevaardigd met RCIV nr. 500/.... Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 november 2017. Het dwangbevel vermeldde als verschuldigde bedragen: btw ten belope van 44.225,69 EUR, proportionele geldboeten ten belope van 5.380,00 EUR en interesten.

Eiseres betwist dit dwangbevel. Zij vordert dat de rechtbank het dwangbevel vernietigt, dan wel ontheft en de terugbetaling beveelt van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer de moratoriuminteresten, minstens het dwangbevel herleidt tot de som van 27.070,41 EUR. Eiseres vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de gerechtskosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 EUR.

Verweerder vordert de vordering van eiseres ongegrond te verklaren en het bestreden proces-verbaal en dwangbevel te bevestigen, met veroordeling van eiseres tot de gedingkosten.

3. Beoordeling

3.1.

Over het recht op aftrek van eiseres

3.1.1.

Op grond van artikel 45, §1 WBTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en diensten, de voorbelasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van in de wet opgesomde handelingen.

Artikel 1, §2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bevestigt dat in geen geval voor aftrek in aanmerking komt, de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

De bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek van voorbelasting berust bij de belastingplichtige die de aftrek vordert. De werkelijkheid en het bedrag van een uitgave kunnen in principe bewezen worden aan de hand van een regelmatig in de boekhouding opgenomen inkomende, regelmatige factuur. Wanneer er evenwel gefundeerde twijfels bestaan nopens de gegrondheid van het beweerde aftrekrecht, kan de belastingadministratie van de belastingplichtige vragen dat hij aantoont dat de facturatie beantwoordt aan werkelijke leveringen of diensten die hij gebruikt (heeft) voor het verrichten van effectief belaste handelingen (vgl. Antwerpen 27 mei 2008, FJF 2010/4, met verwijzing naar L. Vandenberghe, Aftrek en teruggaaf van BTW, lntersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen­ Groningen, 1998, p. 350, nr. 439).

3.1.2.

Wat betreft de 6 handelingen opgelijst onder titel 1 van het proces-verbaal van 13 november 2017 (blz. 2) voor een totaal bedrag van 27.472,69 EUR aan afgetrokken btw, legt eiseres geen regelmatige factuur voor waaruit haar recht op aftrek blijkt.

Inzake drie handelingen (genummerd 55/2014, 77/2014 en 2015/12) brengt eiseres weliswaar 3 facturen bij uitgaande van de bvba Energy House, maar dienaangaande merkt verweerder in het proces-verbaal en/of besluiten op dat:

- de bvba Energy House een met eiseres verbonden onderneming was die failliet

verklaard werd op 2 april 2015;

- de omschrijving van de goederen of diensten in de facturen niet gedetailleerd werd;

- wat betreft factuur 2014/04/01, noch de factuurdatum, noch het factuurbedrag sporen met de bijlage waarnaar in de factuur verwezen wordt; de aangekochte partij goederen (producten inzake hernieuwbare energie en toebehoren) geen verband hield met de maatschappelijke activiteit van eiseres; de bvba Energy House deze prestatie niet opnam in haar btw-aangifte en er geen betaling van de factuur teruggevonden werd in het financiële dagboek van eiseres;

- wat betreft de overige twee facturen, noch betalingsbewijzen, noch verdere bewijsstukken bijgebracht werden.

Wat betreft de overige 3 in de boekhouding vermelde handelingen (13/2015, 64/2015 en 106/2015), ligt geen factuur voor.

De rechtbank kan, op basis van hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van 13 november 2017 en de besluiten van verweerder, onmogelijk nagaan of aan de materiële voorwaarden om het recht op aftrek uit te oefenen, is voldaan. Eiseres draagt ter zake nochtans de bewijslast. Dit middel van eiseres wordt bijgevolg afgewezen.

3.1.3.

Wat betreft de handelingen vermeld onder titel 2 van het proces-verbaal van 13 november 2017 (blz. 3) voor een totaal bedrag van 4.718,80 EUR aan afgetrokken btw, bewijst eiseres niet dat de diensten of de goederen waarop de btw-aftrek betrekking heeft, bestemd of gebruikt werden voor de doeleinden van haar economische activiteit. Eiseres' beweringen daaromtrent zijn niet verifieerbaar.

Verweerder heeft de btw-aftrek met betrekking tot deze facturen dan ook terecht verworpen.

3.2.

Omtrent de intracommunautaire levering

Eiseres stelt dat zij een partij goederen verkocht, waarvan de intracommunautaire levering uitgevoerd werd door veilinghuis Troostwijk dat instond voor de behandeling van de goederen. Zij paste een btw-vrijstelling toe op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW.

Eiseres, die zich op de vrijstelling voorzien bij artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW beroept, moet aantonen dat de voorwaarden voor toepassing van de vrijstellingsregeling vervuld zijn en meer bepaald aantonen dat verkochte goederen uit België werd uitgevoerd naar een land van de Gemeenschap.

Eiseres brengt ter zake geen enkel stuk bij, zodat verweerder terecht stelt dat de Belgische btw verschuldigd is op de betrokken btw-handeling.

3.3.

Omtrent de niet-aangegeven omzet

In het proces-verbaal van 13 november 2017 werd vastgesteld dat de totalen van de belastbare handelingen en/of verschuldigde diensten wiskundig onjuist waren of verkeerd werden overgedragen naar de respectievelijke roosters van de btw-aangiften. Het ging om een totaal bedrag van 9.585,80 EUR aan te weinig aangegeven btw.

Eiseres voert met betrekking tot deze doorgevoerde correctie geen inhoudelijke betwisting.

3.4.

Besluit

De vordering van eiseres is in haar geheel ongegrond.

4. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet bijgevolg de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.

Eiseres moet conform artikel 1017 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, naast haar eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond.

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 5 mei 2020, waar aanwezig waren: ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 39bis3 voorkomens
KB nr. 3 art. 11 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8