Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 05.03.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :
In de zaak : 96/59596/A
NV S.,
- financiële adviezen, coördinatie en beheer van werven en tussenpersonen in immobiliën;
- met zetel te …, …;
- ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …;
eiseres,
vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. V., loco Meester J. S., beiden advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door dhr. Minister van Financiën, wiens kantoren bevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat, 12;
op vervolging en benaarstiging van :
1) Dhr. Ontvanger van het 1° BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat, 31;
2) Dhr. Hoofdcontroleur der BTW te Kortrijk 1 met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat;
verweerder,
vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;
Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.
De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.
De besluiten en stukken werden ingezien.
Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak op 17 januari 2000 waarin reeds de feiten, antecedenten, betwistingen en de verzetsvordering (in fiscalibus) werden uiteengezet.
Het vonnis van 17 januari 2000 beslecht reeds definitief volgende betwisting tussen partijen : het probleem van de vermindering van de voorbelasting met de BTW op privé-uitgaven en de BTW die aan wettelijke aftrekbepalingen onderhevig is (artikel 45 Wetboek BTW) met de onderverdelingen :
a) afgehouden BTW (voorbelasting) met betrekking tot het eigen gebouw (woning) + tuin en open haard;
b) autokosten;
c) BTW met betrekking tot privé-uitgaven en geschenken.
Op sommige punten legde eiseres (verzetdoenster) zich neer bij het standpunt van de administratie, op de overige punten werd haar verzet ongegrond bevonden.
Het verzet van eiseres wat betreft deze voormelde betwisting komt in zijn geheel derhalve ongegrond voor en het standpunt van de administratie wordt bevestigd.
Het vonnis van 17 januari 2000 heeft het verzet toelaatbaar, ontvankelijk, tijdig en regelmatig naar de vorm verklaard.
Alvorens verder te oordelen nopens de al dan niet gegrondheid van het verzet, wat de overige discussiepunten tussen partijen betreft, werd de ambtshalve heropening der debatten bevolen (artikel 774 Ger.W.) ten einde partijen de gelegenheid te geven te antwoorden op de onder de punten II tot en met V gerezen vragen en onduidelijkheden en desgevallend de taxatie te herberekenen en aan te passen in cijfers.
Rechtzetting van een materiële vergissing geslopen op bladzijde 2 van het vonnis van 17 januari 2000.
Waar het vonnis vermeldt op bladzijde 2 dat de kwestige controle plaatsvond op 27 maart 1996 moet dit zijn 27 maart 1995.
Zoals correct gesteld in het vonnis van 17 januari 2000 betrof de controle de periode van 1 juli 1991 tot 30 juni 1994 (dit wil zeggen het boekjaar 91-92, boekjaar 92-93 en boekjaar 93-94).
Punt II : Wat de aftrekregeling betreft zoals van toepassing na hetgeen reeds onder punt 1 werd beslist. (bij vonnis d.d. 17 januari 2000)
Eiseres dringt ten zeerste aan op de toepassing van de aftrek volgens werkelijk gebruik, wat betreft de gecontroleerde periode, dus retroactief toe te passen door de administratie.
Het is evenwel eiseres die zal moeten aantonen dat zij in de voorwaarden verkeert om op deze aftrek aanspraak te maken voor het verleden, met andere woorden dat de aftrek volgens werkelijk gebruik zich als logisch opdringt voor het verleden (de in casu gecontroleerde periode).
In casu handelt de problematiek niet over een taxatie voor ontdoken of te weinig betaalde BTW, doch integendeel om verwerping door verweerder van door eiseres reeds uitgevoerde te veel afgetrokken BTW.
In het proces-verbaal van 15 juni 1995 van D. J., verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, bij het dwangbevel gevoegd, onderbouwt de administratie haar weigering op 2 gronden :
1° met te zeggen dat er vooreerst geen verzoek was ingediend door eiseres tot aftrek volgens het werkelijk gebruik;
(dit verzoek van eiseres, ook voor het verleden, is er eerst gekomen bij brief van 21 augustus 1995 en werd door de administratie enkel toegestaan voor de toekomst);
2° dat uit het door eiseres voorgelegd inkomend facturenboek voor de boekjaren 91-92 tot en met 93-94 bleek dat eiseres de aftrek van voorbelasting uitoefende zonder daarbij rekening te houden met hetzij artikel 46, § 1, hetzij artikel 46, § 2 Wetboek-BTW).
Eiseres heeft gewoon de aangerekende BTW integraal afgetrokken, voor 100 % (alhoewel zij zelf stelt en toegeeft een gemengd belastingplichtige te zijn).
Dit is en kan geen aftrek volgens werkelijk gebruik zijn.
Het proces-verbaal heeft twee functies, enerzijds de motivering van een dwangbevel, anderzijds een bewijsmiddel.
Als bewijsmiddel kan een proces-verbaal zeer zeker aangevuld worden.
In zoverre evenwel het proces-verbaal het dwangbevel motiveert, als eigenlijke motivering van het dwangbevel daarentegen, is geen wijziging of aanvulling mogelijk.
Verweerder kan dienvolgens zeer zeker het proces-verbaal als bewijsmiddel aanvullen en kan alvast op elk element dat eiseres aanhaalt om te bewijzen dat zij het recht op aftrek wegens werkelijk gebruik zou verdienen, antwoorden en aldus verder tegen indiceren dat zij zulks niet verdient.
Verweerder handelt aldus in alle geval niet in strijd met de Wet Motivering Bestuurshandelingen waarvan de rechtbank voor zoveel als nodig zegt dat zij ze niet als van openbare orde aanziet zodat eiseres een belang moet bewijzen om zich op de sancties van deze Wet te beroepen en welk belang ontbreekt wanneer eiseres, zoals in deze, zeer goed wist waarover het gaat en in staat was een behoorlijk gemotiveerd verzet in te dienen.
Verweerder is alvast nooit teruggekomen op een eerder aangenomen afwijkend standpunt inzake de aftrekregeling voor eiseres om de eenvoudige reden dat het hier om de eerste BTW-controle blijkt te gaan sedert de registratie van eiseres als BTW-belastingplichtige.
Verweerder haalt een dat het arrest van de Raad van State d.d. 3 november 1997, IXe kamer, inzake S. tegen de Belgische Staat, waaruit geciteerd werd op blz. 7 van het vonnis van 17 januari 2000 en waarin het principe van de retroactieve gunning van de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik aan de orde kwam, een geval betrof van een BTW-belastingplichtige die effectief in het verleden reeds de facto de aftrek wegens werkelijk gebruik had toegepast (zonder vergunning), wat bij eiseres niet het geval was nu zij gewoon de 100 % aftrekregeling toepaste zonder meer.
De regeling van de aftrek volgens werkelijk gebruik impliceert dat de belastingplichtige een aangepaste boekhouding voert, waaruit de aanwending van de investerings- en gebruiksgoederen duidelijk blijkt (en dus controleerbaar is) en waarbij met betrekking tot de gemeenschappelijke algemene onkosten (telefoon, verwarming, verlichting en verbruiksgoederen) zonodig hetzij een algemeen, hetzij een bijzonder verhoudingsgetal wordt toegepast (cfr. Aanschrijving nummer 17 van 29 juli 1975 - tweede afdeling - stuk 19 verweerder).
In het geval van een dergelijke boekhouding (zoals voormeld), evenals in het geval dat iemand gemengd belastingplichtige is ingevolge meerdere duidelijk onderscheiden activiteiten, is het duidelijk dat de regel van de aftrek volgens werkelijk gebruik in feite evident en logisch is zodat er geen bezwaren zijn om in deze gevallen een vergunning voor aftrek volgens werkelijk gebruik, ook voor het verleden toe te staan.
Eiseres bevindt zich evenwel in geen van deze (2) gevallen (voormeld).
Eiseres haalt aan dat zij van verweerder wel vanaf 28 augustus 1995 de aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik mocht toepassen en dit terwijl in al die tijd haar werkzaamheden niet of nauwelijks zijn gewijzigd.
Verweerder laat uitschijnen dat eiseres ook op heden nog niet geleerd wil hebben hoe dit systeem van aftrek volgens werkelijk gebruik dan wel effectief werkt en boekhoudkundig dient verwerkt.
Verweerder haalt aan in besluiten neergelegd op 12 mei 2000, blz. 2, 3°§ :
"Bij nazicht van de jaarrekeningen, door eiseres opgemaakt voor de jaren 1994 t/m 1999, blijkt dat in de post 'niet-aftrekbare BTW’ uitsluitend de niet aftrekbare BTW van 50 % m.b.t. de gemaakte autokosten wordt geboekt." (met andere woorden voor de rest wordt opnieuw alle BTW aan 100 % afgetrokken ... )
Het is in alle geval eiseres die de bestemming voor handelingen die recht op aftrek verlenen, zou moeten bewijzen en eiseres beweert veel meer dan zij bewijst.
Nu de rechtbank reeds over de aftrek van de voorbelasting op investeringen (gebouw) heeft beslist in het vonnis van 17 januari 2000, handelt de discussie over het recht op aftrek volgens werkelijk gebruik bij eiseres in hoofdzaak nog over de opdeling der algemene kosten.
Daar waar blijkbaar de aanwijzing/verdeling van de genaamde algemene onkosten over de wel en niet BTW-plichtige activiteit van eiseres ook op heden nog problematisch en moeilijk controleerbaar zou kunnen zijn, geldt dit ongetwijfeld nog veel meer wat het verleden betreft.
In casu brengt de immobiliënsector, waarin eiseres actief is, met zich dat er gronden of onverdeelde aandelen in gronden worden verkocht, alsook verkopen plaatsvinden van appartementen met registratierecht, welke handelingen buiten de werkingssfeer van het Wetboek BTW vallen en bijgevolg geen recht op aftrek geven.
Eiseres kan niet geloofwaardig zomaar voorhouden dat er voorafgaand aan de verkoop van gronden en grondaandelen in onroerende goederen geen opmetingen, bodemattesten, publiciteit enz. nodig zijn.
Ook met betrekking tot de onroerende verhuur moeten er kosten worden gemaakt voor publiciteit, akten, verzekeringen, rondleiding met potentiële huurders, administratiekosten voor de opvolging van de betalingen, nazicht van de staat van het goed bij de beëindiging van de huur en terugbetaling van de borgsommen.
Van algemene onkosten (zoals verwarming, elektriciteit, telefoon, kantoormateriaal, verbruiksgoederen zoals papier …) is het evident dat deze een algemeen gemengd karakter hebben en juist niet-exclusief binnen het kader van de BTW-activiteit worden aangewend en in gevallen zoals dit (waar eiseres gewoon 100 % BTW voorbelasting aftrekt zonder meer) kan post factum nog moeilijk een verdeling volgens het bestemmingsbeginsel worden verricht.
Aan eiseres werd terecht de aftrek volgens werkelijk gebruik voor de gecontroleerde periode geweigerd.
In beginsel dient alsdan het algemeen verhoudingsgetal van artikel 46, § 1 Wetboek-BTW te worden toegepast waarbij in casu concreet de algemenen onkosten worden afgemeten aan hun aandeel in de omzet en komt het algemeen verhoudingsgetal in feite overeen met een bijzonder verhoudingsgetal.
(het aandeel in de omzet is een door eiseres zelf geciteerd bruikbaar criterium voor een (bijzonder) verhoudingsgetal.
In de jaren dat de omzet bijna uitsluitend betrekking heeft op verkoop van gronden en huurgelden is het evident dat de algemene onkosten grotendeels niet aftrekbaar zijn.
Eiseres haalt niet aan en toont niet aan dat dit algemeen verhoudingsgetal tot ongelijkheid in de heffing van de belasting zou leiden.
Een algemeen verhoudingsgetal dat in zijn praktische toepassing overeenstemt met een bijzonder verhoudingsgetal voor de algemene onkosten, kan alvast niet strijdig zijn mat de zesde BTW-richtlijn (die precies ook een pro rata-systeem, bijzonder verhoudingsgetal voorschrijft inzake de aftrek van BTW geheven op goederen en diensten die zowel voor de belastbare als voor de niet belastbare sector gebruikt worden).
Wat de berekening van het algemeen verhoudingsgetal betreft.
• Inzake de TV. NV W.-NV S. neemt verweerder de argumentatie van eiseres aan en bepaalt het verhoudingsgetal met betrekking 1992-1993 derhalve op :
1.971.667 fr. (inkomsten binnen de BTW-werkingssfeer)
3.016.667 Fr. (alle inkomsten)
of afgerond 1.972.000 = 65,36 of 65 % afgerond.
3.017.000
+ Berekening van de inkomsten buiten de werkingssfeer :
1.712.509 fr. - 667.509 fr. = 1.045.000 fr.
1.971.667 fr. + 1.045.000 fr. : 3.016.667 fr.
Aldus is er aftrekbaar met betrekking tot 1992-1993 :
281.185 fr. x 65 % (in plaats van 54 %) = 182.770 fr.
in plaats van 151.840 fr., hetzij 30.930 fr. BTW verschil.
De verkoop van de Residentie E., van aandelen in de FV G. en de FV D. G. S. zijn niet te beschouwen als de verkoop van bedrijfsmiddelen.
Vooreerst is het zo dat in de resultatenrekening (stuk 15 a verweerder) deze zijn opgenomen onder de rubriek van de gewone "omzet-verkopen" en niet onder de uitzonderlijke baten/opbrengsten (stuk 21 verweerder).
Bedrijfsmiddelen daarentegen zijn lichamelijke, roerende of onroerende goederen die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten or exploitatiemiddelen (KB nr. 3 van 10 december 1969, artikel 6, § 1).
Artikel 13, 2° van het voormeld KB nr. 3 schrijft de uitsluiting voor van de opbrengsten van en de inkomsten uit roerende verrichtingen (verkoop van grond, onroerende verhuur enz.), tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke beroepswerkzaamheid van die aard (immobiliënkantoor), hetgeen in casu het geval is.
Wat de verkoop van aandeel in de optie-overeenkomst met de NV R. betreft (ook nog NV P. genoemd in besluiten).
Deze verkoop is geboekt onder de rubriek omzet (stuk 15 b verweerder).
Verweerder houdt zich terecht aan de omschrijving "verkoop aandeel optie-overeenkomst" zoals vermeld in de resultatenrekening, dit gelet op verschillende boekhoudkundige eigenaardigheden waarop eiseres geen sluitend en eenduidig antwoord kan geven zodat verweerder terecht aanneemt dat eiseres niet bewijst dat het hier om een terugbetaling van rechten zou gaan.
Deze boekhoudkundige eigenaardigheden zijn de volgende :
- de aankoopoptie doteert van 25 januari 1993 terwijl de zogezegde terugbetaling van in totaal 300.000 fr. via twee verrichtingen van telkens 150.000 fr. reeds op 26 januari 1993 en 23 februari 1993 door de NV R. is geschied;
dit is duidelijk in tegenstelling met de weerlegging en uitleg van de zaakvoerder van eiseres van 12 juni 1995 : " ... wegens het jaarverschil tussen de datum van betaling van 600.000 fr. en de datum van recuperatie van 300.000 fr. konden wij boekhoudkundig niet anders dan de betaling in opbrengsten boeken". (de jaarrekening loopt van 1 juli tot 30 juni van het erop volgende jaar);
- ondanks de zogezegde terugbetaling in januari en februari door K. komt in het dagboek van eiseres op 22 maart 1993 en 1 april 1993 nog een boeking "verkoop goederen" van 150.000 fr. in debet en krediet voor, dewelke niet is opgenomen in de resultatenrekening (en het is een noodzaak of het is althans ten zeerste aangewezen om de terugbetaling van een voorschot te boeken via de resultatenrekening (opbrengst) om een neutrale verrichting te bekomen);
- blijkens de post “600.000 - aankopen goederen" in de ontleding van de resultatenrekening heeft eiseres kennelijk slechts 25 pct. optie-aandeel in plaats van 50 pct.;
- uit de akte van 25 januari 1993 blijkt ook nog de NV O. als derde vennootschap solidair en ondeelbaar samen met de NV R. en eiseres als optienemer aangeduid te zijn.
Voor zoveel als nodigt gezien eiseres dit achteraf niet meer lijkt te betwistent wordt nog vermeld dat ook het grondaandeel is ondergebracht in de rubriek voorraden (stuk 15 verweerder).
Punt III : Wat betreft de teruggevorderde BTW op voorgehouden verloren schuldvorderingen.
Ook hier moet er voorafgaandelijk op gewezen worden dat het eiseres is die de bewijslast draagt van het verloren gaan van haar schuldvorderingen op debiteuren, wat uiteraard ook impliceert dat deze schuldvorderingen eerst moeten hebben bestaan en zeker waren.
Wat betreft het proces-verbaal bij het dwangbevel als bewijsmiddel en de Wet Motivering Bestuurshandelingen, geldt ook hier het standpunt dat de rechtbank innam op dit vlak bij de behandeling van de aftrekregeling volgens werkelijk gebruik - verhoudingsgetal.
Dit standpunt wordt alhier eveneens toepasselijk en als herhaald beschouwd.
Ook hier is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast voldoet en deelt het standpunt van de administratie.
De administratie van de BTW is in geen enkele mate gebonden door de houding van de Directe Belastingen.
Uit de besluiten en stukken komt naar voor dat de administratie van de BTW dit onderdeel goed heeft onderzocht en daarbij op zoveel boekhoudkundige eigenaardigheden, soms tegenstrijdigheden en ongerijmdheden is gestoten dat het - soms in de loop van het geding bijgestuurd verhaal - van eiseres niet kan kloppen.
Eiseres weet geen stuitend en eenduidig standpunt in te nemen wat tevens een voldoende antwoord geeft op de vele boekhoudkundige eigenaardigheden.
Aanvankelijk, tijdens de controle, waren er geen creditnota's.
Deze duiken nadien op en verweerder wijst in het licht van de vele boekhoudkundige ongerijmdheden terecht op gevaren : interne creditnota's zijn niet tegenstelbaar aan derden (zoals de fiscus).
Het annuleren van vorderingen op bedrijven waarvan de zaakvoerder (V.) dezelfde is als bij de NV S. (eiseres) kunnen niet zonder meer worden aangenomen.
Er zou kunnen worden geprobeerd om betalingen van klanten buiten de boekhouding van de vennootschap te houden, mits het boekhoudkundig "corrigeren" met eenzijdig opgemaakte creditnota’s (en de belastbare winst van de vennootschap wordt op deze wijze eveneens verminderd).
Voor het detail van de boekhoudkundige eigenaardigheden en ongerijmdheden waar eiseres geen sluitend antwoord weet op te geven, verwijst de rechtbank naar :
- 2e antwoordbesluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 13 oktober 1997, punt III B blz. 7 onderaan en 8 tot het midden;
- 3e antwoordbesluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 13 maart 1998 - punt III 8 blz. 4-5 en 6 bovenaan;
- 2e besluiten na vonnis van 17 januari 2000 van verweerder neergelegd ter griffie op 21 september 2000 - punt III blz. 3 onderaan 4-5 en 6.
Het gevolg van dit alles is dat eiseres tekortschiet in naar bewijslast.
Er zijn geen aangiftes in enig faillissement neergelegd (ook niet in dat van M.V.B. - het vroegere A.).
Het attest (stuk 23) van de curator dat eiseres voorlegt en stelt dat er voor de gewone schuldeisers geen dividend zal kunnen worden uitgekeerd, is hic et nunc van geen belang nu er niet blijkt dat eiseres aangifte van schuldvordering deed en voor welk bedrag deze schuldvordering als zeker en vaststaand is te beschouwen.
Laten wij niet uit het oog verliezen dat eiseres hier op dit onderdeel de bewijslast draagt en dat het verweerder vrij staat de bewijslevering op alle mogelijke manieren in twijfel te trekken en te betwisten.
Een sluitende bewijslevering wordt door eiseres niet geleverd.
Punt IV : Wat betreft de voordelen van alle aard (ter beschikkingstelling van een wagen in natura door de vennootschap aan de gedelegeerde bestuurder).
De rechtbank verwijst vooreerst naar wat gesteld werd onder a) onderaan blz. 8 van her vonnis van 17 januari 2000.
De private aankoop van brandstof/wagens ten bedage van 140.000 fr. is tot op heden niet bewezen (er worden geen aankoopbewijzen ten private titel en privaat gefinancierd, voorgelegd).
De rechtbank kan hier dan ook verder geen rekening mee houden.
Wat de redenering onder punt b), blz. 9 en 10 bovenaan van het vonnis van 17 januari 2000 betreft, wenst de rechtbank op te merken dat deze enkel opgaat en van toepassing is vanaf 1 januari 1993.
Wanneer de aftrek van BTW-voorbelasting op de aanschaf van een personenwagen voor eiseres als gemengd BTW-belastingplichtige (evenals voor vele andere BTW-belastingplichtigen die in deze situatie verkeren) ingevolge artikel 45, § 2 Wetboek-BTW beperkt is tot maximaal 50 % en vanaf 1 januari 1993 eveneens de maatstaf van BTW-heffing op het voordeel in natura van het ter beschikking stellen van deze personenwagen door de vennootschap aan haar gedelegeerd bestuurder beperkt is tot 50 %, dan komt de neutraliteit van de BTW-heffing nergens in het gedrang en er is dus geen gevaar voor heffing van BTW op BTW.
Nader onderzoek van de Rechtspraak en Rechtsleer door partijen voorgelegd na het vonnis van 17 januari 2000 leert dat de administratie precies de beslissing nam die de maatstaf van heffing op het voordeel in natura van het ter beschikking stellen van een wagen door de vennootschap aan haar afgevaardigd beheerder heeft beperkt tot 50 % (beslissing nr. ET 76.476 van 25 september 1992 toepasselijk vanaf 1 januari 1993) onder druk van bepaalde rechtspraak van het Hof van Justitie en om eventuele economische dubbele belasting te vermijden.
Verwezen kan worden naar volgende arresten van het Hof van Justitie :
- het arrest Kühne van het Hof van Justitie van 27 juni 1989 (F.J.F., N. 90/26, 60);
- het arrest Mohsche van het Hof van Justitie van 25 mei 1993 (PB EG nr. C 173/16, 24 juni 1993).
Het arrest Mohsche noopte zeer duidelijk tot beperking van de maatstaf van heffing met betrekking tot diensten aan zichzelf tot dat gedeelte van de uitgaven waarvoor er recht op aftrek van voorbelasting heeft bestaan.
Wanneer verweerder ook voor de periode voorafgaand aan 1993 de maatstaf van heffing voor het voordeel in natura op 100 % van zijn waarde wil toepassen dan kan dit niet want dit leidt tot economische dubbele belasting.
De vennootschap heeft immers de BTW op de personenwagen slechts voor 50 % in aftrek kunnen brengen (ingevolge artikel 45, § 2 Wetboek-BTW).
De niet-recupereerbare BTW is een deel van de kostprijs van de wagen.
Indien men dan BTW aanrekent op het volledig voordeel met betrekking tot het ter beschikking stellen van de wagen, heft men gedeeltelijk BTW op BTW.
Dit is in strijd met het neutraliteitsbeginsel van de BTW.
Om deze redenen (gevaar voor economische dubbele belasting, strijdig met BTW-neutraliteit) dient ook, al was de beslissing ET 76.476 van 25 september 1992 stricto sensu nog niet van toepassing, het voordeel van alle aard (auto) weerhouden door de BTW-administratie voor de periode juli tot december 1992 met 50 % verminderd te worden van 53.556 fr. tot 26.778 fr.
19,5 % BTW op 26.778 fr. geeft dan 5.222 fr. BTW (in plaats van 10.443 fr.).
Punt V : Wat de boetes betreft.
Een boete van 10 % op het BTW-bedrag waarop verweerder gerechtigd is komt na controle door de rechtbank, verantwoord voor.
Verweerder heeft in besluiten neergelegd na het vonnis van 17 januari 2000 zijn vordering aan boetes herleid tot 10 %.
Waar hij (verweerder) aanvankelijk een verhoging van de boete met 50 % vorderde omdat een dwangbevel moest worden ter kennis gegeven aan eiseres, was dit alvast in strijd met artikel 6 EVRM daar het de toegang tot de onafhankelijke rechter, waar eiseres recht op heeft, al te zeer en zonder evidente reden bemoeilijkte.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende op tegenspraak.
Wijst het verzet, bij vonnis van 17 januari 2000 reeds toelaatbaar, ontvankelijk, tijdig en regelmatig naar de vorm verklaard, af als merendeels ongegrond, dit wil zeggen met uitzondering van de correctie van het algemeen verhoudingsgetal 1992-1993 dat op 65 % wordt bepaald, de 50 % stijging van de boete wegens het uitvaardigen en kennisgeven van een dwangbevel die niet kan worden toegestaan en de voordelen van alle aard (wagen) met betrekking tot de periode juli tot december 1991 waar de maatstaf van heffing eveneens op slechts 50 % van het geraamde voordeel in natura wordt bepaald.
Doet enkel op deze punten het bestreden dwangbevel teniet en zegt dat de administratie conform de principes van dit vonnis dient te taxeren.
Legt de geding- en gerechtskosten ten laste van eiseres, zowel deze aan haar zijde gevallen, als deze aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 12.900 fr. (besluiten neergelegd op 21 september 2000).
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement (zoals door eiseres zelf gevorderd).
Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op VIJF MAART TWEEDUIZEND EN EEN.
Aanwezig :
M. B., alleenzetelend rechter,
G. H., griffier.
G. H. M. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.