Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 27.03.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 MAART 2012
Rolnummer AR 10/3897/A
In de zaak van :
De NV V. H., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …;
eiseres,
hebbende als raadsman A. A. CVBA, voor wie optreedt Mter. F. V., kantoorhoudende te …, …;
tegen :
1. De BELGISCHE STAAT, Kabinet van de Minister van Financiën, gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. De BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Sint-Niklaas, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, bus 2, vertegenwoordigd door de Directeur, kantoorhoudende te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
verweerders,
ter zitting vertegenwoordigd door dhr. J. V. B. en dhr. D. D. B., beiden inspecteurs bij een fiscaal bestuur.
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. De rechtspleging
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 21 februari 2012 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 28 oktober 2010 en de conclusies van de partijen.
2. De vordering
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel, haar ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 23 september 2010, gekend onder het RCIV-nummer …, uitgevaardigd op 14 september 2010 door de heer D. D. B., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Sint-Niklaas, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 september 2010 door mevrouw A. V. D. S., e.a. Inspecteur a.i., hiertoe aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen.
De eiseres vordert de vernietiging van het voornoemde dwangbevel en te zeggen voor recht dat het dwangbevel van nul en generlei waarde is, de terugbetaling van de op grond van het bestreden dwangbevel ten onrechte geïnde bedragen, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.300 EUR.
3. De relevante feiten en het geschil
De eiseres baat een groothandel in meubelbeslag uit.
Op 1 oktober 2008 heeft de eiseres een huurovereenkomst afgesloten met de C.. VA, A. H.. De huur had betrekking op een onroerend goed, gelegen in de … te …. Het onroerend goed zou fungeren als ontmoetings-en vergadercentrum, een zogenaamd "meet & greet center''.
Op 27 januari 2010 en 24 maart 2010 werd een controle uitgevoerd door de heer D. D. B., Inspecteur bij de FOD Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit BTW, inzake de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering voor de periode van 1 juli 2007 tot 30 juni 2009.
De controle had hoofdzakelijk betrekking op de inkomende facturatie welke betrekking had op verbouwingswerken aan het onroerend goed, gelegen in de … te ….
Tijdens de controle zouden inbreuken zijn vastgesteld op de toepassing van artikel 45, § 1 en § 3 W.BTW. Het uitgeoefende recht op aftrek inzake renovatiewerken, onderhoudswerken en andere werken aan het onroerend goed werd aanvaard voor 10 %. Het recht op aftrek dat werd uitgeoefend met betrekking tot de facturen die betrekking hebben op meubilair werd niet aanvaard, met uitzondering op een plasma-tv waarvan het uitgeoefende recht op aftrek voor 20 % werd aanvaard.
De administratie verwierp ook het uitgeoefende recht op aftrek inzake BTW ten aanzien van de restaurant- en hotelkosten.
Na de controle werd aan de eiseres op 24 maart 2010 een correctieopgave toegezonden, waarin werd gesteld dat een bedrag van 62.331,76 EUR verschuldigd was aan de administratie, vermeerderd met de wettelijke intresten op dit bedrag vanaf 21 juli 2009.
Bij brief d.d. 10 mei 2010 heeft de eiseres geantwoord dat ze niet akkoord kon gaan met de in de correctieopgave opgenomen vermeende overtredingen.
Vervolgens deelde de administratie op 15 juni 2010 mee dat zij haar standpunt zoals opgenomen in de correctieopgave handhaafde.
Op 2 september 2010 ontving de eiseres een proces-verbaal, dat op 1 september 2010 werd opgemaakt door de heer D. D. B., Inspecteur bij de FOD Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit BTW, verbonden aan het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas.
Bij aangetekende brief d.d. 23 september 2010 werd aan de eiseres kennis gegeven van een dwangbevel, gekend onder het RCIV-nummer …, uitgevaardigd op 14 september 2010 door de heer D. D. B., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Sint-Niklaas, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 september 2010 door mevrouw A. V. D. S., e.a. Inspecteur a.i., hiertoe aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen.
Bij het gedinginleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 28 oktober 2010 tekende de eiseres verzet aan tegen het op 14 september 2010 uitgevaardigde dwangbevel.
4. Beoordeling
4.1. Met betrekking tot de aftrek van de huur, werken en meubilair met betrekking tot het betrokken onroerend goed.
4.1.1.
De eiseres voert aan dat ten onrechte wordt gesteld dat de geviseerde aftrek van BTW betrekking heeft op kosten die betrekking hebben op het onroerend goed, gelegen aan de … te …, niet gedeeltelijk of volledig bestemd zijn voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
Het onroerend goed dient volgens de eiseres te worden aangemerkt als een "meet and greet"-center, waarbij belangrijke zakenrelaties de mogelijkheid hebben om te vergaderen in een aangenaam kader. De huur van deze faciliteit was volgens de eiseres noodzakelijk omwille van de verbouwingswerken op haar site aan het … te …, waardoor ze in de materiële onmogelijkheid verkeerde cliënten te ontvangen.
De eiseres meent dat de investeringen die ze heeft verricht, tot haar het bedrijfsvermogen behoren, aangezien ze als rechtspersoon geen privépatrimonium bezit. Aangezien deze investeringen kwalificeren en geboekt zijn als een bedrijfsmiddel, stelt de eiseres dat de voorbelasting met betrekking tot de verkrijging van dit goed volledig in aftrek kan worden gebracht, voor zover de handelingen die ze verricht in het kader van haar economische activiteit, recht op aftrek geven. Aangezien niet wordt betwist dat ze een BTW-plichtige betreft met een volledig recht op aftrek, kan volgens de eiseres niet getornd worden aan het initieel recht op aftrek van BTW ten belope van 100 %.
4.1.2.
Krachtens artikel 45 WIB 92 komt het aan de eiseres toe het bewijs te leveren van haar recht op aftrek. Daartoe dient de eiseres inzonderheid aan te tonen dat de huur en werken aan de betrokken woning bestemd zijn voor haar belastbare activiteiten.
De erkenning vanwege de fiscale administratie dat het onroerend goed niet aangewend wordt voor privé-bewoning, bewijst op zich niet dat het voor de doeleinden van de economische activiteit wordt aangewend.
De huurovereenkomst die afgesloten werd met de vennootschap A. H. levert op zich niet het vereiste bewijs van het recht op aftrek.
Naar aanleiding van het plaatsbezoek op 27 januari 2010 stelde de controlerende ambtenaar het volgende vast : "Bij het betreden van de toegangspoort met camera was geen enkele verwijzing naar de NV V. H. of enige familienaam te bespeuren. De woning zelf, een grote oudere villa, werd tijdens de jaren 2008 en 2009 gedeeltelijk gerenoveerd, zowel buiten (onder meer de ramen) als binnen (onder meer schilder- en elektriciteitswerken), evenals de oprit en de uitgestrekte tuin. Verder werden de meeste woonruimten (onder andere een slaapkamer, de living, zithoek, keuken) volledig ingericht met gordijnen en meubilair.
Uit het plaatsbezoek is gebleken dat er op het adres … te … geen elementen aanwezig zijn die wijzen op een "meet and greet-center, zoals door de belastingplichtige wordt aangegeven, maar het pand eerder bestempeld dient te worden als een deels gerenoveerde en ingerichte luxewoning. De gebruikte materialen en het aanwezige meubilair, alsook de nieuw aangelegde oprit en tuin (met uitgegraven petanquebaan en bijhorend tuinmeubilair) wijzen erop dat hier activiteiten plaatsvinden die geen verband houden met de economische activiteit" (proces-verbaal p. 2).
Samen met de fiscale administratie, overweegt deze rechtbank dat :
- uit het plaatsbezoek geen objectieve elementen blijken die wijzen op de bestemming van het onroerend goed voor de economische activiteiten van de eiseres; en op basis van de vaststellingen blijkt dat het betrokken onroerend goed een luxueus uitgeruste en gestoffeerde villa betrof, die noch inzake de ruimte, noch wat betreft de uitrusting geschikt is om er vergaderingen te organiseren;
- de argumentatie van de eiseres onvoldoende geloofwaardig is, namelijk dat om tegemoet te komen aan een tijdelijk gebrek aan vergaderruimte wegens verbouwingen aan het hoofdgebouw, een villa wordt gehuurd waaraan eerst zelf nog verbouwingen dienen te gebeuren; en waarbij deze verbouwingen gebeuren door en op kosten van de huurder, waarbij deze huur na een tweetal jaren wordt opgezegd.
Bovendien wordt door de eiseres niet aangetoond dat de woning daadwerkelijk voor de uitoefening van haar economische activiteit en het verrichten van belastbare handelingen werd gebruikt. Dit onderdeel van de vordering van de eiseres is niet gegrond bij gebrek aan het bewijs, zoals vereist in artikel 45 W.BTW.
De rechtspraak waarnaar eiseres verwijst betreft concrete gevallen van beginnende belastingplichtigen, die op aannemelijke wijze aantoonden dat de gemaakte kosten en investeringen voorbereidende handelingen waren met betrekking tot hun toekomstige economische activiteiten. Deze rechtspraak is niet van toepassing op het voorliggende dossier.
De administratie heeft geoordeeld dat in het kader van een mogelijk occasioneel beroepsgebruik, een partiële aftrek ten bedrage van 10 % op de renovatiewerken, onderhoudswerken en andere werken wordt aanvaard, met uitzondering van de goederen die, gezien de aard ervan, volledig bestemd zijn voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit (uitrusting keuken, slaapkamer en tuin). De administratie heeft voor de plasma-tv 20 % recht op aftrek toegestaan.
4.2. Met betrekking tot de verwerking van de (gedeeltelijke) verwerping van de aftrek.
4.2.1.
Er dient een volgens de eiseres een onderscheid te worden gemaakt tussen loutere kosten uitgaven enerzijds en kapitaaluitgaven of investeringen anderzijds. De uitgaven betreffen volgens de eiseres investeringen die geactiveerd zijn op haar balans en die niet leiden tot de boeking van een kost. In deze omstandigheden kan er volgens de eiseres fiscaal-technisch geen sprake zijn van een verwerping van het recht op aftrek in één tijd.
De eiseres begrijpt niet hoe de administratie kan volhouden dat er geen sprake is van enig gemengd gebruik, alwaar zij zelf erkent dat bepaalde investeringen voor 10 % of 20 % voor BTW-doeleinden worden gebruikt.
Zo er al een wijziging van het uitgeoefende recht op aftrek aan de orde zou zijn, dient dit volgens de eiseres te gebeuren conform de herzieningsmethode zoals voorzien in artikel 11, § 1 van BTW-KB nr. 3 en bestond er ten tijde van de uitvaardiging van het dwangbevel geen enkele rechtsgrond om het recht op aftrek over de periode van 5 jaar in één tijd te verwerpen.
Zelfs indien de rechtbank zou oordelen dat de bedrijfsmiddelen in kwestie zouden aangewend worden voor privé-handelingen of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, dan zou volgens de eiseres hoogstens kunnen gesteld worden dat het percentage van 100 % aftrek voor de betrokken jaren dient te worden gereduceerd tot 10 % of 20 %. Aangezien op het moment van het uitvaardigen van het dwangbevel de herzieningstermijn nog niet geheel verstreken was, kon volgens de visie van de eiseres geen éénmalige verwerping van het recht op aftrek worden toegepast.
4.2.2.
De administratie stelt terecht dat de door het BTW-wetboek twee voorziene aanleidingen tot herziening in de gegeven omstandigheden niet van toepassing zijn. Er is zich met betrekking tot deze betwisting geen aanleiding tot herziening, in één tijd, noch een herziening jaar per jaar.
De door de administratie doorgevoerde regularisatie betreft een verwerping van de aftrek conform art. 45, § 1 BTW en KB nr. 3, artikel 1, zoals vermeld in het proces-verbaal.
4.2.3.
De renovatiewerken hebben niet de aard van een bedrijfsmiddel en hebben geen patrimoniale bestemming. Het zijn werken uitgevoerd aan een gehuurd pand.
Als bedrijfsmiddel kunnen enkel worden beschouwd de lichamelijke goederen bestemd om op duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen, zoals voorgeschreven in artikel 6 van KB nr. 3. In hoofde van de eiseres, zijnde de huurder, zijn de gemaakte kosten voor renovatie geen bedrijfsmiddel. Het arrest "Seeling" is in deze omstandigheden niet van toepassing.
4.3. Met betrekking tot de restaurant- en hotelkosten
4.3.1.
De eiseres wijst op de rechtspraak van het Hof van cassatie dat, in het bijzonder bij het arrest d.d. 11 maart 2010, oordeelde dat kosten van spijzen en dranken die worden gemaakt in het kader van een publicitair evenement ook als publiciteitskasten aan te merken zijn.
4.3.2.
Krachtens artikel 45, § 3, 3° en 4° W.BTW komen niet in aanmerking voor aftrek, de kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11°, tenzij enkele niet van toepassing zijnde uitzonderingen, alsmede de kosten van onthaal.
4.3.3.
De rechtbank moet ook omtrent dit onderdeel van de vordering vaststellen dat de eiseres op geen enkele manier aantoont dat deze kosten van logies, spijs en drank in rechtstreeks verband zouden staan met het voeren van publiciteit voor haar producten en dat deze kosten werden gemaakt om haar (potentiële) klanten ertoe aan te zetten deze producten te verkopen.
De eiseres toont niet aan in het kader van welk evenement de kosten werden gemaakt, waar en wanneer dit evenement plaatsgevonden heeft, hoe hieraan bekendheid gegeven werd en wie erop uitgenodigd werd. De eiseres laat na aan te tonen op welke wijze publiciteit werd gemaakt voor haar producten en met welke partners zij daarvoor samenwerkte. Ook dit onderdeel van de vordering van de eiseres is bij gebrek aan bewijs niet gegrond.
4.4. Met betrekking tot de gerechtskosten
De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, is geen rolrecht verschuldigd. Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt : 0 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op zevenentwintig maart tweeduizend en twaalf, waar aanwezig waren :
de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.