Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 07.06.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 03/796/A Rep. nr. 2004/7918
de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,
eiser op verzet,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …
tegen·:
1. de VOF A., (BTW-nr. …), met vennootschapszetel te …, …,
2. mevrouw V. F., zonder gekend beroep, wonende te FRANKRIJK, …, …, doch woonst kiezende bij haar raadsman hierna vermeld,
3. de heer V. J.-P., metaalbewerker, wonende te …, …
verweerders op verzet,
voor wie optreedt Meester D. B., advocaat met kantoor te …, …,
Gelet op het verstekvonnis de dato 27 januari 2003.
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 13 februari 2003.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de, door. partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 mei 2004.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. VOF A. is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van verlenen van advies.
Op 5 september 2002 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit sedert de oprichting en tot 31 december 2001.
Door de controlerende ambtenaar werd op 22 oktober 2002 een proces-verbaal opgesteld waarin de door de VOF A. begane overtredingen werden geacteerd.
Op 7 november 2002 werd door E. D. D., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Oostende, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op19 november 2002. geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. D., waarnemend gewestelijk directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 27 november 2002 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan VOF A..
Op 18 december 2002 tekenden verweerders op verzet verhaal aan tegen voormeld dwangbevel.
Op 27 januari 2003 werd vonnis bij verstek verleend.
2.2. Eiser op verzet vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens het vonnis van de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg, AR 02/3753/A, waartegen verzet, wordt vernietigd en dat opnieuw recht doende; de oorspronkelijke vordering van huidige verweerders op verzet ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Tevens vordert eiser op verzet dat verweerders op verzet solidair worden veroordeeld tot de kosten van beide procedures, en dat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
2.3. Verweerders op verzet vragen dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser op verzet wordt veroordeeld tot de kosten, in hun hoofde begroot op 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerders op verzet voeren geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van het verzet kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is het verzet ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. recht op aftrek
De VOF A. kan haar recht op aftrek maar uitoefenen op grond van een conforme factuur die voldoet aan artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992. De conformiteit van de factuur is immers de eerste voorwaarde om de aftrek van de door de leverancier in rekening gebrachte BTW te verkrijgen. Het wordt overeenkomstig de wettekst geacht een vormvoorwaarde te zijn om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen, en niet zomaar een bewijsregel.
Samen met eiser op verzet stelt de rechtbank vast dat de facturen, opgenomen onder rubriek 1 van het proces-verbaal van 22 oktober 2002, werden opgesteld op naam van een zekere S. J. i.p.v. de VOF A., zodat de erop geheven BTW in geen geval in aftrek mag gebracht worden in hoofde van de VOF A..
3.2.2. omzet
In casu blijkt dat geen enkel van de in het proces-verbaal weerhouden facturen terug te vinden zijn in het verkoopdagboek van de VOF A.. Ze werden evenmin opgenomen in de door haar ingediende periodieke BTW-aangiften.
Op grond van artikel 51, § 1, 3° W.BTW is eenieder, die opeen factuur of een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt.
In die omstandigheden heeft eiser op verzet met reden geoordeeld dat de verschuldigde BTW niet werd doorgestort.
3.3. nopens de kosten
Verweerders op verzet worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen;
3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad, zonder borgstelling, noch kantonnement
Gelet op de uitspraak heeft eiser op verzet belang bij de voorlopige tenuitvoerlegging.
Er is de rechtbank verder geen reden bekend op grond waarvan zij geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb.. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
De vordering van eiser op verzet is ongegrond voor wat betreft de gevorderde uitsluiting van het vermogen tot kantonnement in hoofde van verweerders op verzet. Het kantonnement is een recht van de veroordeelde partij. Conform artikel 1406 Ger. W., kan de rechter, die uitspraak doet over de vordering zelf, beslissen dat er geen reden is tot kantonnement, indien door de schuldeiser, die desbetreffende de bewijslast draagt, wordt aangetoond dat de vertraging in de regeling hem aan een ernstig nadeel blootstelt (Brussel, 25 april 1997, P & B, 1997, 224; DIRIX, E. en Broeckx, K. in A.P.R., Tw. Beslag, p. 1996, nr. 360). Aangezien eiser op verzet dit ernstig nadeel niet aanvoert en niet bewijst, kan het recht op kantonnement aan verweerders op verzet niet worden ontzegd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt dienvolgens het vonnis van de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg, AR 02/3753/A, waartegen verzet.
Verklaart de oorspronkelijke vordering van huidige verweerders op verzet ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt verweerders op verzet solidair tot de gedingkosten van beide procedures aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van eiser op verzet begroot op 342,09 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoding en 150,60 EUR dagvaardingskosten.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zeven juni tweeduizend en vier.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.