Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 22 november 2000

Zoeken

Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-bewijs-controlemaatregel-hof-van-beroep-brussel-2000-11-22-1fe1

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
22 november 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

86 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 22.11.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF VAN BEROEP BRUSSEL - Toegevoegde kamer “F” (wet van 9 juli 1997)

Nr. van de zaak : 1995/AR/2600

In zake van :

De N.V. E., met maatschappelijke zetel te …, …

Appellante,

Vertegenwoordigd door Meester H. loco Meester H. S., advocaat (…, …).

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Heer Ontvanger der BTW van Tienen, wiens kantoren gevestigd zijn te …, …,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester B. loco Meester J. H., advocaat, (…, …).


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzetting volgend arrest uit :

De processtukken

Gelet op de correctieopgave dd. 22/2/1990 waarbij de administratie der BTW, na een eerste bezoek ter plaatste, op 8/2/1990 – het recht op aftrek van appellanten verworpen heeft ivm. de verdieping, de garage en een lokaal naast de garage van een op 15/5/1987 in gebruik genomen nieuwbouw.

Gelet op het proces-verbaal dd. 19 juni 1992, opgesteld na een tweede bezoek ter plaatse op 10/2/1990.

EINDARREST – Ontvankelijk ongegrond.

Gelet op de inhoudingen, door de Staat gedaan (om betaling te bekomen van het kwestieus verworpen recht op aftrek), van de batige saldi die bleken uit de door appellante ingediende aangifte op 31/1/92, 30/4/92 en 31/7/92.

Gelet op de dagvaarding dd. 13/4/1993 waarbij de N.V. E. (thuis appellante) de Staat gedagvaard heeft in terugbetaling van … F.

Gelet op de besluiten van de N.V. E. dd. 19/1/1994 waarbij zij haar eis uitgebreid heeft tot een terugbetaling van … F (inhouding van … F mbt. De aangifte van 31/1/92 en inhouding van … F mbt. De aangifte van 30/4/92).

Gelet op het vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven van 3/5/1995 dat de vordering van de N.V. E. ongegrond verklaard heeft. Er wordt geen betekenisakte van dit vonnis neergelegd.

Gelet op het door appellante op 23/8/1995 ingestelde hoger beroep, dat ontvankelijk is.

Gelet op de besluiten van appellante.

Gelet op de besluiten en de aanvullende besluiten van de Staat.

Voorwerp van het hoger beroep

Het hoger beroep strekt ertoe te horen zeggen dat de Staat het recht op aftrek van de BTW op de verdieping, de garage en het lokaal naast de garage van de door appellante betaalde nieuwbouw ten onrechte verworpen heeft, en bijgevolg kwestieuze batige saldi (… F) van de door appellante ingediende aangiften m.b.t. de 3 eerste kwartalen van het jaar 1992, ten onrechte ingehouden heeft.

Appellante vraagt dat de Staat veroordeeld zou worden naar het ingehouden bedrag van … F, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de kosten, terug te betalen.

De feiten

De N.V. E. is als belastingplichtige geregistreerd wegens de activiteit van “bureau voor nijverheidsstudie, groot en kleinhandel in leder- en schoenwaren, toestellen en werktuigen voor handels- en nijverheidsgebruik” (proces-verbaal van 19/6/92, eerste blad).

Op 20 september 1985 heeft architect …, voor rekening van appellante (die toen gevestigd was aan de …, te …, in hetzelfde gebouw als …), een plan opgemaakt voor het “bouwen van een woning” aan de … kadastrale sectie …, d.i. de toekomstige … (stuk nr. 6 van de bundel van de Staat).

De benamingen die aan de geplande lokalen gegeven worden zijn de volgende :

“gelijkvloers : woonkamer, keuken, hall, bergplaats, garage en bureau.

“verdieping : slaapkamer 1, slaapkamer 2, badkamer, garderobe, badkamer”.

De nieuwbouw werd op 15 mei 1987 in gebruik genomen.

Op 27 mei 1988 liet appellante een wijzigingsplaats geworden aan de Heer Controleur van de BTW te Diest1 met de volgende uitleg :

“gelijkvloers : woonkamer = hoofdbureel : keuken = bureel; bureau = slaapkamer voor het logeren van buitenlandse klanten en/of zakenrelaties.

“verdieping : voorzien van mogelijke uitbreiding van onze activiteiten : is momenteel niet afgewerkt en niet in gebruik”.

Op 8 februari 1990 stelde de administratie van de BTW vast dat :

1.de verdieping nog niet afgewerkt en ingericht was, en niet in gebruik genomen was.

2.de garage voor de berging van een personenwagen diende.

3.het lokaal naast de garage (op plan als “bureau” aangeduid) als slaapkamer voor het logeren van buitenlandse klanten en/of zakenrelaties diende2.

Na een tweede bezoek ter plaatse op 10 december 1990, werd door de administratie het volgende vastgesteld :

1. wat de verdieping betreft : het lokaal “vergaderzaal” op het wijzigingsplan genoemd, was als bar uitgerust3 en het lokaal “slaapkamer en badkamer” op het wijzigingsplan genoemd, was nog niet afgewerkt maar diende voor de berging van privé goederen van de familie …, zoals tuinmeubelen.

2. wat de garage betreft : een Porsche personenwagen was er aanwezig, alsook privé goederen van de familie … wiens woning juist naast kwestieuze nieuwbouw van appellante, de N.V. … gelegen is.

3. wat het lokaal op het gelijkvloers betreft : dit lokaal diende nog steeds voor het logeren van gasten/relaties.

Bespreking

De bewijslast van het recht op aftrek berust bij appellante.

Luidens artikel 45, § 1, 1° Wetboek BTW komt de BTW voor aftrek in aanmerking indien de belastingplichtige de aan hem geleverde goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen die aan de belasting onderworpen zijn.

De goederen en diensten waarvan de BTW-aftrek wordt gevorderd, moeten aldus voldoende bijdragen tot de belaste activiteit van de belastingplichtige :m.a.w. moet er voldoende verband zijn tussen de uitgaven (terzake : de oprichtingskosten van de nieuwbouw) en de activiteit.

De vaststellingen van de administratie dd. 10 december 19904 zijn, in de zin van artikel 59, § 1, Wetboek BTW, bewijskrachtig zodanig de belastingplichtige het tegendeel niet aantoont.

Die vaststellingen wijzen erop dat op die datum de verdieping van de nieuwbouw van de … gedeeltelijk als bar uitgerust was en gedeeltelijk voor de berging van privé-goederen van de familie van de bestuurder van appellante diende, dat de garage ook als bergplaats van privé-goederen gebruikt was, en dat het lokaal naast de garage een slaapkamer was.

___

1 brief gevoegd aan het proces-verbaal van 19/6/1992 (stuk nr. 2 van de bundel van de Staat).

2 proces-verbaal 19/6/1992 blz. 2 en 3

3 de opstelling van het proces-verbaal dd. 10/6/92 voegt eraan toe dat de bestuurder van appellante, de … “heeft ook toegevoegd dat er in dit lokaal een privé-feest van de familie … werd georganiseerd” (proces-verbaal, blz. 3).

4 zie hierboven, de uiteenzetting der feiten.

Er blijkt niet uit de stukken van het dossier dat appellante het tegendeel van die vaststellingen aantoont. Appellante werpt in dit verband tevergeefs op dat de administratie niet bewijst dat de gestelde vertrekken “bij voortduur werden gebruikt voor privé- of andere doeleinden”5 en dat “het bewijs van het proces-verbaal slechts geldt voor de feiten die bestonden op het ogenblik dat zij werden vastgesteld”6.

___

5 besluiten appellante blz.9, lid 1

6 besluiten appellante blz. 9, lid 2.

Terzake bewijst appellante niet, terwijl de bewijslast op haar berust, dat er een verband bestaat tussen enerzijds de oprichtingskosten van de verdieping, van de garage en van het lokaal naast de garage die gebruikt werden als bar, als bergplaats van privé-goederen en als slaapkamer, en anderzijds haar activiteiten van “bureau voor nijverheidsstudie” en van “groot- en kleinhandel in leder- en schoenwaren, in toestellen en in werktuigen voor handels- en nijverheidsgebruik” (proces-verbaal van 19/6/92, eerste blad).

Appellante toont aldus o.a. niet aan dat het lokaal naast de garage als een slaapkamer (en badkamer ?) ingericht was en dat dit lokaal uitsluitend, daadwerkelijk en regelmatig gebruikt werd om buitenlandse klanten en zakenrelaties van haar “bureau voor nijverheidsstudie” of van haar activiteit als handelaarster in leder- en schoenwaren en toestellen voor handels- en nijverheidsgebruik, te logeren; zij tracht zelfs niet te bewijzen dat zij buitenlandse klanten heeft, dat hun bezoek en overnachting te … waarschijnlijk zijn, en dat die personen bij haar zijn komen slapen (en ontbijten ?) in plaats van in een hotel te overnachten.

Het is verwonderlijk dat op 10/12/1990 het lokaal “slaapkamer en badkamer” van de verdieping als bergplaats van o.a. tuinmeubelen diende, terwijl volgens appellante het “bureel” naast de garage als slaapkamer (en badkamer ?) diende.

De argumenten van appellante die de 5 of 10-jaarlijkse herzieningstermijn van afgetrokken BTW inroept, alsook de regels betreffende de onttrekking voor privé-doeleinden, het arrest Rompelman, en het feitelijk vermoeden dat de ontvangen nieuwbouw, in zijn geheel, voor de aanwending van het maatschappelijk doel van appellante bestemd werd, zijn terzake niet steekhoudend omdat appellante nooit bewezen heeft dat er, ab initio, een verband bestond tussen de kwestieuze lokalen en haar activiteiten als belastingplichtige.

Gelet op wat voorafgaat heeft de administratie terecht beschouwd dat de BTW berekend op basis van de oppervlakte van de betreffende lokalen niet aftrekbaar waren.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting de heer K. V. H., voorzitter, in zijn verslag.

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Wijs appellante in haar eis af en bevestigt het vonnis van eerste aanleg.

Veroordeelt appellante tot de kosten in graad van hoger beroep op … F voor appellante en op … F voor geïntimeerde.

Aldus gevonnist door :

- K. V. H., voorzitter,

- B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

- JP N. d. B., plaatsvervangend raadsheer,

magistraat en plaatsvervangende magistraten van de toegevoegde kamer “F” van het hof van beroep te Brussel die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig art. 778 van het Gerechtelijk Wetboek,

en, gezien de wettelijke verhindering van de heer JP N. d. B., plaatsvervangend raadsheer, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op 22.11.2000.

overeenkomstig de beschikking van Mevrouw de Eerste Voorzitter van 22.11.2000 en dit bij toepassing van art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek.

waar aanwezig waren :

- K. V. H. voorzitter

- B. d. C. plaatsvervangend raadsheer,

- A. D. M. plaatsvervangend raadsheer,

- C. D. N. griffier

C. D. N. A. D. M. B. d. C. K. V. H.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 591 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8