Plaats van de levering, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 7 september 2001

Zoeken

Plaats van de levering, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/plaats-levering-vervolging-geding-rechten-rechtbank-brussel-2001-09-07-6118

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
7 september 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

147 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 07.09.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

Fiscaal geschil - verzet tegen dwangbevel

AR 98/132/A/

Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak

Inzake van :

De A.J. S. BV, vennootschap met Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te …, …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. D. G. loco Mrs. H. V. G. en K. V., advocaten, met kantoor te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Ontvangkantoor-Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Cantersteen 47 (voorheen 1000 Brussel, Brederodestraat 9)

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. M. D., advocaat, met kantoor te …, ….

In deze zaak, in beraad genomen op 29 juni 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid

- het exploot van dagvaarding van L. K., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder J. F. te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 31 december 1997, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 november 1999 en op 13 oktober 2000;

- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 25 mei 2000 en op 5 februari 2001.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 29 juni 2001, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd,

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

De BV A.J. S., huidige eiseres, is een vennootschap naar Nederlands recht, die in België noch een vaste inrichting heeft, noch een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft erkend. Zij is handelaar in tweedehandsvoertuigen te …, ….

In 1994 ging de BV A.J. S. over tot verkoop van twaalf voertuigen aan Belgische kopers, die met haar in contact waren gekomen op de zondagse automarkt te … (…).

Voor deze verkopen werd door de boekhouder van de BV A.J. S. aangifte gedaan in de directe belasting voor niet-inwoners. Volgens de BV A.J. S. gaat het hier om een vergissing.

Op 4 september 1995 richtte de BV A.J. S. een brief aan SBB A., waarbij werd gesteld dat de kwestieuze verkopen hadden plaatsgevonden op de automarkt te …. Volgens de BV A.J. S. gaat het hier wederom om een vergissing.

Op 26 juni 1996 verzocht het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen bij aangetekend schrijven om mededeling van de omzet die de BV A.J. S. in 1994 in België had verwezenlijk. Uiteindelijk vorderde het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen van de BV A.J. S. een bedrag van 482.298 F aan achterstallige BTW.

Op 6 augustus 1996 richtte de boekhouder van de BV A.J. S. (SBB) een schrijven aan het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarin werd gesteld dat de BV A.J. S. enkel BTW verschuldigd was volgens het Nederlandse BTW-stelsel.

Op 19 juni 1997 werd een proces-verbaal opgesteld door mevrouw D., adjunct­controleur verbonden aan het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen,

In dit proces-verbaal werden de volgende sommen gevorderd :

- de som van 482.298 F als BTW;

- de som van 48.000 F als fiscale geldboeten krachtens art. 70, § 1 W.BTW, verminderd overeenkomstig het KB art. 41 van 30 januari 1987;

- 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21 januari 1995 over het bedrag van de verschuldigde belasting afgerond op het lager duizendtal als interesten van rechtswege verschuldigd op grond van art. 91, § 1 W.BTW.

Op 3 september 1997 reageerde de BV A.J. S. op dit proces-verbaal en herhaalde zij dat zij Nederlandse BTW verschuldigd was en ook had betaald.

Op 30 september 1997 deelde het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen mee niet te zullen amen van de betekening van het proces-verbaal van 19 juni 1997.

Op 8 oktober 1997 verzocht de BV A.J. S. om uitstel van betaling, gelet op haar bezwaarschrift van 3 september 1997.

Op 16 oktober 1997 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de heer J., eerstaanwezend inspecteur van het Ontvangkantoor - Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen te Brussel.

Op 5 november 1997 werd bovenvermeld dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer S., gedelegeerd eerstaanwezend inspecteur van de gewestelijke directie van de BTW, Brussel II.

Op 17 november 1997 werd het dwangbevel met bevel tot betalen betekend aan de BV A.J. S..

Op 31 december 1997 ging de BV A.J. S. over tot betekening van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel.

Ill. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het dwangbevel van 16 oktober 1997, zoals betekend op 17 november 1997, te vernietigen en te zeggen voor recht dat zij voor 1994 geen Belgische BTW verschuldigd is.

Verder vraagt zij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en met uitdrukkelijke uitsluiting van borgstelling en kantonnement.

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar in al haar eisen af te wijzen.

B. BEOORDELING

III. B. 1. Eiseres stelt dat de aanslag in de BTW, zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 19 juni 1997 en betekend bij dwangbevel van 16 oktober 1997, door het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen werd gegrond op de artikelen 4, 15, §§ 1, 2 en 7 en 51 W.BTW.

Verweerder beroept zich met name op het in art. 15, § 7 W.BTW opgenomen vermoeden, aangezien, op één na, alle kopers in België gevestigd zijn.

Overeenkomstig deze bepaling "wordt de levering van een roerend goed, behoudens tegenbewijs, geacht in België plaats te vinden wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats".

Verder beroept verweerder zich eveneens op haar brief aan SBB A. van 4 september 1995, waarin werd gesteld dat de verkopen hadden plaatsgehad op de automarkt te …, zodat in toepassing van art 15, § 2, lid 1 W.BTW de levering in België had plaatsgehad. Volgens eiseres bevat deze brief onjuiste informatie, nu de voertuigen niet werden verkocht op de automarkt in …, maar wel op haar zetel te …, ….

Naar het oordeel van eiseres wordt de inhoud van deze brief tegengesproken door andere elementen van het dossier.

De rechtbank stelt vast dat de in het proces-verbaal van 19 juni 1997 opgenomen verstellingen gesteund zijn op voormelde brief van 4 september 1995 van eiseres, waarin zij het boekhoudkantoor SDD A. verzocht een aangifte van niet-inwoners over het aanslagjaar 1995 te doen. In dit schrijven verklaart eiseres letterlijk :

"Ons bedrijf is gevestigd in …, maar er worden tevens auto's verkocht op de automarkt in …, waarvan het resultaat over het jaar 1991 als volgt is berekend (…)".

In deze brief verklaarde eiseres dat zij 12 auto's had verkocht op de automarkt in … aan in België gevestigde afnemers.

Een kopie van de desbetreffende verkoopfacturen werd aan dit proces-verbaal gehecht.

Eiseres betwist niet dat zijzelf deze stukken heeft opgesteld. Deze documenten bevonden zich in het fiscaal dossier van eiseres, dat wordt gehouden door de administratie der directe belastingen Controle Antwerpen 'Buitenlanders'. Deze inlichtingen kunnen door verweerder worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde sommen. Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat verweerder gebruik heeft gemaakt van geldig verkregen gegevens. Nu uit deze stukken voortvloeit dat de verkopen in België hebben plaatsgevonden, is de Belgische BTW verschuldigd

Wat de bewijswaarde van het proces-verbaal van 19 juni 1997 betreft, stelt eiseres dat deze zien enkel uitstrekt tot de materiële vaststellingen die mevrouw D. zelf heeft kunnen doen. Nu zij niet aanwezig was bij de vermeende verkopen op de automarkt te …, strekt de bewijswaarde van het proces-verbaal zich, naar het oordeel van eiseres, enkel uit tot de vaststelling dat er zich in haar fiscaal dossier een brief van 4 september 1995 bevond waarin wordt gesteld dat een aantal verkopen zouden zijn verricht op vermelde automarkt.

Inderdaad is het juist dat uitsluitend de in het proces-verbaal door verbalisanten persoonlijk binnen de perken van hun wettelijke opdracht regelmatig gedane materiële (zintuiglijke) vaststellingen de bijzondere wettelijke bewijswaarde van waarachtigheid tot het bewijs van hun onjuistheid hebben (zie Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, BTW, Diegem, CED-Samsom, s.d. losbl/, nr. 59.46.2).

Anderzijds meent de rechtbank dat de materiële vaststellingen gebaseerd zijn op stukken die door eiseres zelf werden uitgereikt, zodat het hier geenszins om loutere beweringen gaat.

Er dient immers te worden aangenomen dat de administraties van de BTW en directe belastingen beiden het recht hebben zich te bedienen van de gegevens die de controleambtenaren van de partner-administratie hebben kunnen vaststellen, wanneer die gegevens van aard zijn om feitelijke vermoedens te vormen voor het bestaan van bedrijfsverrichtingen die niet werden aangegeven. Zo mag de administratie van de BTW bij toepassing van art. 59, § 1 W.BTW gebruik maken van elementen geput uit het fiscaal dossier van een belastingplichtige bij de administratie der directe belastingen (zie : fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/41, 6bis).

In casu bieden voormelde brief van 4 september 1995 van eiseres alsook de kopie van de desbetreffende verkoopfacturen naar het oordeel van de rechtbank een zwaar vermoeden in de zin van art. 59, § 1 W.BTW, dat niet kan worden ontwricht door gezegden, beweringen of veronderstellingen.

Derhalve komt het aan eiseres toe het tegendeel te bewijzen.

III. B. 2. In het kader van dit te leveren tegenbewijs stelt eiseres dat enerzijds de meeste leveringen daadwerkelijk in Nederland hebben plaatsgevonden en anderzijds dat een groot deel van de verkopen gebeurde aan Belgische BTW-plichtigen, zodat de principes van intracommunautaire verwerving, respectievelijk levering dienen te worden toegepast.

a) Algemeen :

De bewering van eiseres dat zij gespecialiseerd is in bedrijfswagens, en elk van haar cliënten specifieke eisen stelt, en het om die reden onmogelijk is om met standaardvoertuigen te werken, zodat de uiteindelijke verkopen dan ook bijna altijd in … gebeurden, kan de rechtbank niet onderschrijven.

Terecht merkt verweerder in dat verband op dat de meeste van de twaalf verkochte wagens, waarover het in deze zaak gaat, geen specifieke kenmerken vertonen, en bijgevolg tot het normale gamma van een bedrijf van tweedehandse voertuigen behoren.

Derhalve kan daaruit geen argument worden geput om te stellen dat deze voertuigen niet in België konden worden geleverd.

Verder stelt verweerder nog dat in het dossier van de directe belastingen nergens een aanwijzing te vinden is dat het om een verkeerd ingediende aangifte zou gaan. Evenmin werd nadien een wijzigende aangifte ingediend door eiseres.

b) Verkopen aan particulieren :

1. Verkoop van een Ford Transit aan op 2 maart 1994

Eiseres stelt dat … bij haar een tweedehands voertuig kocht, dat de factuur op 27 februari 1994 werd opgemaakt en dat … op 2 maart 1994 het voertuig kwam ophalen en betalen te …. Nu de factuur uitdrukkelijk vermeldt "Ontv. per kas 2/3 94" en 2 maart 1994 een woensdag was, kan er volgens haar geen sprake van zijn dat de verkoop zich zou hebben gerealiseerd op de automarkt van …, die enkel op zondag plaatsvindt.

Verder verwijst eiseres naar de verklaring die … op 22 februari 1998 aflegde, waaruit blijkt dat hij het voertuig op 2 maart 1994 daadwerkelijk in … heeft opgehaald. Eiseres stelt dat verweerder deze onafhankelijke verklaring niet naast zich neer kan leggen. Volgens eiseres heeft verweerder in zijn schrijven van 30 september 1997 trouwens uitdrukkelijk vermeld dat verklaringen van klanten als bewijs zouden worden aanvaard om het vermoeden van art. 15, § 7 W.BTW te weerleggen, en als bewijs van plaats van levering, zoals bedoeld in art. 15, §§ 1 en 2, lid 1 W.BTW, zouden worden aanvaard. Ten slotte stelt eiseres dat uit de factuur blijkt dat zij op de verkoop in kwestie Nederlandse BTW heeft aangerekend.

Het besluit van eiseres is dan ook dat zij voor deze verkoop niet kan worden aangesproken in betaling van Belgische BTW.

Terecht merkt verweerder evenwel op dat het feit dat de factuur werd opgesteld op 27 februari 1994 (een zondag) en de betaling plaatsvond op 2 maart 1994 (een woensdag) geenszins bewijzen dat de levering in Nederland gebeurde en niet op de automarkt van …, nu de datum van de levering van het goed op de desbetreffende factuur ontbreekt. Deze vermelding wordt evenwel voorgeschreven door art 5, 5° van het KB nr. 1 van 29 december 1992. Verder stelt verweerder terecht dat het argument van eiseres dat verweerder de verklaring van … van 22 februari 1998 dat hij het voertuig daadwerkelijk in Tilburg heeft opgehaald niet naast zich neer kan leggen, onder verwijzing naar het aangetekend schrijven van verweerder van 30 september 1997, evenmin kan worden bijgetreden, nu dit laatste schrijven uitdrukkelijk vermeldt dat de verklaring van … maar zou worden aanvaard als bewijs, samen met de voorlegging van andere documenten. En eiseres laat na enig ander stuk neer te leggen waaruit blijkt dat de verkoop daadwerkelijk in Nederland heeft plaatsgevonden.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

2. Verkoop van een Mercedes Benz aan op 22 juni 1994

Eiseres stelt dat de verkoop van het kwestieuze voertuig aan … adres werd gerealiseerd op woensdag 22 juni 1994, en dus niet op de zondagse automarkt te …. Nu zij een Nederlandse BV is en geen enkel element wijst op een verkoop in België, kan het vermoeden van art. 15, § 7 W.BTW naar haar oordeel niet spelen. Eiseres verwijst nog naar de door haar bijgebrachte vervoersdocumenten, die volgens haar aantonen dat het vervoer van de wagen naar … een aanvang nam in Nederland, zodat er van enige levering in de zin van art. 15 W.BTW in België geen sprake kan zijn.

Terecht merkt verweerder evenwel op dat het feit dat de koper … is met een … en de verkoper een Nederlandse firma is, een levering in België niet uitsluit. Verder stelt verweerder terecht dat het vervoerdocument, dat eiseres voorlegt, niet kan worden aanvaard als bewijs dat het vervoer·van de wagen naar … een aanvang nam in Nederland, nu :

- het geen origineel document betreft;

- de vermelding "specimen" met de hand werd aangebracht;

- het document niet werd ondertekend door de aangever of zijn vertegenwoordiger;

- er geen stempel van enig douanekantoor op het document voorkomt.

Het argument dat de originelen niet meer voorhanden zijn, kan de rechtbank niet aanvaarden, nu het eiseres is die de bewijslast van het tegendeel van het wettelijk vermoeden van art. 15, § 7 W.BTW draagt.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

3. Verkoop va n een Mercedes Benz aan op 19 oktober 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde op woensdag 19 oktober 1994, zoals blijkt uit de factuur, waarop staat vermeld : "19-10-1994 : voldaan per kas Bfrs. 30.000,00", alsook uit de verklaring van de koper van 13 maart 1998.

Verder legt eiseres de uitvoerverklaring van de Rijksdienst voor het Wegverkeer voor, waarop, naar haar oordeel, duidelijk als plaats van overname van het voertuig werd vermeld "Tilburg'', en die bovendien door de koper werd ondertekend. Bovendien heeft eiseres Nederlandse BTW in rekening gebracht aan de koper, zodat zij, naar haar oordeel, aan al haar verplichtingen heeft voldaan.

Terecht merkt verweerder ook in dit verband op dat de factuur geenszins bewijst dat de levering op 19 oktober 1994 (een woensdag) gebeurde, nu de datum van de levering van het goed op de desbetreffende factuur ontbreekt. Deze vermelding wordt evenwel voorgeschreven door art. 5, 5° van het KB nr. 1 van 29 december 1992.

Bovendien werd op voormelde datum (19 oktober 1994) door de koper slechts een voorschot betaald, nu er nog twee andere betalingen volgden nl. op 20 en op 30 oktober 1994.

Verder bevat de door eiseres voorgelegde uitvoerverklaring/uitvoerkentekenbewijs wel de stempel van eiseres en de handtekening van de koper, maar geen enkele melding uitgaande van de Rijksdienst voor het wegverkeer.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

4. Verkoop van een Isuzu aan op 20 februari 1994

Eiseres verwijst ter zake naar de factuur, die letterlijk het volgende vermeldt : "overdracht eigendom + risico 20-02-1994 te 13.30 uur, … automarkt". Eiseres merkt op dat aan de koper geen BTW werd aangerekend omdat het voertuig bestemd was voor export, vrij van BTW, zoals eveneens uitdrukkelijk werd vermeld op de factuur.

- In ondergeschikte orde - gedraagt eiseres zich wat dit voertuig betreft als naar recht.

Terecht merkt verweerder op dat de factuur van 21 februari 1994 letterlijk het volgende vermeldt : "Opmerking : overdracht eigendom + risico 20.02.1994 te 13, 30 uur, … automarkt". Nu deze factuur werd ondertekend door eiseres en …, dient ertoe te worden besloten dat de levering in België heeft plaatsgevonden en dat de Belgische BTW verschuldigd is.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

c) Verkopen aan Belgische BTW-plichtigen : intracommunautaire levering/verwerving :

In dat verband doet verweerder terecht opmerken dat de levering van goederen door een belastingplichtige aan een andere belastingplichtige, waarbij de goederen worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat een intracommunautaire levering is die onder bepaalde voorwaarden kan worden vrijgesteld van de BTW op grond van art. 39bis, lid 1, 1 ° W.BTW. Daartoe dient degene die de vrijstelling wenst toe te passen, in casu de leverancier van de goederen, het bewijs te leveren dat aan de volgende voorwaarden is voldaan :

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de afnemer of voor hun rekening, en

- de levering wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet­belastingplichtige rechtspersoon, die als dusdanig handelt in een andere lidstaat, en die er zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting moet onderwerpen.

Het bewijs van het bestaan van een vervoer of verzending buiten de desbetreffende lidstaat moet worden geleverd door de verkoper, en dit bewijs kan bestaan uit een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken, o.m. de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten, betalingsdocumenten enz.. (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. Cit., nr. 39bis/2.5).

De verificatie van de hoedanigheid van BTW-plichtige van de verwerver is op zichzelf noch noodzakelijk, noch voldoende om het recht op vrijstelling van de betrokken levering aan te tonen (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 39bis/2.7)

Het gaat hier slechts om één element dat zich voegt bij het geheel van bewijsmiddelen.

5, 6 en 7. Verkopen aan respectievelijk een Ford, een Nissan en een Toyota aan op respectievelijk 28 maart, 9 april en 30 mei 1994

Eiseres stelt dat … in België belastingplichtige in de BTW is, hetgeen bleek uit de verificaties van het BTW-identificatienummer die zij liet uitvoeren door de Nederlandse belastingdienst.

Wat het voertuig Ford betreft, stelt eiseres dat dit werd gefactureerd op 28 maart 1994 en aan … werd geleverd op 27 maart 1994. Volgens eiseres had het vervoer een aanvang genomen in Tilburg, zodat in haar hoofde sprake is van een in Nederland vrijgestelde intracommunautaire levering, terwijl het vervoer in België een einde had genomen, zodat er in hoofde van … sprake was van een in België BTW-plichtige intracommunautaire verwerving. Derhalve was … dan ook BTW verschuldigd over deze aankoop. Volgens de eigen verklaring van … heeft hij het nodige gedaan voor opnamen van de BTW in de BTW-aangifte.

Wat het voertuig Nissan betreft, stelt eiseres dat dit op 9 april 1994 (een zaterdag) door … werd betaald en opgehaald in Tilburg. Volgens eiseres was ook hier sprake van een in België BTW-plichtige intracommunautaire verwerving.

Wat het voertuig Toyota betreft, stelt eiseres dat dit aan … werd verkocht op 30 mei 1994 (een maandag). Ook voor deze aankoop gelden volgens eiseres de principes van intracommunautaire verwerving in hoofde van …. Laatst genoemde heeft bovendien op 2 maart 1998 een verklaring afgelegd, waaruit blijkt dat het voertuig werd opgehaald in Tilburg en dat de BTW over de aankoop in de Belgische BTW-aangifte van de heer S. werd opgenomen.

Verweerder merkt evenwel volkomen terecht op dat eiseres voor deze drie verkopen geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending, door middel van een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling. Zoals reeds gezegd, is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Bovendien is het zo dat de factuur van 28 maart 1994 betreffende de verkoop van de Ford letterlijk de volgende vermelding draagt : "Opmerking : overdracht eigendom + risico voor koper met ingang van 26 maart 1993 (!) te 12.00 uur, M. A.". Bijgevolg leidt verweerder daaruit rechtsgeldig af dat de levering van deze Ford heeft plaatsgevonden in België, zodat de Belgische BTW verschuldigd is.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot deze voertuigen in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

8. Verkoop van een Range Rover aan A. op 5 april 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde te Tilburg op dinsdag 5 april 1994 op haar zetel, zoals blijkt uit de factuur ("voldaan per his 05-04-1994") en uit de verklaring van A. van 24 februari 1998. Bovendien betreft het ook hier, volgens eiseres, een in haren hoofde vrijgestelde intracommunautaire levering aangezien de koper BTW­plichtig is in België. De Belgische BTW diende dan ook te worden voldaan door de koper, zodat zij over deze verkoop geen Belgische BTW verschuldigd kan zijn.

Verweerder merkt ook in dit verband terecht op dat eiseres voor deze verkoop geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending, door middel van een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling. Opnieuw is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

9. Verkoop van een Renault aan op 6 april 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde te Tilburg op woensdag 6 april 1994 op haar zetel, zoals blijkt uit de factuur ("voldaan per kas 06-04-1994") en uit de verklaring van … van 2 maart 1998. Bovendien betreft het ook hier, volgens eiseres, een in haren hoofde vrijgestelde intracommunautaire levering aangezien de koper BTW-plichtig is in België. Uit de verklaring van … blijkt bovendien dat hij de BTW over de aankoop heeft opgenomen in zijn BTW-aangiften in België.

Derhalve was zij dan ook geen Belgische BTW verschuldigd over deze verkoop.

Verweerder merkt ook in dit verband terecht op dat eiseres ter zake geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending, door middel van een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling.

Opnieuw is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

10. Verkoop van een Toyota aan op 11 april 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde te Tilburg op maandag 11 april 1994 op haar zetel, zoals blijkt uit de factuur ("voldaan per kas 11-04-1994") en uit de verklaring van … van 12 februari 1998. Bovendien betreft het ook hier, volgens eiseres, een in haren hoofde vrijgestelde intracommunautaire levering aangezien de koper BTW-plichtig is in België. Uit de verklaring van … blijkt bovendien dat zij de BTW over de aankoop heeft opgenomen in haar BTW-aangiften in België. Derhalve was zij dan ook geen Belgische BTW verschuldigd over deze verkoop.

Verweerder merkt ook in dit verband terecht op dat eiseres ter zake geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending door middel van een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling. Opnieuw is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

11. Verkoop van een Ford aan de NV Alg. O. S. op 7 september 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde te Tilburg op woensdag 7 september 1994, hetgeen eveneens blijkt uit het registratiebewijs van het voertuig dat werd gedateerd op dezelfde dag. Bovendien betreft het ook hier, volgens eiseres, een in haren hoofde vrijgestelde intracommunautaire levering aangezien de koper BTW-plichtig is in België. Uit de verklaring van de NV Alg. O. S. van 23 februari - 4 maart 1998 blijkt bovendien dat zij de BTW over de aankoop heeft opgenomen in haar BTW-aangiften in België.

Derhalve was zij dan ook geen Belgische BTW verschuldigd over deze verkoop.

Verweerder merkt ook in dit verband terecht op dat eiseres ter zake geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending, door middel van een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling. Opnieuw is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres ook met betrekking tot dit voertuig in gebreke blijft het tegenbewijs te leveren.

12. Verkoop van een Volvo aan op 21 september 1994

Eiseres stelt dat de levering van het kwestieuze voertuig gebeurde te Tilburg op vrijdag 23 september 1994, zoals blijkt uit de verklaring van de koper van 23 februari 1998. Bovendien betreft het ook hier, volgens eiseres, een in haren hoofde vrijgestelde intracommunautaire levering aangezien de koper BTW-plichtig is in België. Uit de verklaring van … blijkt bovendien dat hij de BTW over de aankoop heeft opgenomen in zijn BTW-aangiften in België. Derhalve was zij dan ook geen Belgische BTW verschuldigd over deze verkoop.

Ook in dit verband merkt verweerder terecht op dat eiseres ter zake geen bewijs kan leveren van het bestaan van een vervoer of verzending, door middel van een geheel. van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, heeft eiseres geen recht op vrijstelling. Opnieuw is de loutere verificatie van het BTW-nummer door eiseres onvoldoende om de vrijstelling van BTW toe te passen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECRTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van de BV A.J. S. tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt de BV A.J. S. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 13.200 F (rechtplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op 13.200 F (rechtsplegingsvergoeding) + 7.028 F (dagvaarding en rolstelling).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 7 september 2001

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw V., adjunct-griffier.

V. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 52 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8