Niet opname factuur in de aangifte, schadevergoeding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 10 september 2019

Zoeken

Niet opname factuur in de aangifte, schadevergoeding

https://juriel.be/nl/rechtspraak/opname-factuur-in-aangifte-schadevergoeding-hof-van-beroep-gent-2019-09-10-fb6b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
10 september 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 10.09.2019

WF 709-15-16/001863

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – niet opname factuur in de aangifte - schadevergoeding – vermelding btw op factuur - schuldenaar btw

Wettelijke bepalingen

Art. 51, §1, 3° WBTW – art. 53, §1, eerste lid, 2° en 3° WBTW – art. 53octies, §1 WBTW – art. 18, KB nr. 1 van 29 december 1992

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Appellante is geïdentificeerd als btw-belastingplichtige kwartaalaangever voor de activiteit van kleinhandel in meubilair en verlichtingsartikelen. Na controle van een btw tegoed voor het 4de kwartaal bleek dat appellante een bedrag ontvangen had van de bvba D.F. De verkoopfacturen die op dat bedrag betrekking hadden en die opgevraagd werden bij bvba D.F. werden echter niet opgenomen in de btw aangifte van het 4de kwartaal 2014 van belastingplichtige.

De correctieopgave die door de administratie werd opgesteld, waarbij de niet aangegeven btw bedragen werden opgenomen ter regularisatie, werd betwist door de zaakvoerder van belastingplichtige. De zaakvoerder verklaarde immers dat die facturen geannuleerd en vervangen werden door een nieuwe factuur. Die documenten werden echter niet overgemaakt aan de administratie. De boekhouder van bvba D.F. verklaarde echter dat hij geen creditnota’s heeft ontvangen van belastingplichtige en maakt aan de administratie een betalingsbewijs over.

Gelet op de betwisting van belastingplichtige stelt de administratie op 1 september 2015 een proces-verbaal op en vaardigt zij op 19 oktober 2015 een dwangbevel uit. Met een verzoekschrift van 30 december 2015 stelt belastingplichtige een vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De vordering van belastingplichtige wordt door de rechtbank van eerste aanleg afgewezen. Belastingplichtige tekent hoger beroep aan.

2) Samenvatting geschil

Belastingplichtige betwist niet dat ze van D.F. bvba de bedragen vermeld op de niet in de aangifte opgenomen facturen heeft ontvangen. Deze bedragen stemden volgens haar overeen met een verbrekingsvergoeding ingevolge een eenzijdige beëindiging door D.F. bvba van haar overeenkomst met belastingplichtige. Dat ze verkeerd geformuleerde facturen heeft opgesteld, verandert niets aan het feit dat op de verbrekingsvergoeding geen btw verschuldigd is. Belastingplichtige wijst erop dat ze een brief gericht heeft aan D.F. bvba om de vergissing recht te zetten, al was dit schrijven niet in de gebruikelijke vorm van een creditnota opgesteld.

Het hof volgt de stelling van belastingplichtige niet. Artikel 51, §1,3° stelt dat de belasting is verschuldigd door eenieder die op een factuur of een als zodanig geldend stuk de btw vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de btw op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of stuk.

Op grond van deze bepaling is de btw opeisbaar louter door de vermelding van de btw op de facturen. Er werden geen creditnota’s opgemaakt op grond waarvan kon worden aangenomen dat de facturen werden teruggenomen of geannuleerd. Ongeacht de stelling van belastingplichtige en de vermelding op de facturen dat deze betrekking hebben op een verbrekingsvergoeding, is en blijft op grond van voormelde artikel 51, §1, 3° WBTW de btw verschuldigd en opeisbaar door de vermelding van de btw op de facturen. Belastingplichtige was er dan ook toe gehouden op grond van art. 53, §1, eerste lid, 2° en 3° en art. 53octies, §1 WBTW en art. 18, KB nr. 1 van 29 december 1992,deze btw op te nemen in haar kwartaalaangiften.

De geldboete die de ten gevolge van de door belastingplichtige begane overtreding werd opgelegd bevindt zich in een evenredige verhouding met de inbreuk en er zijn geen redenen om deze te verminderen of kwijt te schelden. Het hoger beroep van belastingplichtige is dan ook ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep Gent, vijfde kamer van 10 september 2019

Rolnummer: 2018/AR/653

In de zaak van:

M.C. B.V.B.A., ON 0437...., met maatschappelijke zetel te ..., appellante, welke niet verschiint, noch iemand voor haar

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Generaal Centrumdirecteur KMO Centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A. Sierrensstraat 16 bus 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...,

wijst het hof het volgend arrest:

1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 5 april 2018 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 23 oktober 2017 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 15/4979/A.

De partijen hebben hun middelen en besluiten kunnen voordragen in de openbare terechtzitting van 11 juni 2019, waarop zij allen regelmatig uitgenodigd waren. Alleen de geïntimeerde is op die terechtzitting verschenen, terwijl de appellante niet verscheen, noch vertegenwoordigd was. De geïntimeerde heeft aan het hof gevraagd om de zaak te behandelen en arrest te vellen, dit met toepassing van artikel 747, §4, Ger.W. Het hof heeft aan die vraag gevolg gegeven en de zaak behandeld. Daarna nam het hof de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van kleinhandel in meubilair en verlichtingsartikelen. Ze dient kwartaalaangiftes in.

Naar aanleiding van een btw tegoed ten bedrage van 6.464,75 euro, aangegeven in de aangifte met betrekking tot het vierde kwartaal 2014 voerde de geïntimeerde bij de appellante een controle uit. Naar aanleiding van de controle bleek dat de appellante op 3 november 2014 een bedrag ontvangen had op haar bankrekening van 182.990,51 euro van BVBA DELA FUNERALS. De verkoopfacturen die hierop betrekking hadden, werden opgevraagd bij BVBA DELA FUNERALS. Deze facturen waren niet opgenomen in de btw aangifte van het vierde kwartaal 2014 van de appellante.

Op 31 maart 2015 verstuurde de geïntimeerde naar de appellante een correctieopgave waarin de gefactureerde maar niet aangegeven btw werd geregulariseerd. De zaakvoerder van de appellante, de heer Johan Depoorter, verklaarde zich niet akkoord met de correctieopgave. Volgens hem werden de facturen geannuleerd en vervangen door een nieuwe factuur. Op 23 april 2015 vroeg de controlerende ambtenaar Marijke Duyck per email aan de zaakvoerder deze documenten op. De gevraagde stukken werden niet overgemaakt. De boekhouder van de BVBA DELA FUNERALS verklaarde aan de administratie dat hij geen creditnota's heeft ontvangen van de appellante en maakte aan de administratie een betalingsbewijs over.

Omdat de appellante niet akkoord ging, heeft de geïntimeerde op 1 september 2015 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard:

- 31.758,68 euro btw;

- 6.350,00 euro verminderde proportionele geldboete;

- de wettelijke interest op de btw en de boete te rekenen vanaf 21 januari 2015.

Bij gebrek aan betaling werd op 19 oktober 2015 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 1 september 2015 en vermeerderd met de moratoire interest (2.286,00 euro) op de verschuldigd verklaarde btw en de geldboete. Dit dwangbevel werd op 20 november 2015 aan de appellante betekend.

Met een verzoekschrift van 30 december 2015 stelde de appellante haar vordering: in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 23 oktober 2017 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:

- de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

- het dwangbevel inzake BTW met nr. 500/1513/59378 van 22 oktober 2015 te bevestigen;

dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3 De vorderingen van de partijen

3.1 De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

De B. V.B.A. verzoekt U dan ook het vonnis a quo in die zin te hervormen en het dwangbevel van de Belgische Staat FOD Financiën nietig te verklaren, subsidiair de boetes en verhogingen kwijt te schelden en de Belgische Staat FOD Financiën te veroordelen tot de betaling van de kosten van de beide gedingen inclusief de RPV's.

3.2 De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep af te wijzen als ongegrond; Het bestred,en vonnis te bevestigen;

De appellante te veroordelen tot de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 2.400,00 euro

4 De betwistingen en hun beoordeling

1. De appellante maakte in het jaar 2014 de verkoopfacturen op met nummer 13 en 14, gericht aan DELA FUNERALS bvba, met vermelding van btw.

De appellante betwist niet dat ze van DELA FUNERALS bvba de bedragen vermeld op deze facturen (182.990,51 euro) heeft ontvangen. Deze bedragen stemden volgens de appellante overeen met een verbrekingsvergoeding ingevolge een eenzijdige beëindiging door DELA FUNERALS bvba van haar overeenkomst met.de appellante. Dat ze verkeerd geformuleerde facturen heeft opgesteld, verandert volgens de appellante niets aan het feit dat op de verbrekingsvergoeding geen btw verschuldigd is. De appellante wijst erop dat ze een brief gericht heeft aan DELA FUNERALS bvba om de vergissing recht te zetten, al was dit schrijven niet in de gebruikelijke vorm van een creditnota opgesteld.

2. Overeenkomstig artikel 51, §1 ,3° W.BTW is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. Bijgevolg is men schuldenaar van de BTW wanneer men een factuur opmaakt waarop Belgische BTW vermeld wordt.

Op grond van deze bepaling is de btw opeisbaar louter door de vermelding van de btw op de facturen. Er werden geen creditnota's opgemaakt op grond waarvan kon worden aangenomen dat de facturen werden teruggenomen of geannuleerd. Ongeacht de stelling van de appellante en de vermelding op de facturen dat deze betrekking hebben op een verbrekingsvergoeding, is en blijft op grond van het voormelde artikel 51, §1, 3° W.BTW de btw verschuldigd en opeisbaar door de vermelding van de btw op de facturen.

De appellante was er dan ook toe gehouden op grond van artikel 53, §1, eerste lid, .2° en 3° en artikel 53octies, §1 W.BTW en artikel 18, KB nr.1 van 29 december 1992, deze btw op te nemen in haar kwartaalaangiften.

Door deze op de facturen vermelde btw niet op te nemen in de aangifte beging de appellante een overtreding. Op grond van artikel 59, § 1, van het W.BTW kunnen overtredingen van de bepalingen van het BTW-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de door de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën opgestelde processen-verbaal die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet bewezen is.

Overeenkomstig artikel 70, §1, W.BTW wordt voor iedere overtreding een administratieve geldboete opgelegd welke het dubbele bedraagt van de niet betaalde belasting. Die boete is door de administratie op grond van artikel 84, 3de lid, W.BTW en artikel 1 van het KB nr. 41, van 30 januari 1987, tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, volgens tabel G van de bijlage bij dit besluit verminderd tot 20% van de verschuldigde belasting, namelijk 6.350,00 euro.

De administratie heeft een correcte toepassing gemaakt van de voormelde bepalingen en middels het proces-verbaal en het dwangbevel terecht de op de facturen vermelde btw nagevorderd en de boete opgelegd. Deze boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de inbreuk en er zijn geen redenen om deze te verminderen of kwijt te schelden. Het hoger beroep van de appellante is ongegrond.

5 De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• Het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400,00 EUR

Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit: ... en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 10 september 2019, bijgestaan door ..., griffier.

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

5
KB nr. 1 art. 184 voorkomens
WBTW art. 513 voorkomens
WBTW art. 53octies3 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8