Ontheffing van de factureringsplicht;factureringsplicht;administratieve boete, facturatieplicht, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 30 mei 2007

Zoeken

Ontheffing van de factureringsplicht;factureringsplicht;administratieve boete, facturatieplicht, administratieve geldboeteontheffing van de factureringsplicht;factureringsplicht;administratieve boete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/ontheffing-factureringsplicht-administratieve-boete-rechtbank-hasselt-2007-05-30-ea98

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
30 mei 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

48 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt dd. 30.05.2007, Zaak 02.1156.A

De Fiscale Koerier 2007/515

Ontheffing van de factureringsplicht.

Factureringsplicht.

Administratieve boete.

Samenvatting

Een vennootschap die gespecialiseerd is in de verkoop van voedingswaren en horecaproducten, verkoopt haar goederen zowel aan professionele afnemers als aan particulieren. De verkopen aan professionele afnemers worden systematisch gefactureerd. Voor de verkopen aan particulieren worden geen facturen opgesteld.

Volgens de BTW-Administratie had de vennootschap ook voor haar verkopen aan particulieren systematisch facturen moeten uitreiken. De vennootschap komt niet in aanmerking voor enige ontheffing van facturatieplicht aangezien haar verkopen als groothandelaar één geheel vormen met de verkopen aan particulieren. Enkel belastingplichtigen waarbij de groot- en de kleinhandel aparte bedrijfsafdelingen zijn, komen in aanmerking voor de ontheffing van facturatieplicht.

De Administratie heeft de vennootschap een zeer aanzienlijke geldboete opgelegd.

Die geldboete is o.m. als gevolg van haar "bijzonder zwaar karakter" strafrechtelijk van aard. Daarom moet worden aangenomen dat de bewijslast van de beweerde inbreuken op de facturatieplicht op de Administratie ligt.

In casu heeft de Administratie niet het bewijs geleverd dat de vennootschap niet in aanmerking kwam voor de beweerde ontheffing van facturatieplicht. De vaststellingen waarop de fiscus zich heeft beroepen als bewijs van de beweerde BTW-overtredingen, zijn niet overtuigend en "onvoldoende zwaarwichtig en in omvang ernstig" om de zware sanctie (met strafrechtelijk karakter) te verantwoorden. De belastingplichtige komt in aanmerking voor toepassing van het beginsel "in dubio pro reo". (Art. 53, par. 2, 53octies en 54 WBTW; art. 1, par. 1 KB BTW nr. 1 en 2).

Gelet op het zwaarwichtig en in omvang ernstig en hoog karakter van de administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter, moet de bewijslast van de administratie met de nodige gestrengheid worden beoordeeld. In dergelijke omstandigheden moet het adagium in dubio pro reo worden toegepast.In casu is het geheel van 'vaststellingen' onvoldoende.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN:

IN ZAKE A.R. nr. 02.1156.A

V. H. N.V.,met BTW-nummer BE-435412709, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt 71690 met zetel te ....

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. S. S., advocaat te ....

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS EN INKOMENFISCALITEIT, in de persoon van de gewestelijk directeur, controlecentrum Hasselt-Beringen met burelen te ....

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, ....

Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. F. R., advocaat te ....

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op:

a. het exploot van gerechtsdeurwaarder D. V., betekend aan verweerder op 31.5.2002 waarbij eiseres verzet doet tegen het dwangbevel van verweerder van 27 november 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 november 2001 en de veroordeling van verweerder vordert tot voorlegging van het volledige administratief dossier, een plaatsbezoek vordert en de vernietiging vordert van het dwangbevel van 27 november 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 november 2001, alsmede de kwijtschelding van een door verweerder opgelegde administratieve boete en de veroordeling van verweerder tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ingehouden of betaald ter delging van in voormeld dwangbevel opgenomen vordering van verweerder, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intresten, en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

b. de stukken en conclusies van partijen.

Feiten en voorgaanden

Eiseres is ingevolge haar economische activiteit, nl. groot- en kleinhandel in voedingswaren, geregistreerd als B.T.W.-belastingplichtige met B.T.W.nr. BE 435412709 en zodoende onderworpen aan de B.T.W.-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.

Op 23.8.2000 wordt eiseres door de A.O.I.F. controlecentrum Hasselt-Beringen onderworpen aan een controle over de periode 1.1.1998 tot 31.12.1999.

Op 12.11.2001 verzend verweerder aan eiseres een navroderingsorder voor een B.T.W.-boete ten bedrage van 56.176.000 BEF (1.392.566,66 €).

Op 19.12.2001 betekent verweerder aan eiseres een dwangbevel dd. 27.11.2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29.11.2001.

Volgens eiseres wordt pas bij dit dwangbevel een proces-verbaal van 6 november 2001 gevoegd, waaraan een voor eensluidend verklaard afschrift gehecht is van een proces-verbaal van vaststellingen van 24 augustus 2000 (allen opgenomen als stuk 1 van verweerder).

In dit proces-verbaal van 24 augustus 2000, proces-verbaal van "vaststelling" genoemd, wordt door de verbaliserende ambtenaren het volgende verhaald:

- de vaststellingen werden verricht aan de hand van de voorgelegde bescheiden en de verklaringen afgelegd door de bestuurders, door verweerder genoemd "V. H. P.", "G. L.", "P. en B., extern accountants";

- de opname van een verklaring door een door de verbalisanten niet nader geïdentificeerd persoon betreffende de organisatie van de "winkels", hetgeen er twee zouden zijn, waarvan één te ..., en betreffende wijze van opname van ontvangsten van die winkels, hetzij een niet nader gespecifieerde verdeling tussen eiseres en een zekere N.V. M. P.;

- de wijze van bewaring van kassarollen, "in een doosje", vaststelling gebaseerd op een niet naar de aflegger ervan geïdentificeerde "verklaring";

- een opname van een "verklaring" betreffende de afsluiting van de kasse;

- vaststellingen op grond van nazicht van bewaarde kassarollen;

- de opname van een "verklaring" over de wijze van onderscheid tussen groothandel en kleinhandel in hoofde van eiseres en het voorraadbeheer;

- een "verklaring" over de wijze van voorraadbeheer van artikels uit kleinhandel;

- en, tot slot de vermelding : " Verder hebben wij tijdens onze bezichtiging van het magazijn en de winkel kunnen vaststellen, dat de aard der goederen identiek is zowel in de groot- als kleinhandel: verpakking, aangeboden hoeveelheden, gebruikte benaming, en merk verschillen niet tussen groot- en kleinhandel".

Aan dit proces-verbaal, opgenomen als laatste onderdeel van stuk 1 van verweerder, zijn handgeschreven lijsten gehecht betreffende "effectieve kasverkopen" per maand voor 1998, voor de maanden januari tot december 1998 opgenomen in handgeschreven tabellen, onder de vermelding "datum", "aantal verkopen", "aantal verrichtingen die geen verkopen zijn", en, op grond van de voorgaande gegevens, "aantal effectieve verkopen". Het eerste blad van deze handgeschreven bladen maakt de optelsom van de aldus door verweerder voorgehouden "effectieve kasverkopen 1998", voor een totaal van "28.088".

In het proces-verbaal van 6 november 2001 wordt de voorgeschiedenis verhaald wat de start der werkzaamheden van eiseres als B.T.W.-plichtige betreft en vervolgens:

"Ik heb mij op 23.08.2000 na voorafgaandelijke verwittiging begeven en aangemeld op de maatschappelijke zetel van de belastingplichtige ....

Ik werd er ontvangen en te woord gestaan door de heren, die zich voorstelden als respectievelijk V. H. P. en G. L., beiden bestuurders, en door de heren P. J. en B. F. externe accountants verbonden aan het Accountantskantoor B. & C°, kantoor houdende ....

Ik heb hun op grond van artikel 61, § 1, van het BTW-wetboek verzocht mij inzage te verlenen van al de inkomende en uitgaande fakturen, faktuurboeken, dagboek van ontvangsten, inventarisboek, alsmede van alle comptabiliteitsboeken en bescheiden, waarvan het BTW-wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten te houden, opmaken, ontvangen, en uitreiken, bewaren en voorleggen, voorschrijven en die betrekking hebben op de handels en/of beroepswerkzaamheden van de belastingplichtige, uitgeoefend tijdens de periode van 01.01.1998 tot en met 31.12.1999."

Op grond van die overweging vervolgt het proces-verbaal van 6 november 2001 met de vaststelling van "inbreuken op artikel 53 en 54 van het B.T.W.-Wetboek en op het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde", met name, meer bepaald, op de verplichting overeenkomstig artikel 53, lid 1, 2, 53octies en 54 W.B.T.W. en artikel 1 § 1, 1 K.B. B.T.W. nr. 41 van 29.12.1992 tot uitreiking door eiseres van een factuur aan haar medecontractant wanneer zij een levering van goederen heeft verricht.

In concreto

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 611 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8