Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen·d.d. 31.10.2017
Rol: 2016/AR/340
D.F. NV, met maatschappelijke zetel te … KBO-nummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr.D.K. loco Mr.S. K , advocaat te … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 oktober 2015, met rolnummer 14/S045/A
tegen
DE BELGISCHESTAAT, In de persoon van dé Minister van Financiën,te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van. de Adviseur-generaal - Directeur te KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN,ItalIëiel 4 bus 2 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V.L.d.J. A., advocaat te …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 14 oktober 2015, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 februari 2016, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
I.Feitelijke en procedurele retroacta.
1.1. Huidige betwisting. betreft. het verzet tegen een dwangbevel. RCIV. nr. … inzake B.T.W. waarbij lastens eiseres in hoger beroep een. bedrag van 66.644,64 EUR als B.T.W. wordt nagevorderd voor de jaren. 2009 tot en met 2012, vermeerderd met een proportionele geldboete ten bedrage van 13.320 EUR en intresten.
Het dwangbevel werd uitgevaardigd op 16 mei 2014, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de B.T.W. te Antwerpen op 23 mei 2014 en betekend aan eiseres in hoger beroep bij gerechtsdeurwaardersexploot dd. 4 september 2014.
In het bijzonder wordt betwist dat de kwijtschelding van de huur voor de betrokken jaren een tegensprestatie betreft voor de renovatiewerken die door eiseres, als huurder van het onroerend goed, werden uitgevoerd. Eiseres in hoger beroep betwist dat er sprake is van wederzijdse prestaties waardoor B.T.W. verschuldigd zou zijn over de kwijtschelding van de huurprijs.
Op 10 april2012 zond de AOIF te Antwerpen een kennisgeving 281C aan de B.T.W.-controle waarbij werd meegedeeld dat de NV H.S.C. aan eiseres in hoger beroep een gebouw verhuurde waarin deze laatste een restaurant uitbaatte .Eiseres in hoger beroep had aan dat gebouw grote renovatiewerken uitgevoerd in 2009 en 2010, waardoor in 2009, 2010 en 2011 geen huur diende te worden betaald. De gederfde huur zou dienen als aflossing/betaling van de renovatiewerken.
Er werd eiseres in hoger beroep op 4 december 2013 een correctieopgave toegezonden waarin aan eiseres in hoger beroep werd meegedeeld dat, indien de huurder de door hem gedane kosten geheel of gedeeltelijk terugbetaald krijgt van de eigenaar, hij geacht wordt aan deze eigenaar een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de gedane werken worden vergoed. Hiervoor moet een factuur worden uitgereikt. Aldus zou een bedrag van 66.644,63 EUR als B.T.W. verschuldigd zijn.
Bij brief van 20 december 2013 deelde de T.V.H. namens eiseres In hoger beroep mee hier niet mee akkoord te gaan, waarna op 16 april 2014 een proces-verbaal werd opgesteld, waarin. werd verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie dd. 26 september 2013. Op 16 mei 2014 werd het bestreden dwangbevel uitgevaardigd.
1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 12 september 2014 verzocht eiseres in hoger beroep haar vordering ontvankelijk en gegrond. te verklaren, dienvolgens het bestreden dwangbevel dd. 16 mei 2014 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal dd. 16 april 2014 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, de correctie-opgave dd. 20 november 2013 te vernietigen en te ontheffen, minstens te zeggen dat de vermelde B.T.W.-navordering verhoogd met boete en interest niet verschuldigd is, de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle betaalde, geïnde en/of ingehouden bedragen en tevens tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding.
De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, niet begroot en niet vereffend.
De eerste rechter oordeelde dat er geen sprake was van verjaring, dat het commissionairsbeginsel niet werd toegepast en dat de B.T.W.-eenheid pas gevolgen heeft vanaf de oprichting ervan op 1 april 2014.
Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de huurkwijtschelding en de uitgevoerde verbouwings- en inrichtingswerken en dat eiseres in hoger beroep zich ertoe had verbonden de werken op haar kosten te laten uitvoeren en anderzijds. het recht verkreeg het gebouw te gebruiken voor haar activiteit. zonder dat zij huur hoefde te betalen, terwijl de verhuurder het verbouwde gebouw aan het einde van de handelshuur terugkrijgt. De eerste rechter stelde dat huurder en verhuurder jegens elkaar de verbintenis waren aangegaan om wederzijdse prestaties te verrichten en dat de verbouwings- en inrichtingswerker, als een onder bezwarende titel verrichte dienst dienden te worden beschouwd.
1.3. Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 16 februari 2016, hoger beroep ingesteld.
2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
2.1 ..Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen in de mate dat de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep werd afgewezen en
- dienvolgens het bestreden dwangbevel dd. 16 mei 2014. te. vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal dd. 16 april 2014 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren;
- In ondergeschikte orde, het bestreden dwangbevel gedeeltelijk te vernietigen in de mate dat de voor de jaren 2009 en 2010.·gevorderde B.T.W. verjaard is, dienvolgens ook het bestreden proces-verbaal dd. 16 april 2014 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren;
- te zeggen voor recht dat de oprichting van de B.T.W.-eenheid tussen eiseres in hoger beroep en NV H.S.C. impliceert dat een deel van de gevorderde B.T.W. kon worden herzien zodat het bestreden dwangbevel in die mate vernietigd en van nul en generlei waarde verklaard wordt en dienvolgens ook het bestreden proces-verbaal dd. 16 april 2014 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle betaalde, geïnde en/of ingehouden bedragen en tevens tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding.
Eiseres in hoger beroep stelt dat er geen rechtstreeks verband is tussen de uitgevoerde werken en de huurkwijtschelding. Zij heeft zich niet verbonden tot de uitvoering van de werken die nodig waren voor de uitoefening van haar activiteiten werden opgelegd door de brandweer. De uitgevoerde werken komen ook niet ten goede van de verhuurder, doch zijn meeneembaar of onderworpen aan artlkel.9 van de handelshuurwet. De kwijtschelding gebeurde omwille van de precaire financiële situatie van eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep heeft dan ook geen aan B.T.W. onderworpen dienst verricht.
Het bedrag van de nagevorderde B.T.W. werd willekeurig vastgesteld, nu het in casu een dienstverrichting in natura betreft.
Eiseres in hoger beroep treedt niet op als commissionair.
Ondergeschikt is de vordering van de B.T.W. verjaard wat betreft de jaren 2009 en 2010 en uiterst ondergeschikt maakt eiseres in hoger beroep deel uit van een B.T.W.-eenheid sinds april 2014.
2.2. Verweerster in hoger beroep vordert het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, eiseres in hoger beroep ervan of te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten ervan met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en het bestreden vonnis te bevestigen.
De administratie is van oordeel dat de betaling van de. renovatiewerken, in ruil voor de kwijtgescholden huur als een dienst dient te worden beschouwd In de zin van artikel 18, §1 W.B.T.W. en zulks onder verwijzing naar het arrest van het Hof. van Justitie van 26 september 2013. Uit de jaarverslagen blijkt ondubbelzinnig het rechtstreeks verband tussen de huurkwijtschelding en de uitgevoerde werken.
De vordering van de administratie Is niet willekeurig en is evenmin verjaard. De toetreding tot een B.T.W.-eenheid doet niet ter zake.
3. Bespreking.
3.1. Wat betreft de opgeworpen verjaring.
Naar oordeel van eiseres in hoger beroep is de navordering van B.T.W. voor de boekjaren 2009 en 2010 verjaard in toepassing van artikel 81bls, §1, eerste lid W.B.T.W. nu het dwangbevel werd uitgevaardigd op 16 mei 2014, i.e. buiten de termijn van drie jaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan.
Eiseres in hoger beroep stelt dat geen beroep kan worden gedaan op bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 81bls, §1, tweede lid,3° W.B.T.W. voor de verlenging van de verjaringstermijn van drie jaar tot zeven jaar omdat de kennisgeving gebeurde binnen de gewone verjaringstermijn van drie jaar en de administratie de belasting derhalve binnen de gewone verjaringstermijn had kunnen vestigen.
Artikel 81bis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, dat voorziet in de verjaring na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, er verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar wanneer “bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijk en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn".
Artikel 8ibis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. vereist niet dat de bewijskrachtige gegevens het bewijs leveren van de verschillende belastbare-handelingen die niet werden aangegeven.
Het volstaat dat de bewijskrachtige gegevens een. niet-aangegeven meeromzet of fraude. Aan het licht brengen en dat de administratie, vertrekkend van die gegevens, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij verschuldigd is.
Het Hof van Cassatie specifieerde ter zake dat de administratie kennis moet hebben gekregen van de bewijskrachtige gegevens binnen de. gewone driejarige verjaringstermijn om toepassing te kunnen maken van de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar (Cass. 27 april 2012, T.F.R., 2013, afl. 433, 21). Eiseres in hoger beroep stelt dan ook ten onrechte dat geen toepassing kan worden gemaakt van de verlengde verjaringstermijn indien de administratie binnen de driejarige termijn kennis kreeg van de bewijskrachtige gegevens.
Het tegendeel kan niet worden afgeleid uit het arrest van het Hof .van Cassatie dd. 17 oktober 2013 (F.11.11.01.08.N, Arr.Cass.,2013, afl. 10, 212) waar het Hof stelt dat, indien de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn reeds kennis had van de niet-aangifte van een in België belastbare handeling of van de onwettige toepassing van een belastingaftrek, de bewijskrachtige gegevens het bestaan ervan niet meer aan het licht kunnen brengen. Dit arrest viseert immers de specifieke situatie waarbij de B.T.W.- administratie reeds op de hoogte was van de zogenaamde bewijskrachtige gegevens voor de ontvangst ervan.
In casu blijkt niet dat de B.T.W.-administratie voor de ontvangst van de kennisgeving 281C op andere wijze reeds op de hoogte was van de kwijtschelding van de huurprijs, naar oordeel van de administratie, als tegensprestatie voor de uitvoering van de renovatiewerken. Van enig talmen of falen door de administratie is in casu geen sprake.
Aangezien de administratie kennis heeft gekregen van de bewijskrachtige gegevens binnen de gewone verjaringstermijn, werd, derhalve rechtsgeldig toepassing gemaakt van de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar. De navordering van de B.T.W. die betrekking heeft op de jaren 2009 en 2010 is dan ook niet verjaard.
Het vonnis van de eerste rechter dient op dit punt te worden bevestigd.
3.2.Ten gronde: vormt de kwijtschelding van de huurprijs een belastbare tegenprestatie voor de uitgevoerde renovatiewerken?
In casu ligt de vraag voor of de uitvoering van renovatiewerken door eiseres in hoger beroep aan het pand dat zij huurt als een belastbare dienst dient te worden beschouwd in de zin van artikel 18, §1 W.B.T.W. in acht genomen dat de verhuurder van het onroerend goed, NV H.S.C., de huurprijs voor het handelspand heeft kwijtgescholden voor de jaren waarin de renovatiewerken plaatsvonden.
Het Hof van Justitie heeft er in een arrest 26 september 2013 aan herinnerd dat de mogelijkheid om een handeling als een handeling ten bezwarende titel aan te merken alleen veronderstelt dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de dienstverrichting en een werkelijk ontvangen tegenprestatie. Van een dergelijk rechtstreeks verband is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan, over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de .werkelijke tegenwaarde. vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst (H.v.J. 26 september 2013, C-283/12,overweging nr. 39). Het Hof oordeelde vervolgens in overweging 40 dat "wanneer de verrichter van een dienst bestaande in reparatie en stoffering van een appartement er zich enerzijds volgens een met de eigenaar van dit appartement gesloten overeenkomst toe verbindt om deze dienst op zijn kosten te verrichten en hij anderzijds het recht verkrijgt om dat appartement gedurende de looptijd van deze overeenkomst te gebruiken voor zijn economische activiteit, zonder dat hij huur hoeft te betalen, terwijl de eigenaar het ingerichte appartement terugkrijgt aan het einde van die overeenkomst, deze in de vorm van reparatie- en stofferingswerkzaamheden verrichte dienst tot de categorie van onder bezwarende titel verrichte diensten in de zin van artikel 2, lid 1, sub c van de BTW-richtlijn behoort. Tussen die dienstverrichting en de tegenprestatie die de verrichter in ruil voor het verrichten van de dienst daadwerkelijk heeft ontvangen, bestaat immers een rechtstreeks verband, namelijk het recht om het betrokken appartement gedurende de looptijd van voormelde overeenkomst te gebruiken voor zijn economische activiteit." De omstandigheid dat de dienstverrichting pas ten goede komt aan de eigenaar op het einde van de overeenkomst, doet hier, aldus het Hof, geen afbreuk aan aangezien de partijen bij de wederkerige overeenkomst jegens elkaar de verbintenis aan gaan om wederzijdse prestaties te verrichten.
Het hof is van oordeel dat op grond van de overwegingen van het Hof van Justitie in voormeld arrest de renovatiewerken door eiseres in hoger beroep aan het onroerend goed van NV H.S.C. als een belastbare dienst dienen te worden gekwalificeerd.
Het staat immers vast dat eiseres in hoger beroep zich ertoe heeft verbonden om op eigen kosten de renovatiewerken te verrichten en dat zij, ingevolge de handelshuurovereenkomst, het recht had verkregen om het onroerend, goed, inclusief de uitgevoerde werken, te gebruiken voor haar handelsactiviteit als restaurantuitbater. Tevens staat vast dat eiseres in hoger beroep voor de periode dat de werken werden uitgevoerd, zijnde de jaren 2008 tot en met 2012 geen huur hoefde te betalen en dat deze huur was kwijtgescholden “gezien belangrijke verbouwings- en inrichtingswerken (...) werden uitgevoerd door de huurder", zoals blijkt uit de opeenvolgende jaarverslagen van de verhuurder. Ook kan niet worden betwist dat de verhuurder het onroerend goed aan het einde van de handelshuurovereenkomst zal terugkrijgen. Er .bestaat in casu dan ook een rechtstreeks verband tussen de uitgevoerde werken en de kwijtschelding van de huurprijs, zijnde het recht om het onroerend goed te gebruiken voor haar economische activiteit.
De vaststelling dat eiseres in hoger beroep zich niet schriftelijk, in de handelshuurovereenkomst of anderszins, heeft verbonden tot de uitvoering van de werken, kan dit rechtstreeks verband niet doorbreken. Het Hof van Justitie vereist voor een belastbare dienst dat een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de dienst, zonder dat daarbij vereist is dat een schriftelijke verbintenis dient te zijn aangegaan. Het bestaan van een overeenkomst in casu tussen huurder en verhuurde blijkt uit de uitdrukkelijke opname in de jaarverslagen van de verhuurder dat de huur wordt kwijtgescholden "gezien belangrijke verbouwings- en inrichtingswerken (...) werden uitgevoerd door de huurder" en zulks in samenlezing met artikel 7 van de Wet op de Handelshuurovereenkomsten. Ingevolge artikel 7 heeft de huurder het recht om aan het gehuurde goed verbouwingen uit te voeren, dienstig voor zijn bedrijf, doch evenwel mits toestemming van de verhuurder, die hij in kennis moet stellen van de voorgenomen werken. Het bestaan van de toestemming kan in casu niet in twijfel worden getrokken, zodat vaststaat dat tussen huurder en verhuurder in casu een verbintenis bestond aangaande de uitgevoerde werken.
Dat deze werken zouden zijn opgelegd door de brandweer wordt niet bewezen door eiseres in hoger beroep. Artikel 11, derde lid van de handelshuurovereenkomst, dat bepaalt dat aanpassingswerken, opgelegd door de overheid, ten laste zijn van de huurder, is dan ook niet relevant in deze. Er kan althans niet uit worden afgeleid dat er geen verbintenis zou bestaan tussen huurder en verhuurder aangaande uit te voeren werken.
Evenmin toont eiseres In hoger beroep aan dat de werken geen enkele waarde zouden hebben voor de verhuurder en haar niet ten goede zouden komen. Geen enkel detail wordt verstrekt van de werken die nochtans over de jaren 2009, 2010 en 2011 alleen reeds meer dan 326.994,44 EUR hebben gekost. Dat het om meeneembare werken zou gaan -om een demonteerbare keuken, die inmiddels zou zijn vervangen-, blijkt nergens uit. De enkele vaststelling dat de verhuurder een patrimoniumvennootschap is, heeft in ieder geval niet tot gevolg dat de werken, waarvan de aard en toedracht niet bekend is, hoe dan ook geen enkele waarde zouden vertegenwoordigen voor de verhuurder. Geheel ten onrechte stelt eiseres in hoger beroep dan ook dat de werken enkel in haar uitsluitend voordeel werden gedaan en de verhuurder aan het einde van de handelshuur niet ten goede zouden komen.
Uit de vaststelling dat aan het einde van de handelshuur in toepassing van artikel 9 van de Wet op de Handelshuurovereenkomst een vergoeding kan worden bepaald voor de niet verwijderde werken ten voordele van de huurder, kan niet worden afgeleid dat de werken hoegenaamd geen voordeel voor de verhuurder zouden opleveren. Een eventuele vergoeding op een later, onbepaald en onbepaalbaar tijdstip kan niet tot gevolg hebben dat er hoegenaamd geen rechtstreeks verband zou kunnen zijn tussen de uitgevoerde renovatiewerken en de kwijtschelding van de huurprijs. Het rechtstreeks verband dient te worden beoordeeld in het belastbaar tijdperk waarin de betrokken werken werden uitgevoerd, wars van een eventuele en onzekere toekomstige vergoeding.
In casu is dit rechtstreeks verband wel degelijk aangetoond nu de kwijtschelding van de huurprijs werd verleend, uitsluitend voor de periode waarin de werken werden uitgevoerd, onder uitdrukkelijke verwijzing naar de uitgevoerde werken en nu de waardering van de werken, voor drie jaar ten bedrage van 326.994,44 EUR, bovendien in grootorde vergelijkbaar is met de kwijtgescholden huur. De kwijtschelding van de huurprijs vormt dan ook de tegenwaarde van de door de huurder verrichte dienst, met name de uitgevoerde renovatiewerken. Dat enkel de huur voor welbepaalde jaren werd kwijtgescholden, kan de rechtstreekse band met de renovatiewerken slechts benadrukken omdat deze jaren ook precies samenvielen met de jaren waarin de renovatiewerken werden uitgevoerd.
Dat enkel de precaire financiële situatie van eiseres in hoger beroep de oorzaak van de kwijtschelding van de huur was, is in strijd met de jaarverslagen van NV H.S.C. voor de betrokken boekjaren. Uit de jaarrekeningen kan overigens worden afgeleid dat de jaarlijkse verliezen eerder hun oorzaak vonden in financiële kosten dan in een verlies van inkomsten, gelet op de nagenoeg jaarlijkse omzetstijging. Van enig verlies van inkomsten door de verbouwingswerken en door werken in de straat, wordt geen bewijs geleverd.
Het is naar oordeel van het hof dan ook ten genoege van recht bewezen dat de kwijtschelding van de huurprijs in casu de tegenprestatie vormde voor de renovatiewerken die eiseres in hoger beroep ten laste heeft genomen tijdens de jaren 2009 tot en met 2012, waarover dienvolgens B.T.W. verschuldigd was.
Aangezien de verschuldigde B.T.W. werd berekend op de kwijtgescholden huurprijs ten bedrage van 96.000 EUR per jaar, werd deze niet willekeurig vastgesteld. De kwijtschelding van de huurprijs betreft de tegenprestatie voor de uitgevoerde werken en is in geld waardeerbaar.
Artikel 33, §3 W.B.T.W. is dan ook niet van toepassing in deze.
Wat de argumentatie van eiseres in hoger beroep aangaande haar niet-optreden als commissionair betreft, stelt het hof vast dat de administratie haar navordering niet steunt op de bewering dat eiseres in hoger beroep als commissionair zou optreden. Hierop dient dan ook niet nader te worden ingegaan.
De vaststelling dat eiseres in hoger beroep sinds 1 april 2014 deel uitmaakt van een B.T.W.- eenheid met NVH.S.C., doet geen afbreuk aan de verschuldigdheid van de B.T.W. over de kwijtschelding van de huurprijs voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012. Het vormen van een B.T.W.-eenheid ressorteert geen gevolgen voor de voorgaande boekjaren.
Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.
Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het bestreden vonnis dient bevestigd te worden.
Eiseres in hoger beroep dient, als in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.