Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 26.04.2022
WF 707-15-18/039685
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Omzetverhoging – Willekeur – Bewijslast - Vermoedens
Wettelijke bepalingen
Art. 59, §1 en 64, §3 W.Btw
Art. 1349 BW (oud)
Art. 8.29 BW
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Tegenpartij baat een eetgelegenheid uit. Tijdens een fiscale controle bleek de boekhouding niet bewijskrachtig te zijn en werd er vastgesteld dat er te weinig omzet was aangegeven. Voor deze inbreuk werd er een proces-verbaal opgesteld door de administratie.
Op basis van het proces-verbaal werd een dwangbevel opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Hiertegen legde tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De eerste rechter besliste dat de vordering van de tegenpartij toelaatbaar maar ongegrond was. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.
2) Het arrest van het hof van beroep
Willekeur
Tegenpartij werpt op dat de omzetberekening willekeurig zou zijn, aangezien er geen rekening zou zijn gehouden met elementaire principes rond bewijslast en bewijsvoering.
Tijdens de controle stelde de administratie vast dat er geen gedetailleerde verantwoordingsstukken konden worden voorgelegd voor de inschrijvingen in het dagontvangstenboek. Er konden geen Z-totalen of btw-ontvangstbewijzen worden voorgelegd. Daarnaast werd er een spontane meeromzet van 140.000 EUR. opgenomen in de boekhouding zonder verdere verduidelijking. Ook van koffie en thee werd in de boekhouding niets teruggevonden. Dit terwijl deze producten wel op de prijslijst werden vermeld. Het hof is dan ook dezelfde mening als de administratie toegedaan. De boekhouding was niet controleerbaar en bijgevolg ook niet bewijskrachtig. De administratie maakte vervolgens dan ook terecht gebruik van het bewijsmiddel van vermoedens.
Voor de berekening van de omzet van het vlees, de frieten en dranken ging de administratie uit van het verschil tussen de aankopen en de voorraad op het einde van het belastbaar tijdperk. Dit zijn vaststaande gegevens.
Vervolgens ging de administratie uit van 300 gr. voor zowel een portie vlees als voor een portie frieten. Hierbij merkt het hof op dat dit zeer ruim berekend is en bijgevolg ook in het voordeel van de belastingplichtige. Het hof is van mening dat er in dit geval dan ook mag van worden uitgegaan dat het verlies reeds in die hoeveelheid begrepen zit.
De verhouding tussen het verbruik ter plaatse en de meegenomen porties werd berekend op basis van het aantal draagtassen. Dit is volgens het hof een objectief gegeven aangezien de boekhouding hierover geen informatie bevat.
Ook voor wat de bepaling van de hoeveelheid dranken per fles en van de prijzen per consumptie, werd ook steeds uitgegaan van vaststaande gegevens en van elementen in het voordeel van de belastingplichtige. Zo werden steeds de goedkoopste prijzen op de prijslijst in aanmerking genomen en werd de prijslijst met de laatste prijzen gebruikt. Verder werd ook slechts één consumptie van drank bij een ter plaatse verbruikte maaltijd in aanmerking genomen en werd er geen rekening gehouden met vegetarische maaltijden, hoewel uit de prijslijst blijkt dat deze ook werden aangeboden.
Het hof is van mening dat de administratie op deze manier op bijzonder nauwkeurige wijze, op basis van bekende feiten tot een correcte berekening van de niet aangegeven omzet kwam. Volgens het hof is er dan ook in dit geval geen sprake van willekeur.
Tenslotte splitste de administratie ook de meeromzet uit per tarief, hoewel ze de mogelijkheid had om op basis van artikel 64, §3 WBTW over de mogelijkheid beschikte om het hoogste tarief toe te passen.
Opmerking
Tegenpartij berust in het arrest.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken
Arrest van 29 april 2022
Rol: 2019/AR/1844
Mr. ..., advocaat, kantoorhoudende te ..., q.q. curator van het faillissement van CV M.R., ON 056...65, met laatste maatschappelijke zetel te ... Eiser in hoger·beroep, tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 24 juni 2019, gekend onder rolnummers 18/2889/A en 18/3755/A
tegen
DE BELGISCHE STAAT - - FOD FINANCIËN. ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de ADVISEUR-ONTVANGER VAN HET TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN ANTWERPEN 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 1 en handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN, ON 0308.357.159, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2. Verweerder in hoger beroep, hebbende als fiscale ambtenaren de heer X en mevrouw Y (kenmerk: 707-15-18/039685)
Het hof verwijst naar het eindarrest van deze kamer van 26 april 2022 met betrekking tot hogervermelde partijen.
In voormeld arrest werd echter vergeten uitspraak te doen over de fiscale vrijstelling van betaling van de rolrechten.
Ingevolge de wetswijziging ingevoerd door de wet van 24 oktober 2013, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 januari 2014, luidt art. 797 Ger.W. als volgt:
"Uitlegging en verbetering kunnen ambtshalve geschieden."
Ingevolge art. 799 Ger.W. mag de rechter een beslissing enkel verbeteren of oordelen over het verzuim uitspraak te doen over een punt van de vordering, in zover de beslissing niet is bestreden.
In dit dossier ligt geen énkel bewijs voor dat voornoemd arrest bestreden is. Het loutere feit dat de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden nog niet verstreken is, doet daaraan geen afbreuk.
Beschikkend gedeelte
Beslissing
Het hof beslist bij arrest in afwezigheid van partijen.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof zegt voor recht dat het eindarrest, op tegenspraak gewezen door deze kamer van dit hof op 26 april 2022, met toepassing van de artikelen 794 en 797 Ger.W. wordt aangevuld als volgt:
'Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..'
Beveelt de griffier overeenkomstig art. 800 Ger.W. op de kant van de oorspronkelijke 'beslissing melding te maken van het beschikkend gedeelte van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzuim uitspraak te doen en zegt dat geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van de oorspronkelijke beslissing mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkend gedeelte van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzuim uitspraak te doen.
Legt de kosten ten laste van de Belgische Staat.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 29 april 2022 door:
Ondertekeningen
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4
Vonnis van 24 juni 2019
Rol: 18/2889/A-18/3755/A
Inzake: 18/2889/A
M.R. CVBA met zetel te ..., KBO: 056...65, eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ... advocaat, kantoorhoudende te ...,
TEGEN:
BELGISCHE STAAT in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, KBO 0308.357.159, verwerende partij - vertegenwoordigd door de heer X en mevrouw Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,
Inzake:18/3755/A
M.R.CVBA met zetel te ..., KBO: 056...65, eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ... advocaat, kantoorhoudende te ...,
TEGEN:
BELGISCHE STAAT in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Adviseur-ontvanger van het Team Invordering rechtspersonen Antwerpen 1, met kantoren te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 1 en handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, KBO 0308.357.159, verwerende partij - vertegenwoordigd door de heer X en mevrouw Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder:
• inzake AR 18/2889/A:
Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 juni 2018;
de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 14 maart 2019; de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 13 mei 2019; de stukken van partijen,
• inzake AR 18/3755/A:
- Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2 augustus 2018;
- de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 14 maart 2019;
- de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 19 april 2019;
- de stukken van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de Nederlandse taal ter terechtzitting van 17 juni 2019.
Het geschil behelst BTW en vennootschapsbelasting in hoofde van eiseres.
Zij deed aangifte voor aanslagjaar 2016 (boekjaar 18/11/2014 t/m 31/12/15) in de vennootschapsbelasting.
Zij deed BTW-aangiftes over januari t/m december 2015.
Eiseres staat voor de BTW geregistreerd voor de activiteit "eetgelegenheid met volledige bediening''.
De belastingdienst verrichtte gezamenlijk controle.
Inzake BTW kwam het uiteindelijk tot de opstelling van een proces-verbaal op 5 maart 2018
{20% herleide boete incluis).
Een raadsman diende willig administratief bezwaar in, werd daarop afgewezen op 25 april 2018.
Ontvanger Rechtspersonen Antwerpen 1 vaardigde 16 mei 2018 dwangschrift uit dat op 24 mei 2018 uitvoerbaar werd verklaard en middels dwangbevel van 6 juli 2018 aan eiseres werd betekend.
Raadsman legde 2 augustus 2018 verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neer. Dit leidde tot A.R.18/3755/A.
Inzake vennootschapsbelasting werd eerst een aanvankelijke aanslag gevestigd conform de aangifte en volgde op de controle Bericht tot Wijziging van Aangifte van 27 november 2017.
Dit bericht wijst op, vooreerst, op oncontroleerbaarheid (deze geformuleerd als gebrek aan bewijskracht) van de boekhouding en werkt in detail een belastbare grondslag uit, neemt voor te belasten bij wijze van geheim commissieloon (art. 219 WIB92) en neemt bij dit alles ook 50% belastingverhoging voor.
Dit bericht werd inhoudelijk gemotiveerd betwist door een raadsman, waarop werd gerepliceerd tot behoud.
Op 9 februari 2018 werd dan supplementaire aanslag kohierartikel 880400169 gevestigd conform het voornemen.
Gemotiveerd bezwaarschrift door de raadsman kwam op 28 februari 2018 in.
Een gedelegeerd ambtenaar verklaarde op 25 april 2018 het bezwaar(schrift) impliciet toelaatbaar maar wees het ten gronde af.
Raadsman legde op 7 juni 2018 verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neer. Afschrift der beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.
Dit leidde tot A.R.18/2889/A.
Vanuit wat voorafgaat past het vooreerst de zaken samen te voegen om reden van samenhang.
Ontvankelijkheid van de rechtsvordering inzake BTW en toelaatbaarheid van de rechtsvordering inzake vennootschapsbelasting staan niet in betwisting.
Ten gronde
A.R.18/3755/A.
Het proces-verbaal inzake BTW stelt vast dat de boekhouding van eiseres volop onbewijskrachtig is bij gebrek aan ook maar enige controleerbaarheid.
De belastingdienst is, vanuit wat wél kon worden aangetroffen, zelf overgegaan tot samenstelling der door eiseres gerealiseerde meeromzet.
Wat betreft de gedane vaststellingen kent het proces-verbaal de bewijswaarde van art.59 §1 2de lid Wetboek BTW.
Eiseres ontkracht deze bewijskracht geenszins.
Wat betreft de feitelijke vermoedens die werden aangewend tot samenstelling van de meeromzet stelde verweerder in de zin van art.1353 Burg.Wetboek vol- en afdoende feitelijke vermoedens samen.
Dit treedt naar voren bij de analyse van de werkwijze der controledienst.
Er werd uitgegaan van de aankoopfacturen waar deze aanwezig bleken, samen met de voorliggende prijslijst van eiseres.
Nu eiseres twee prijslijsten werden gehanteerd werd bij de omzetberekening uitgegaan van de voor haar meest gunstige.
De Deluxe schotels werden achterwege gelaten in het voordeel van eiseres.
Vegetarische schotels en dito broodjes werden in het voordeel van eiseres ook buiten beschouwing gelaten bij de berekening.
Ook werd rekening gehouden met korting bij een promotieactie in de maanden maart tot en met juni 2015, eveneens in het voordeel van eiseres.
Idem met de prijzen inzake koffie en thee, de laagste prijzen conform prijslijst.
Bij gebrek aan door eiseres enig verschaft houvast, blijkt de belastingdienst dan terecht te zijn uitgegaan van een (niet on)redelijke verhouding tussen verbruik ter plaatse en meeneemgerechten.
Eiseres vermag inderdaad haar eigen (on)redelijke handelwijze die bepaling van een te dezen redelijke verhouding zou blokkeren en elke vorm van bewijs aldus en op die wijze belastingheffing gewoonweg onmogelijk zou maken.
Wat betreft dranken werden ten dele geen aankoopfacturen aangetroffen, enz.
Eiseres kan haar eigen geslepen werkwijze in het onmogelijk maken, saboteren, van de bepaling van haar belastingtoestand, werkelijk niet naar voren schuiven.
De belastingdienst ging te dezen, zoals zonet uiteengezet, gedetailleerd en met zorg te werk om alsnog te komen tot een redelijke realistische heffing.
Bij dit alles wordt geconstateerd dat voor het geheel het (volle) tarief van 21% had kunnen worden toegepast en er nochtans een uitsplitsing werd toegepast.
Van willekeur in de· BTW-heffing kan dan ook geenszins worden uitgegaan.
Wat voorafgaat onderstreept ten volle het ontduikingsopzet van eiseres.
Hoe dan ook werd slechts een herleide boete van hier slechts 20% toegepast, conform KB 41 BTW.
Deze boete is lager dan wettelijk én ze is tegelijk lager dan evenredig met de feiten.
A.R.18/2889/A.
De bewijskracht en aldus de controleerbaarheid der boekhouding werd in het wijzigingsbericht gemotiveerd verworpen.
Ook hier diende de belastingdienst de (meer)omzet te berekenen aan de hand van de beschikbare gegevens.
Hij deed dat ook hier op een verantwoorde gedetailleerde wijze.
Ook hier werden alzo feitelijke vermoedens aangewend in de zin van art.1353 Burg. Wetboek.
Deze werden gedetailleerd en op onderbouwde wijze uitgewerkt in de fase van taxatie, in dezelfde zin als hogerop inzake BTW.
In het kader van art.219 WIB92 werd de meerwinst niet teruggevonden "onder de bestanddelen van het vermogen "van eiseres.
Terecht werd dan ook belast onder dit laatste wetsartikel.
Hier werd bij uitgesproken ontduikingsmechanisme terecht belastingverhoging met 50% opgelegd.
OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Voegt de zaken onder A.R.18/3755/A en A.R.18/2889/A samen en beoordeelt ze in een en het zelfde vonnis,
Verklaart de rechtsvorderingen ontvankelijk respectievelijk toelaatbaar, maar telkens ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten in beide zaken samen,
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder in beide zaken samen niet, bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in de respectieve conclusies.
Dit vonnis werd uitgesproken op vierentwintig juni tweeduizend negentien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.