Omvorming woning, nieuwbouw woning, werk in onroerende staat · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 14 januari 2020

Zoeken

Omvorming woning, nieuwbouw woning, werk in onroerende staat

https://juriel.be/nl/rechtspraak/omvorming-woning-nieuwbouw-werk-in-rechtbank-brugge-2020-01-14-426f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
14 januari 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

97 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 14.01.2020

WF 708-15-19/001560

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – omvorming woning- nieuwbouw woning

Wettelijke bepalingen

Art. 37 WBTW en rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

1) Het geschil

Eisers zijn eigenaar van een particuliere woning. De discussie voor de rechtbank betreft het btw-tarief van 6% bij omvorming versus het tarief van 21% bij nieuwbouw van een particuliere woning.

2) Vonnis in eerste aanleg

Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij KB 20, onderworpen aan het verlaagde BTW- tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, of verbetering van de woning tot voorwerp hebben. Krachtens §1, 10° van rubriek XXXI van tabel A zijn werken bij nieuwbouw uitgesloten van het verlaagd tarief.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter. Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor de administratie is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven. Eisers willen gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden dragen zij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat het oude gebouw gedeeltelijk werd behouden en dat de oorspronkelijke ruimtes werden omgevormd en andere functies hebben gekregen.

De bouw van nieuwe elementen vindt slechts ten belope van 29,95 % steun en draagkracht op oude dragende muren. Bijgevolg zijn 70,05% van de dragende buitenmuren nieuw.

De resterende funderingen werden bovendien verstevigd met nieuwe funderingen. Tevens werd de eerste verdieping volledig afgebroken, werden er nieuwe gewelven geplaatst en werd het volledig dak weggenomen en een nieuw geplaatst.

Het oude behouden gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Het is duidelijk dat de uitgevoerde werken niet meer steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw. Het is dan ook duidelijk dat deze werken de bouw van een nieuwe woning betekenen, waarbij het verlaagde tarief niet van toepassing is.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Eisers dienden immers te weten dat de uitgevoerde werken aan hun woning niet konden gecatalogeerd worden als een "verbouwing". Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.

De vrijwillig tussenkomende partij die met een volledige architectuuropdracht werd belast voor het verbouwen van de private woning van eisers, werd op geen enkel ogenblik ingelicht of bevraagd omtrent het zgn. essentieel zijn van het verlaagde tarief van 6 % voor haar medecontractanten.

Het feit dat in de kostenraming, opgemaakt op 28 mei 2013, en dus voorafgaandelijk aan het sluiten van de architectenovereenkomst, melding wordt gemaakt van het tarief van 6 % doet daar geen afbreuk aan. Eisers blijven als bouwheer zelf verantwoordelijk voor de toepassing van het correcte btw-tarief. Advisering inzake fiscale aangelegenheden maakt geen onderdeel uit van de wettelijk omschreven tak van de architect. De ondergeschikte vordering van eisers tot veroordeling van de vrijwillig tussengekomen partij dient als ongegrond te worden afgewezen.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke, Tiende Kamer

Rol: 19/50/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 19/50/A

S.V.W. (RR-nr. ...), geboren op ..., wonende te ..., eisende partij, voor wie optreedt meester ....

V.F. (RR-nr. ...), geboren op ..., wonende te ..., eisende partij, voor wie optreedt meester ...

tegen:

de BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, (KBO: 0308.357.159), Algemene Administratie van de Fiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, _ 1 handelend op verzoek van de Adviseur-generaal van het KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, 1e verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw ..., attaché.

P. nv (KBO: 0440....), met zetel te ..., verwerende partij, voor wie is opgetreden meester ..., advocaat te ....

Vrijwillige tussenkomst :

B.V.B.A. S.A. (KBO: 0875....), met zetel te ..., voor wie is opgetreden meester ..., advocaat te ....

1. RECHTSPLEGING.

Gelet op de dagvaarding dd. 13.12.2018..

Gelet op het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst dd. 24.01.2019.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 17.12.2019.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Eisers hebben aan de woning in de Knokstraat, 29, te Ruiselede, onroerende werken verricht.

In 2017 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waar vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd op 20.07.2018, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd.

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eisers een bedrag gevorderd van 49.611,75 EUR BTW 4.960,00 EUR geldboete.

2.2. Eisers vragen dat:

De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

In hoofdorde, de navordering ongegrond wordt verklaard en derhalve de terugbetaling wordt bevolen van de onterecht betaalde BTW en boete.

In ondergeschikte orde, tweede verweerder en de vrijwillig tussenkomende partij solidair worden veroordeeld tot betaling aan eisers van de som van 54.571,75 EUR meet interesten , leningskosten en dossierkosten.

Eerste verweerder en in ondergeschikte orde tweede verweerder worden veroordeeld tot d kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Eerste verweerder vraagt dat de vordering van eisers als ontvankelijk en ongegrond worden afgewezen en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

2.4. Tweede verweerder en de vrijwillig tussenkomende partij vragen dat de vordering van eisers wordt afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

BEOORóELING,

3.1. nopens de ontvankeli(kheid.

Verweerders en de vrijwillig tussenkomende partij voeren geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

Voorafgaand

De laattijdige besluiten van de vrijwillig tussenkomende partij en van tweede verweerder dd. 12.12.2019 worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

3.2.1. Eisers stellen dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6%.

3.2.2. Sinds 1 augustus 1986zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW- tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6van 22 augustus 1986wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende: "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt: 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur {b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het K.B. nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende: "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming {of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte v n het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan d t dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de tata oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oud gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen s niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijd hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatie omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil ij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangenomen, dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van e nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden {Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLE , B.T.W.-Rev., nr. 10 7, 106, nr. 3).

3.2.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor eerste verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven. Eisers willen gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden dragen zij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat het oude gebouw gedeeltelijk werd behouden en dat de oorspronkelijke ruimtes werden omgevormd en andere functies hebben gekregen.

De bouw van nieuwe elementen vindt slechts ten belope van 29,95 % steun en draagkracht op oude dragende muren. Bijgevolg zijn 70,05 % van de dragende buitenmuren nieuw. De resterende funderingen werden bovendien verstevigd met nieuwe funderingen door middel van onderschoeiing.

Verder werd een nieuwe gewapende betonplaat gegoten op het gelijkvloers, bevinden de binnenmuren zich op een andere plaats en werd de trap naar het eerste verdieping verplaatst.

Tevens werd de eerste verdieping volledig afgebroken, werden er nieuwe gewelven geplaatst en werd het volledig dak weggenomen en een nieuw geplaatst.

Het oude behouden gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Het is duidelijk dat de uitgevoerde werken niet meer steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw.

Het op deze manier herbouwen van een gebouw na afbraak en quasi volledige ontmanteling dient te worden aanzien als nieuwbouw. Hetgeen behouden werd is niet meer betekenisvol t.a.v. de nieuwe woning.in haar geheel. Zij is m.a.w. tot bijzaak verworden.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2.6. Een boete van 10 % op het verschuldigd BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Eisers diende immers te weten dat de uitgevoerde werken aan hun woning niet konden gecatalogeerd worden als een "verbouwing".

Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.

Rekening houdend met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de boete van 10 %, en voor een bedrag van 4.960,00 EUR, in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

3.2.7. De vrijwillig tussenkomende partij die met een volledige architectuuropdracht werd belast voor het verbouwen van de private en vrijstaande woning van eisers, werd op geen enkel ogenblik ingelicht of bevraagd omtrent het zgn. essentieel zijn van het verlaagde tarief van 6 % voor haar medecontractanten.

Verder blijkt ook uit de voorliggende stukken niet dat de architect ooit enige garantie heeft geuit m.b.t. de toepassing van het verlaagde BTW-tarief.

Het feit dat in de kostenraming, opgemaakt op 28 mei 2013, en dus voorafgaandelijk aan het sluiten van de architectenovereenkomst, melding wordt gemaakt van het gunsttarief van 6 % doet daar geen afbreuk aan.

Eisers blijven als bouwheer zelf verantwoordelijk voor de toepassing van het correcte BTW-tarief. Advisering inzake fiscale aangelegenheden maakt geen onderdeel uit van de wettelijk omschreven taken van de architect.

De ondergeschikte vordering van eisers tot veroordeling van tweede verweerder en de vrijwillig tussenkomende partij tot betaling aan eisers van de som van 54.571,75 EUR meer interesten, leningskosten en dossierkosten dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.2.8. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vorderingen dienen als ongegrond te word afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen.

Aangezien eerste verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van eerste verweerder onbestaande.

In hoofde van tweede verweerder en de vrijwillig tussenkomende partij worden zij begroot op 3.000, EUR rechtsplegingsvergoeding (de waarde van de vordering situeert zich tussen de 40.000,01 en e 60.000,00 EUR).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Weert uit de debatten de door de vrijwillige tussenkomende partij en tweede verweerder op 12.12.20 9 neergelegde conclusie.

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van eerste verweerder begroot op 0,00 EUR en aan de zijde van tweede verweerder en een vrijwillig tussenkomende partij begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op VEERTIEN JANUARI TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden: ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 372 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8